De zaak betreft een verzoek van werkgever [A] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer [B], op grond van ernstig verwijtbaar handelen (e-grond) en/of een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). [B] is sinds 2013 in dienst als Engineer 1 Tug aan boord van sleepboot [sleepboot X].
[A] baseert haar verzoek op een onderzoek door Hoffmann naar overtredingen van het alcohol- en drugsbeleid, het anti-intimidatiebeleid en het COVID-19 beleid aan boord. [A] stelt dat [B] onder meer alcohol heeft genuttigd en verspreid aan boord, stagiaires onder druk heeft gezet en een onveilige werksituatie heeft gecreëerd.
[De kantonrechter constateert dat het alcoholgebruik beperkt was tot één of twee biertjes na werktijd en vóór het eten, met toestemming en medeweten van de kapiteins. Er is geen bewijs dat [B] een prominente rol speelde bij het alcoholgebruik. De beschuldigingen van intimidatie en druk op stagiaires zijn onvoldoende onderbouwd en worden door meerdere verklaringen betwist. Ook is geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding met de bemanning, slechts een vermeende verstoring met het hoofdkantoor.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst en wijst het verzoek af. Proceskosten worden aan [B] toegewezen tot een vastgesteld bedrag van €747.