Conclusie
Lijst van gehanteerde afkortingen
Achterstellingsvonnis: het vonnis met vindplaats Rb. Amsterdam 18 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2845
OK: de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam
Beschikking I: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 11 juli 2013
Beschikking II: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 26 februari 2016
Beschikking VI: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 16 april 2019
Beschikking VIII: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 25 november 2019
Beschikking IX: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 11 februari 2021
Core Tier 1 Securities: de door Stichting Beheer en de Nederlandse Staat gehouden Core Tier 1 securities in SNS Reaal
Minister: de minister van Financiën
DNB: De Nederlandsche Bank
p-v: het proces-verbaal van het verhandelde ter mondelinge behandeling bij de OK van 24 september 2020
SNS Bank: SNS Bank N.V.
SNS Reaal: SNS Reaal N.V.
Stichting Beheer: Stichting Beheer SNS Reaal
Verificatievonnis: het vonnis met vindplaats Rb. Amsterdam 23 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7011
Verificatiearrest: het arrest met vindplaats Hof Amsterdam 19 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1174 waarin het Verificatievonnis is bekrachtigd
Wft: de Wet op het financieel toezicht
Waar deze zaak om draait
1.De feiten
2.Het procesverloop (op hoofdlijnen)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Het subonderdeel bevat een toelichting (nrs. 2.2.1-2.2.14 van de procesinleiding). De kern daarvan is dat de OK in rov. 2.45 van Beschikking VI het verschil miskent tussen de positie van aandeelhouders in een faillissement en de positie van verifieerbare schuldeisers in een faillissement. Het staat vast dat de aanspraken van Stichting Beheer uit hoofde van de Core Tier 1 Securities kwalificeren als vorderingen. Zo duidt ook de OK deze aanspraken aan, in rov. 2.43-2.45 (en in rov. 2.42 van Beschikking IX). Zij hadden dus alleen van verificatie uitgesloten kunnen worden als dat was overeengekomen. Dat heeft de OK echter niet geoordeeld. Zij heeft alleen overwogen dat de Terms and Conditions een bepaling bevatten volgens welke de vorderingen uit hoofde van de Core Tier 1 Securities een gelijke rang zouden hebben met aandelen. In het licht van genoemde toelichting en hetgeen door partijen is aangevoerd als bedoeld in subonderdeel A.3, kan daaruit niet volgen dat de vorderingen uit hoofde van de Core Tier 1 Securities niet verifieerbaar zouden zijn in een faillissement van SNS Reaal. De verlaging van de rang van een vordering raakt immers niet de verifieerbaarheid daarvan. Door aldus te redeneren en te oordelen heeft de OK het onderscheid tussen aandelen en vorderingen miskend, en is zij daarbij kennelijk uitgegaan van een verkeerde opvatting omtrent de verifieerbaarheid van vorderingen in faillissement. Als de OK heeft bedoeld dat partijen de verificatie van de vorderingen van Stichting Beheer contractueel hebben uitgesloten is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, “mede in het licht van het hierna aangevoerde” (waarna subonderdeel A.2 volgt). [4]
Het subonderdeel bevat een toelichting (nrs. 2.3.1-2.3.9 van de procesinleiding). De kern daarvan is dat Stichting Beheer bij de OK uitvoerig heeft gemotiveerd dat en waarom haar visie - dus van Stichting Beheer - over de inhoud (de mate) van de achterstelling inzake de Core Tier 1 Securities de juiste is, en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de OK van 29 november 2018 ook expliciet heeft aangegeven dat deze vraag een andere is dan die waarop de rechtbank Amsterdam heeft beslist in het Achterstellingsvonnis. Te weten “de vraag of er überhaupt een achterstelling is overeengekomen”. En dat de OK niet alleen hieraan ongemotiveerd is voorbijgegaan, maar ook is voorbijgegaan aan het feit dat de burgerlijke rechter geen oordeel heeft gegeven over de inhoud van de achterstelling en niet over de verifieerbaarheid (slechts over het bestaan van de achterstelling zelf), om vervolgens dat civiele oordeel ten grondslag te leggen aan haar oordeel over de verifieerbaarheid van de vorderingen van Stichting Beheer. Aldus heeft de OK dit bestreden oordeel in Beschikking VI over de kwalificatie van de Core Tier 1 Securities gegrond op een motivering die dat oordeel niet kan dragen, omdat de uitspraak waarop dat oordeel steunt een andere kwestie betreft. Daarmee bevat het oordeel geen begrijpelijke weerlegging van de stellingen van Stichting Beheer ter zake. [8]
omdatde rechtbank Amsterdam in het - in hoger beroep bekrachtigde - Achterstellingsvonnis oordeelt “dat de Core Tier 1 Securities moeten worden aangemerkt als achtergestelde vorderingen”. In rov. 6.47 van Beschikking I [10] komt de OK immers zelf al tot dit oordeel bij wege van bindende eindbeslissing, voor doeleinden van de onderhavige procedure. Welk oordeel in rov. 2.41-2.45 van Beschikking VI gegeven is. De te onderscheiden (vervolg)vraag die de OK daar, in die rov. 2.41-2.45 behandelt, betreft
de inhoud (de mate) vandeze achterstelling. In dát kader betrekt zij daar feitelijke vaststellingen in het Achterstellingsvonnis, waarover onder 3.8.1-3.8.3 hiervoor. Zoals nader uiteengezet bij de behandeling van subonderdeel B.1, onder 3.17-3.19 hierna, doet daaraan niet af dat de OK in rov. 6.45 van Beschikking I vooropstelt dat ook met betrekking tot de vraag
ofde Core Tier 1 Securities moeten worden aangemerkt als achtergestelde vorderingen, geldt dat het uiteindelijke oordeel aan de gewone burgerlijke rechter is. En dat zij hier echter met het oog op het vaststellen van de schadeloosstelling haar voorlopige oordeel ter zake zal geven.
Achterstelling onderhandse leningen Stichting Beheer en FNV
“net als de deskundigen, steeds (heeft) gekeken naar wat de rechtbank deed”in de Achterstellingsprocedure. Het klopt dat de OK in de Schadeloosstellingsprocedure heeft verwezen naar de Achterstellingsprocedure. De OK deed dat bijvoorbeeld in de beschikking van 16 april 2019 [Beschikking VI, A-G] in rov. 2.43, en vervolgens in rov. 2.44 waar zij verwijst naar en gebruik maakt van de beschrijving in het vonnis van de rechtbank van het totstandkomingsproces van de
Terms and Conditions. Vervolgens trekt de OK echter, op basis van dat totstandkomingsproces, een conclusie (in de hiervoor aangehaalde rov. 2.45) die los staat van wat de rechtbank heeft overwogen in de Achterstellingsprocedure. Uit dergelijke verwijzingen naar de uitspraken van rechtbank of Hof in de Achterstellingsprocedure - en uit het gebruik maken van enkele vaststellingen die de rechtbank daarin deed - valt niet af te leiden dat de OK zich gebonden acht aan het in die uitspraken vervatte oordeel van rechtbank of Hof, en analoog daaraan aan een uitspraak van de rechtbank in deze procedure. Dat de OK (mogelijk) haar eindbeschikking in de Schadeloosstellingsprocedure wat betreft de Stichting Securities zou gaan aanhouden in afwachting van de uitspraak van deze rechtbank, zoals ter zitting van de kant van Stichting Beheer is aangevoerd, is ten slotte door de Staat gemotiveerd weersproken.”
nietde conclusie dat de OK haar bestreden oordeel in Beschikking VI over de kwalificatie van de Core Tier 1 Securities (dat op de desbetreffende vorderingen van Stichting Beheer, die niet-verifieerbaar zijn, geen uitkering zou hebben plaatsgevonden in een faillissement van SNS Reaal) zou hebben gegrond op een motivering die dat oordeel niet kan dragen, zodat dit oordeel geen begrijpelijke weerlegging zou vormen van de stellingen van Stichting Beheer ter zake.
Het subonderdeel bevat een toelichting (nrs. 2.4.1-2.4.10 van de procesinleiding). De kern daarvan is dat de OK haar oordeel in rov. 2.43-2.45 dat de (achtergestelde) vorderingen van Stichting Beheer uit hoofde van de Core Tier 1 Securities niet verifieerbaar zouden zijn geweest en er daarom niet op zou zijn uitgekeerd in een faillissement van SNS Reaal, uitsluitend heeft gebaseerd op omstandigheden ontleend aan het Achterstellingsvonnis. Dit terwijl die andere procedure niet ging over de verifieerbaarheid van deze vorderingen van Stichting Beheer. Daarmee is de OK zonder kenbare motivering voorbijgegaan aan de in de toelichting bedoelde, daar als essentieel aangemerkte stellingen van Stichting Beheer. Deze stellingen zijn daar geclusterd onder
a(verificatie is overeengekomen; nrs. 2.4.3-2.4.4),
b(Core Tier 1 Securities zijn vorderingen en geen aandelen; nrs. 2.4.5-2.4.7),
c(relevant toezichtsrecht miskend; nr. 2.4.6 (welk nummer het subonderdeel dus tweemaal bevat)),
d(achterstellingsprocedure zag niet op verifieerbaarheid; nr. 2.4.7 (welk nummer het subonderdeel dus ook tweemaal bevat)), en
e(onjuiste wijze van uitleg; nr. 2.4.8). Dit mondt uit in de conclusie dat genoemd oordeel van de OK rust op een vonnis waarvan Stichting Beheer meerdere malen de relevantie heeft aangevochten, op uitlatingen van DNB die de OK heeft verzuimd uit te leggen in de context van het toepasselijke recht, en op een misvatting omtrent de verhouding tussen rang en verifieerbaarheid in een faillissement. Tegelijk heeft de OK op verschillende essentiële stellingen van Stichting Beheer niet gereageerd en die niet kenbaar in haar oordeel betrokken. Om al deze redenen, elk voor zich, maar zeker in onderlinge samenhang beschouwd, is de bestreden beslissing onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. [12]
ondera(met vindplaatsverwijzing) bedoelde stellingname van Stichting Beheer, voor zover daadwerkelijk door Stichting Beheer bij de OK betrokken. Te weten dat uit de Terms and Conditions blijkt dat de Core Tier 1 Securities in concursus wel degelijk waarde vertegenwoordigen. Waarbij Stichting Beheer een passage uit art. 3.1 van de Terms and Conditions heeft geciteerd [13] en vervolgens heeft opgemerkt: “Oftewel, in geval van faillissement worden de Stichting Securities (Junior Claims) [de Core Tier 1 Securities, A-G] opgeteld bij de Senior Claims (de overige schuldeisers) totdat die volledig zijn voldaan. Zodra dat het geval is, mogen ze voor eigen rekening meedoen. Wel degelijk waarde in faillissement dus.” Daarop respondeert de OK evenwel en gemotiveerd in rov. 2.43-2.45, daarbij uiteenzettend dat en waarom zij Stichting Beheer niet volgt in dit betoog. Deze verwerping scharniert rond de andere uitleg die de OK ter zake geeft aan de Terms and Conditions in het licht van de gang van zaken als uiteengezet in rov. 2.44-2.45. Waaraan genoemde stellingname van Stichting Beheer niet in de weg staat. Dit mede gezien de
volledigetekst van art. 3.1 van de Terms and Conditions, [14] die de OK niet uit het oog verliest en de door haar aangehouden uitleg toelaat, maar waaruit Stichting Beheer slechts selectief heeft geput:
pari passuwithout any preference among themselves. The Stichting Securities will rank
pari passuwith the Ordinary Shares and the B Shares of the Issuer (except that the Stichting Securities do not carry voting rights and do not qualify as formal share capital of the Issuer) and will be subordinated to the Senior Claims (as defined below).
pari passuwith the Ordinary Shares and the B Shares” means and has the effect that any proceeds remaining after payment of the Senior Claims (the “Excess Proceeds”) shall be applied towards payment of amounts due under the Ordinary Shares, the B Shares and the Junior Claims on a pro rata basis based on the nominal amount of the Ordinary Shares, the nominal amount of the B Shares and the Initial Nominal Amount of the Stichting Securities (the “Attributed Amount”). The Holders shall not have any rights to, and shall to the extent necessary (upon acquiring any Stichting Secunties) waive their rights to, receive payment of the Excess Proceeds which they may be entitled to receive on the basis on the statutory ranking of Junior Claims vis-à-vis the Ordinary Shares and the B Shares in excess of the Attributed Amount in respect of the Stichting Securities.”
a. Kortom, dit behoefde geen nadere toelichting van de OK.
vorderingenzijn, en geen aandelen. Zoals Stichting Beheer heeft aangevoerd, en in navolging van de deskundigen, waarop het subonderdeel wijst
onderb(met vindplaatsverwijzing). Zij verwerpt daar evenwel en gemotiveerd het betoog van Stichting Beheer dat verificatie van deze vorderingen in een faillissement van SNS Reaal niet is uitgesloten, op basis van haar uitleg - dus die van de OK - van de Terms and Conditions in het licht van de gang van zaken als uiteengezet in rov. 2.44-2.45. Zie ook onder 3.5.1, 3.8.1-3.8.4 en 3.11.2 hiervoor. Zoals daar toegelicht, gaat de OK in rov. 2.41-2.45 niet ervan uit dat enkele rangverlaging voldoende is om zo’n verificatie in faillissement uit te sluiten. Zij beschouwt in rov. 2.45 als kern van de daar bedoelde afspraak tussen SNS Reaal en Stichting Beheer dat de door laatstgenoemde gehouden Core Tier 1 Securities weliswaar vorderingen zijn (dus geen aandelen), maar ook in een faillissement van SNS Reaal geen recht geven op verhaal en daarmee van verificatie uitgesloten zijn, in zoverre gelijk de door SNS Reaal uitgegeven gewone aandelen en aandelen B (al zijn dit dus geen vorderingen). Dát is de overeengekomen en vastgelegde “gelijke rangorde” waarop de OK daar doelt, en waaraan zij vervolgens de consequenties verbindt die in rov. 2.45 te lezen zijn. Zie onder 3.5.1 hiervoor. Ook dit behoefde geen nadere toelichting van de OK. Het voorgaande wordt niet anders door de opmerkingen zijdens de OK en de deskundigen ter mondelinge behandeling van 24 september 2020, dus ruim na Beschikking VI, waarop het subonderdeel onder
bnog wijst. Dit lag niet voor ten tijde van Beschikking VI en staat daarmee overigens ook niet op gespannen voet. [15]
ondercbedoelde stellingen van Stichting Beheer vallen in de daar genoemde vindplaatsen ofwel niet te lezen, [16] ofwel slechts als volgt: [17]
onderdvoort op subonderdeel A.2, dat faalt. Zie onder 3.8-3.9 hiervoor. Naar daaruit volgt, kan hetgeen het subonderdeel hier aanvoert Stichting Beheer evenmin baten. Kort en goed: de OK onderkent in rov. 2.41-2.45 van Beschikking VI dat de procedure waarin de rechtbank Amsterdam het - in hoger beroep bekrachtigde - Achterstellingsvonnis heeft gewezen niet zag op de vraag of de Core Tier 1 Securities verifieerbaar zouden zijn in een faillissement van SNS Reaal, zoals ook aangevoerd door Stichting Beheer. En de OK maakt niet het oordeel van de rechtbank Amsterdam in het Achterstellingsvonnis tot grondslag van haar beslissing in rov. 2.41-2.45, maar betrekt daar enkel gericht de beschrijving (feitelijke vaststellingen) in rov. 4.7-4.11 van het Achterstellingsvonnis inzake het totstandkomingsproces van de Terms and Conditions van de Core Tier 1 Securities (de in rov. 2.45 bedoelde “gang van zaken”). Wat iets anders is.
onderebedoelde stellingname van Stichting Beheer, voor zover betrokken bij de OK tijdens de mondelinge behandeling van 29 november 2018, betreft het volgende: [18]
De klacht mist feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden.”
Het subonderdeel bevat een toelichting (nrs. 3.2.1-3.2.14 van de procesinleiding). De kern daarvan is dat de OK de relevantie van de civielrechtelijke kwalificatie door de civiele rechter heeft onderkend met de overweging (in rov. 5.11 en 6.45 van Beschikking I) dat haar oordelen op de punten waar het gaat om de juridische kwalificatie, die juist aan de civiele rechter is opgedragen, voorlopige oordelen zijn. Daarmee heeft zij niet(s) meer (of anders) gezegd dan dat de OK in een schadeloosstellingsprocedure als de onderhavige niet in rechte kan vaststellen of een vordering is achtergesteld of niet, en zo ja de mate van achterstelling, en ook niet of in een faillissement een vordering geverifieerd zou worden. Een dergelijke vaststelling is aan de civiele rechter, alleen deze kan daarover uitsluitsel geven. Zij heeft echter de vaststelling dat de onteigende vorderingen van Stichting Beheer uit hoofde van de Core Tier 1 Securities zijn achtergesteld wel aan de civiele rechter gelaten, maar de vaststelling of deze onteigende vorderingen verifieerbaar zouden zijn geweest in een faillissement van SNS Reaal niet, terwijl zij op de hoogte was van de door Stichting Beheer geëntameerde procedure daaromtrent bij de civiele rechter. Dit is in strijd met die, door de OK zelf bepaalde, rechtsverhouding tussen de schadeloosstelling bij de OK en de civielrechtelijke kwalificatie door de burgerlijke rechter. Aldus heeft zij die onderlinge verhouding miskend. En Stichting Beheer de mogelijkheid ontnomen de vaststelling van de schadeloosstelling te doen gronden op de civielrechtelijke kwalificatie van de Core Tier 1 Securities door de civiele rechter. Bij deze stand van zaken had de OK de onderhavige procedure moeten schorsen, althans had zij dit ten minste moeten doen voor zover het de vaststelling van de schadeloosstelling van Stichting Beheer betrof. [21]
eersteonjuiste veronderstelling is dat de OK zou hebben geoordeeld - het subonderdeel noemt specifiek rov. 5.11 en 6.45 van Beschikking I - dat haar oordelen op de punten waar het gaat om de juridische kwalificatie, die juist aan de civiele rechter is opgedragen, voorlopige oordelen zijn. Aldus dat de OK daarmee niet(s) meer (of anders) zou hebben gezegd dan dat zij in een schadeloosstellingsprocedure als de onderhavige niet in rechte kan vaststellen of een vordering is achtergesteld of niet, en zo ja de mate van achterstelling, en ook niet of in een faillissement een vordering geverifieerd zou worden. Een dergelijke vaststelling zou aan de civiele rechter zijn, alleen deze kan daarover uitsluitsel geven. Het subonderdeel gaat daarmee uit van een onjuiste lezing van Beschikking I, zodat het ter zake feitelijke grondslag mist.
De OK stelt voorop, onder meer in rov. 5.11 van Beschikking I (waarop rov. 6.45 aldaar voortbouwt), dat zij de vraag of bepaalde vorderingen zijn achtergesteld - voor zover dat relevant is voor de vaststelling van de schadeloosstelling - zelfstandig dient te beoordelen en dat zij dat oordeel uitsluitend geeft in het kader van de vaststelling van de schadeloosstelling. De OK tekent daarbij aan dat het uiteindelijke oordeel of een bepaalde vordering al of niet is achtergesteld aan de gewone burgerlijke rechter is. Hetgeen ook geldt voor de overige oordelen van de OK over civielrechtelijke verhoudingen, zoals het oordeel over de kwestie met betrekking tot de verklaring als bedoeld in art. 2:403 BW Pro. In die zin hebben deze oordelen van haar een voorlopig karakter.
Wat brengt de OK hiermee tot uitdrukking? Dat zij, voor doeleinden van de vaststelling van een schadeloosstelling in een schadeloosstellingsprocedure als de onderhavige, genoemde vraag - evenals andere relevante vragen inzake civielrechtelijke verhoudingen - zelfstandig dient te beoordelen en daarbij bindende eindbeslissingen kan geven. Wat insluit dat de OK in zo’n procedure in rechte kan vaststellen of een vordering is achtergesteld of niet, en zo ja de inhoud (de mate) van de achterstelling. En ook of in een faillissement een vordering geverifieerd zou worden. Het is dus niet zo dat dergelijke vaststellingen aan de civiele rechter toevallen, dat alleen deze daarover uitsluitsel kan geven. Met dien verstande, aldus de OK, dat de burgerlijke rechter vervolgens niet is gebonden aan dergelijke oordelen over civielrechtelijke verhoudingen die zij in zo’n procedure aan de vaststelling van de schadeloosstelling ten grondslag legt.
Dit oordeel van de OK geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij betrek ik dat voor de bepaling van de waarde van onteigende effecten en vermogensbestanddelen de Wft voorziet in een bijzondere regeling (art. 6:2 e.v. Wft), een schadeloosstellingsprocedure als de onderhavige. Die is gericht op volledige vergoeding van de schade die de rechthebbende rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn vermogensbestanddeel of effect (art. 6:8 lid 1 Wft Pro). Vergoed wordt de werkelijke waarde van het onteigende vermogensbestanddeel of effect, uitsluitend voor degene aan wie het toekomt (art. 6:8 lid 2 Wft Pro). Die werkelijke waarde wordt vastgesteld door de OK (art. 6:10 lid 1 Wft Pro). Zij stelt de schadeloosstelling zelfstandig vast, en kan zich daarbij baseren op alle in de procedure gebleken feiten en omstandigheden of op een door haar zelf bevolen deskundigenbericht. De keuze van de wetgever voor de OK is ingegeven door de expertise die deze kamer heeft in procedures waarin waarderingsaspecten een rol spelen, terwijl zij ook beschikt over waarderingsdeskundigen onder haar raden. [22] Dit een en ander strookt met de Hoge Raad-beschikking uit 2015 in de onderhavige procedure, geciteerd onder 3.16 hiervoor. Ik lees in deze beschikking geen indicatie dat de Hoge Raad ter zake een andere opvatting is toegedaan dan zoals door de OK tot uitdrukking gebracht in Beschikking I, waarover hiervoor.
Dit een en ander strookt ook met rov. 4.8 en 4.15 van het Verificatiearrest, die ik citeer en voor zich spreken:
NJ2015/361, rov. 4.24, A-G]). Bovendien heeft de Ondernemingskamer in haar brief van 19 juni 2019 bevestigd dat het door Stichting Beheer gewraakte oordeel in rov. 2.45 van de tussenbeschikking van 16 april 2019 [Beschikking VI, A-G] een bindende eindbeslissing is in het kader van de Schadeloosstellingsprocedure en heeft zij het verzoek om daarvan terug te komen afgewezen (zie onder 3.13 hiervoor).
tweedeonjuiste veronderstelling is dat de OK in het vervolg van de onderhavige procedure, dus volgend op Beschikking I, zou hebben gehandeld naar haar eigen oordelen in Beschikking I als uitgelegd door het subonderdeel. Het subonderdeel gaat daarmee uit van een onjuiste lezing van de beschikkingen van de OK in de onderhavige procedure volgend op Beschikking I, zodat het ter zake feitelijke grondslag mist.
Zoals volgt uit 3.18.2 hiervoor is deze uitleg door het subonderdeel van genoemde oordelen van de OK in Beschikking I onjuist. In aanvulling daarop verdient opmerking - het ligt ook voor de hand - dat de OK na Beschikking I dus evenmin uitvoering heeft gegeven aan haar genoemde oordelen als bedoeld in het subonderdeel, waarbij het subonderdeel verwijst naar subonderdeel A.2. Met dit laatste doelt het subonderdeel kennelijk op de vraag
ofde vorderingen van Stichting Beheer uit hoofde van de Core Tier 1 Securities moeten worden aangemerkt als achtergestelde vorderingen (los van de inhoud (de mate) van de achterstelling). Ik ben daarop reeds ingegaan bij de behandeling van subonderdeel A.2, in het kader van rov. 2.41-2.45 van Beschikking VI. Waarbij ik ook rov. 3.50 van Beschikking II heb betrokken. Zie in het bijzonder onder 3.8.4-3.8.6 hiervoor.
Het is dus evenmin zo, anders dan het subonderdeel nog suggereert, dat de OK waar het de te onderscheiden vraag van de verifieerbaarheid in faillissement van deze (achtergestelde) vorderingen van Stichting Beheer betreft in die rov. 2.41-2.45 “echter plotseling [is] gestopt met de uitvoering van de opvatting dat het oordeel over civielrechtelijke kwesties aan de civiele rechter is”. Zij heeft - verrassend noch ten onrechte - ook daar gemotiveerd haar eigen lijn getrokken bij wege van bindende eindbeslissing, voor doeleinden van de onderhavige procedure. En daarop voortgebouwd na Beschikking VI in de onderhavige procedure, eindigend met Beschikking IX. Wat allemaal geen nadere toelichting van de OK behoefde. Dit kwam al aan de orde bij de behandeling van onderdeel A. Zie onder 3.2-3.13 hiervoor. Hetgeen dus consequent is van de OK, niet een koerswijziging ten opzichte van hetgeen zij daarvoor deed in de onderhavige procedure.
Dat de OK ter zake niet een oordeel van de civiele rechter heeft afgewacht, ondanks een stellingname van Stichting Beheer bij de OK inzake de door Stichting Beheer begin 2020 - dus eerst na Beschikking VIII - geëntameerde procedure bij de gewone burgerlijke rechter die heeft geleid tot het Verificatievonnis (gevolgd door het Verificatiearrest), laat het voorgaande onverlet. Daarbij merk ik nog het volgende op.
derdeonjuiste veronderstelling is dat de OK rechtens gehouden was het oordeel van de civiele rechter in de door Stichting Beheer begin 2020 geëntameerde procedure over de verifieerbaarheid in faillissement van de (achtergestelde) vorderingen van Stichting Beheer uit hoofde van de Core Tier 1 Securities af te wachten, door de onderhavige procedure aan te houden (te schorsen). Althans ten minste voor zover het de vaststelling van de schadeloosstelling van Stichting Beheer betrof.
Vooropgesteld: ik zie voor een dergelijke gehoudenheid van de OK - in essentie blijk gevend van een categorische benadering - geen basis in de tekst of de parlementaire geschiedenis van Deel 6 van de Wft, dus de wettelijke regeling inzake een schadeloosstellingsprocedure als de onderhavige. Het subonderdeel kennelijk evenmin, want een kenbaar beroep daarop ontbreekt daarin. Verder past zo’n gehoudenheid van de OK ook niet bij wat ik overigens uiteenzette onder 3.18.2-3.18.3 hiervoor, waaronder hetgeen zij in werkelijkheid doet in Beschikking I en nadien. Waarnaar ik kortheidshalve verwijs en waaraan het subonderdeel dus voorbijziet. Daarmee - zie ook onder 3.17 hiervoor - ontvalt reeds de bodem aan de onderhavige veronderstelling. Volledigheidshalve wijs ik nog op vaste rechtspraak van de Hoge Raad omtrent het uitstellen of aanhouden van een procedure, waarmee het voorgaande strookt. Dit met de aantekening dat de OK het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling behandelt op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, blijkens art. 6:11 lid 1 Wft Pro.
Zoals een Hoge Raad-arrest uit 2019. [25] Daaruit volgt dat procespartijen er geen aanspraak op kunnen maken dat een procedure wordt uitgesteld of aangehouden tot in een andere (eventueel nog toekomstige) procedure het antwoord op een (mogelijke) rechtsvraag is gegeven, maar de rechter eventueel wel in het feit dat een andere procedure loopt waarin dezelfde rechtsvraag speelt ambtshalve of desverzocht aanleiding kan vinden om de procedure aan te houden. [26] De rechter dient dan partijen daarover te horen en tot zijn oordeel te komen aan de hand van onder meer het voorschrift dat onredelijke vertraging van de procedure dient te worden voorkomen (art. 20 lid 1 Rv Pro en art. 6 lid 1 EVRM Pro), de belangen van partijen en de eisen van de proceseconomie. [27] Dit een en ander ligt in lijn met de parlementaire geschiedenis van art. 20 lid 1 Rv Pro. Daarin staat onder meer [28] dat wanneer partijen om hen moverende redenen de procedure wensen te bevriezen, de gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen en rechter voor de duur van de procedure, zoals voortvloeiend uit art. 6 EVRM Pro, meebrengt dat de rechter met een gemotiveerd verzoek daartoe in de regel wel, maar niet onder alle omstandigheden zal mogen instemmen. Onder omstandigheden zal de rechter nader dienen te informeren naar de aard van de redenen voor de bevriezing en zal hij, als de redenen hem niet overtuigen, uiteindelijk dienen in te grijpen.
Ik noem ook een Hoge Raad-arrest uit 2016. [29] Daaruit volgt onder meer dat ingevolge art. 20 lid 1 Rv Pro de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure. Dat dit ook geldt in een kort geding, ongeacht of (nog) spoedeisend belang bestaat bij de aan de orde zijnde vorderingen. Dat dit meebrengt dat, indien partijen om uitspraak hebben verzocht en geen nadere instructie meer nodig is, de rechter in beginsel einduitspraak zal moeten doen. En dat de rechter echter in bepaalde, door hem (in het proces-verbaal van de zitting of in een tussenuitspraak) te vermelden omstandigheden aanleiding kan zien de einduitspraak aan te houden. Zo is denkbaar dat de rechter in kort geding, in verband met de regel dat hij zijn uitspraak dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure, [30] zijn uitspraak - indien de spoedeisendheid daaraan niet in de weg staat - aanhoudt op de grond dat de uitspraak in de bodemprocedure binnenkort te verwachten valt. [31] Noemenswaardig in dit verband is nog art. 392 lid 6 Rv Pro. Dat specifiek met betrekking tot de prejudiciële vragenprocedure voor de Hoge Raad een regeling geeft voor rechters bij wie een andere procedure aanhangig is en waarvoor de te beantwoorden vragen van belang kunnen zijn. Daaruit blijkt dat indien in een andere lopende procedure het antwoord op de vraag rechtstreeks van belang is om op de vordering of het verzoek te beslissen, de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve de beslissing kan aanhouden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Alvorens ter zake te beslissen, stelt deze rechter partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten. De rechter houdt de beslissing niet aan indien partijen te kennen hebben gegeven voortzetting van de procedure te verlangen. Tegen de beslissing om al dan niet aan te houden, staat geen voorziening open. In de praktijk gaan rechters niet altijd tot aanhouding over. [32] Tot slot wijs ik op een Hoge Raad-beschikking uit 2017 [33] die samenhangt met de onderhavige procedure en betrekking heeft op het door Stichting Beheer gedane verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor, gericht op het verkrijgen van informatie die van belang is voor de vaststelling van de werkelijke waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Deze beschikking wijst evenmin in andere richting. Daarin verduidelijkt de Hoge Raad dat met doel en strekking van de procedure van art. 6:11 Wft Pro [34] niet verenigbaar is dat het feitenonderzoek wordt doorkruist of op de uitkomst van de procedure wordt vooruitgelopen door middel van een voorlopig getuigenverhoor dat in wezen eveneens betrekking heeft op de vaststelling van de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen, maar dat plaatsvindt ten overstaan van een andere rechter dan de door de wet aangewezen gespecialiseerde rechter (de OK) en zonder dat andere bij de onteigening betrokken partijen in de gelegenheid zijn op het verhoor invloed uit te oefenen.
Het behoeft geen betoog dat het voorgaande niet anders wordt door de enkele stellingname van Stichting Beheer bij de OK als bedoeld onder 3.18.3, laatste alinea hiervoor.
Het subonderdeel bevat een toelichting (nrs. 3.3.1-3.3.21 van de procesinleiding). De kern daarvan is dat de OK met Beschikking IX een eindbeschikking heeft gegeven. Dit terwijl Stichting Beheer had verzocht de beslissing op (ten minste) haar schadeloosstelling aan te houden in afwachting van het oordeel van de civiele rechter omtrent de verifieerbaarheid. De OK heeft in Beschikking IX niet gerespondeerd op het verzoek van Stichting beheer ter zake. Zij had op dit verzoek ten minste inhoudelijk moeten reageren. In dat kader had ook op zijn minst een kenbare belangenafweging moeten plaatsvinden, waarbij de OK in ieder geval had moeten betrekken de in het subonderdeel genoemde omstandigheden. Deze belangenafweging had er vervolgens zonder meer toe moeten leiden dat de OK het oordeel van de burgerlijke rechter over de kwalificatie van de Core Tier 1 Securities had afgewacht alvorens de schadeloosstelling van Stichting Beheer vast te stellen. [35]
Het subonderdeel bevat een toelichting (nrs. 3.4.1-3.4.4 van de procesinleiding). De kern daarvan is dat ten tijde van Beschikking IX het voor de OK kenbaar was dat de burgerlijke rechter [39] “naar de Ondernemingskamer keek” wat betreft deze kwalificatie, die voor Stichting Beheer in de onderhavige procedure van groot belang was, en de OK “naar de burgerlijke rechter keek” wat betreft deze kwalificatie. Door niettemin Beschikking IX te geven en daarin de schadeloosstelling voor Stichting Beheer ten aanzien van haar onteigende Core Tier 1 Securities vast te stellen zoals zij doet, uitkomend op nihil, werd Stichting Beheer het kind van de rekening. Daarmee heeft de OK miskend dat in deze specifieke situatie zij, in plaats van aldus Beschikking IX te geven, haar beslissing had moeten aanhouden totdat deze burgerlijke rechter zelf een oordeel had kunnen geven wat betreft deze kwalificatie. Althans heeft zij onvoldoende (want niet) gemotiveerd waarom zo’n oordeel van deze burgerlijke rechter niet kon worden afgewacht. [40]