Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2022:2019

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
9072422
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 1 RvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 3:305a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot aanhouding individuele dieselfraudeprocedure in afwachting van collectieve procedures

Volkswagen verzocht de kantonrechter om de individuele procedure die door de Volkswagen Group Diesel Efficiency Stichting (VGDES) tegen haar is aangespannen aan te houden. Dit verzoek was gericht op het afwachten van de uitkomst van lopende collectieve procedures bij andere gerechten die dezelfde feitelijke en juridische vragen behandelen.

De kantonrechter overwoog dat de rechtbank Amsterdam in een eerder vonnis had vastgesteld dat de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Acties (WAMCA) niet van toepassing is op de SDEJ-collectieve procedure, waardoor het wettelijke kader van artikel 3:305a oud BW geldt. Dit betekent dat individuele belanghebbenden zelfstandig vorderingen kunnen instellen en niet gebonden zijn aan uitspraken in collectieve procedures.

De kantonrechter vond dat het aanhoudingsverzoek van Volkswagen zou leiden tot onredelijke vertraging van de procedure en dat het belang van VGDES en de individuele consument bij een voortvarende behandeling zwaarder weegt dan het belang van Volkswagen om het hoger beroep in de collectieve SCC-procedure af te wachten. Ook de samenwerking van de Consumentenbond met andere collectieve actiegroepen bood geen grond voor aanhouding.

Daarom wees de kantonrechter het verzoek af en verwees de zaak naar de rolzitting voor het nemen van een conclusie van antwoord door Volkswagen binnen een termijn van vier weken, met een mogelijke verlenging van vier weken.

Uitkomst: Het aanhoudingsverzoek van Volkswagen wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet met een termijn voor conclusie van antwoord.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rolnummer: 9072422 \ CV EXPL 21-1364
rolbeslissing van de kantonrechter d.d. 14 juni 2022
inzake
de stichting
VOLKSWAGEN GROUP DIESEL EFFIENCY STICHTING,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
hierna te noemen: VGDES,
gemachtigde: mr. J.H. Lemstra, advocaat te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon naar Duits recht
VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT
gevestigd te Wolfsburg (Duitsland),
gedaagde,
hierna te noemen: Volkswagen,
gemachtigde: mr. J.K. van Hezewijk, advocaat te Amsterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de kantonrechter van 21 december 2021 in het verwijzingsincident tevens rolbeslissing op het aanhoudingsverzoek;
- de akte van VGDES;
- de akte van Volkswagen.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
1.3.
Op 7 juni 2022 is een e-mailbericht van de advocaat van Volkswagen binnengekomen. Hierop heeft de advocaat van VGDES bij e-mail van 9 juni 2022 gereageerd. De kantonrechter laat deze e-mails buiten beschouwing, omdat aan partijen niet (meer) de gelegenheid was gegeven om zich nog nader (inhoudelijk) uit te laten.

2.De beoordeling

2.1.
De inhoud van voornoemde rolbeslissing moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Hierbij heeft de kantonrechter beslist dat de zaak wordt aangehouden tot er duidelijkheid is over de vraag of op de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige SDEJ-procedure de WAMCA van toepassing is. Partijen hebben zich ter rolle van 17 mei 2022 bij akte uitgelaten, nadat door de rechtbank Amsterdam op 30 maart 2022 [1] vonnis is gewezen.
2.2.
Volkswagen heeft bij akte na tussenvonnis opnieuw een verzoek tot aanhouding van de onderhavige procedure gedaan. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.
In de SCC-procedure is inmiddels hoger beroep ingesteld. De beslissingen in de SCC-procedure vormen een belangrijk precedent voor deze procedure, omdat de voorliggende feitelijke vragen en rechtsvragen vrijwel identiek zijn. VGDES noemt dit zelf een "spoorboekje". Voorts acht de wetgever het onwenselijk dat er bij massaschade vele individuele procedures worden gevoerd en dat er in identieke individuele zaken tegenstrijdige uitspraken (kunnen) worden gedaan. In de SDEJ-procedure vraagt de rechtbank zich ook af of het gewenst en efficiënt is dat er verschillende procedures lopen. Daarnaast wijst Volkswagen erop dat de Consumentenbond bekend heeft gemaakt dat zij gaat samenwerken met SCC in collectieve claims tegen autofabrikanten ten aanzien van
defeat devicesin dieselvoertuigen, dit terwijl de Consumentenbond eerst alleen met VGDES samenwerkte. Gelet op het voorgaande is het opportuun en efficiënt dat de onderhavige procedure wordt aangehouden totdat er in de SCC-procedure in hoger beroep uitspraak is gedaan. Het belang van VGDES althans [consument] om eerder een vonnis te krijgen in deze individuele procedure weegt niet op tegen het belang van Volkswagen om het hoger beroep in de SCC-procedure af te wachten. Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen dat [consument] door VGDES al financieel is gecompenseerd. Ten slotte wijst Volkswagen erop dat de appeltermijn tegen het vonnis van 30 maart 2022, waarin de rechtbank over de toepasselijkheid van de WAMCA op de SDEJ-procedure heeft geoordeeld, nog niet is verstreken.
2.3.
VGDES voert in haar akte na tussenvonnis, samengevat, het volgende aan. Er is geen grond voor verdere aanhouding van de onderhavige procedure, nu de rechtbank Amsterdam in genoemd vonnis heeft beslist dat de WAMCA niet van toepassing is op de SDEJ-procedure en dat hiervoor het wettelijk kader van artikel 3:305a (oud) BW geldt. Een dergelijke collectieve procedure rechtvaardigt geen aanhouding van individuele procedures. Het afwachten van de uitkomst van de SDEJ-procedure zal voor VGDES/[consument] tot een onredelijke vertraging van de onderhavige procedure leiden en dient ook geen redelijk doel. VGDES/[consument] hebben ook een zwaarwegend belang bij voortzetting, omdat [consument] slechts voor een gedeelte (18,8%) van zijn totale vordering op Volkswagen door VGDES is gecompenseerd en nog een aanzienlijke restantvordering (maximaal € 11.601,-) op Volkswagen heeft. Volkswagen dient tegen deze achtergrond, zonder dat nader uitstel mogelijk is, voor antwoord te concluderen, aldus VGDES.
2.4.
De kantonrechter wijst het thans voorliggende aanhoudingsverzoek van Volkswagen af. Daartoe is het volgende redengevend.
2.5.
De rechtbank Amsterdam heeft inmiddels, in haar vonnis van 30 maart 2022, geoordeeld dat de WAMCA niet van toepassing is op de SDEJ-procedure. In zoverre bestaat er dan ook geen grond meer voor verdere aanhouding van de onderhavige procedure. Hieraan doet niet af dat dit vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.
2.6.
Het aanhoudingsverzoek van Volkswagen betreft een eenzijdig aanhoudingsverzoek. De kantonrechter dient dit verzoek te beoordelen aan de hand van onder meer het voorschrift dat onredelijke vertraging van de procedure dient te worden voorkomen (artikel 20 lid 1 Rv Pro en artikel 6 lid 1 EVRM Pro), de belangen van partijen en de eisen van de proceseconomie. [2] Op grond van artikel 20 Rv Pro dient de rechter te waken voor een onredelijke vertraging van de procedure. Een nadere uitwerking van dit beginsel is te vinden in het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton. Bij de beoordeling of het aanhoudingsverzoek leidt tot onredelijke vertraging zal de kantonrechter enerzijds de belangen van VGDES/[consument] op een voortvarende rechtspleging en anderzijds het belang van een doelmatig verloop van de procedure tegen elkaar moeten afwegen. In het feit dat een andere procedure loopt waarin dezelfde rechtsvragen spelen, kán de rechter aanleiding vinden om de bij hem lopende procedure aan te houden, maar ook dan moet voor onredelijke vertraging worden gewaakt. [3]
2.7.
Niet in geschil is dat op de SCC-procedure het wettelijk regime van artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is. Op grond van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2022 (r.ov. 5.32.) gaat de kantonrechter ervan uit dit óók ten aanzien van de SDEJ-procedure het geval is. Een collectieve actie op grond van artikel 3:305a (oud) BW heeft een aanvullend karakter: een individuele belanghebbende houdt de mogelijkheid om zelf een vordering in rechte over de desbetreffende kwestie in te stellen en is niet gebonden aan een uitspraak die door een belangenorganisatie is verkregen. Een door een belangenorganisatie verkregen uitspraak heeft slechts bindende kracht tussen deze organisatie en de aangesproken gedaagde. Dit systeem brengt met zich mee dat er in collectieve en individuele procedures (deels) andere uitspraken kunnen worden gedaan. In laatstgenoemde omstandigheid kan op zichzelf beschouwd dan ook geen grond voor aanhouding van deze individuele procedure worden gevonden in afwachting van de uitkomst van beide collectieve procedures, ook niet in samenhang bezien met de andere door Volkswagen aangevoerde redenen, zoals blijkt uit r.ov. 2.8. en 2.9.
2.8.
De kantonrechter ziet, anders dan Volkswagen bepleit, in het feit dat in de SCC-procedure en de SDEJ-procedure (deels) dezelfde feitelijke vragen en rechtsvragen spelen als in deze procedure onvoldoende grond om deze procedure aan te houden in afwachting van een eindbeslissing in de beide collectieve procedures. Het afwachten van de uitkomst in hoger beroep (en eventueel cassatie) in die procedures zou naar het oordeel van de kantonrechter leiden tot een onredelijke vertraging van de behandeling van deze procedure. [4]
2.9.
In de door Volkswagen genoemde omstandigheid dat de Consumentenbond thans (ook) samenwerkt met Stichting Car Claim inzake de collectieve claim van deze stichting tegen Volkswagen c.s. kan naar het oordeel van de kantonrechter evenmin grond worden gevonden voor aanhouding van de onderhavige procedure in afwachting van de (definitieve) uitkomst van de SCC-procedure. De Consumentenbond is geen partij bij deze procedures, zodat haar positie in dezen niet ter zake doet. Overigens is ook niet gebleken dat de Consumentenbond met de samenwerking met de Stichting Car Claim haar (eerder aangegane) samenwerking met VGDES in de door laatstgenoemde aanhangig gemaakte individuele procedures heeft laten varen.
2.10.
Nu het aanhoudingsverzoek van Volkswagen wordt afgewezen, zal de kantonrechter de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door Volkswagen. Hiervoor zal - conform artikel 2.9. van het Landelijk procesreglement voor kantonzaken - aan Volkswagen in eerste instantie een termijn van vier weken worden verleend. Deze termijn kan op verzoek van Volkswagen met één termijn van vier weken worden verlengd. Het verzoek van VGDES om te bepalen dat Volkswagen slechts een termijn van vier weken zonder nader uitstel zal worden verleend voor het nemen van de conclusie van antwoord is hiermee niet in overeenstemming en wordt dan ook niet gehonoreerd.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
3.1.
wijst het aanhoudingsverzoek van Volkswagen af;
3.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
12 juli 2022voor conclusie van antwoord aan
de zijde van Volkswagen;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gegeven door mr. I.F. Clement, kantonrechter, en op 14 juni 2022 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
520 (MP)

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 30 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1541.
2.Vgl. Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
3.Vgl. Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666 en het in noot 2 genoemde arrest.
4.In gelijke zin: Rechtbank Oost-Brabant 27 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:247.