Eiser was eigenaar van een onroerende zaak en kreeg voor 2019 aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd door verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Dantumadiel. Eiser stelde dat de opbrengstlimiet zoals bepaald in artikel 229b van de Gemeentewet was overschreden en maakte bezwaar tegen de aanslagen. Verweerder gaf onvoldoende inzicht in de begrotingsramingen van baten en lasten, waardoor eiser gemotiveerd twijfels kon uiten over diverse posten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet voldeed aan zijn informatieplicht in de bezwaarfase en dat de stukken die later in beroep werden overgelegd niet alle twijfels konden wegnemen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de opbrengstlimiet was overschreden, wat leidde tot de conclusie dat de verordeningen geheel onverbindend waren en de aanslagen vernietigd moesten worden.
Daarnaast werd vastgesteld dat verweerder te laat uitspraak op bezwaar deed, waardoor dwangsommen werden opgelegd. De rechtbank oordeelde dat eiser de ingebrekestelling rechtsgeldig per e-mail had verzonden en dat verweerder deze tijdig had ontvangen. Omdat de aanslagen op verschillende grondslagen berustten, werden de bezwaren als niet samenhangend beschouwd en werd per aanslag een dwangsom toegekend.
Ten slotte kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsprocedure, waarbij de vergoeding deels ten laste van verweerder en deels ten laste van de Minister kwam. Het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 16 mei 2022.