ECLI:NL:RBNNE:2022:4325

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2022
Publicatiedatum
21 november 2022
Zaaknummer
NL22.22096
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 8 OpvangrichtlijnArt. 4.21 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring na intrekking asielaanvraag

Eiser, van Iraakse nationaliteit, werd op 28 oktober 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op onttrekking aan toezicht en gevaar voor nationale veiligheid. Op 9 november 2022 vertrok eiser met de Internationale Organisatie voor Migratie, waarna de bewaring op 10 november werd opgeheven.

Eiser had zijn asielaanvraag mondeling op 4 november 2022 ingetrokken en stelde dat de bewaring vanaf 7 november onrechtmatig was omdat de staatssecretaris niet tijdig de grondslag had gewijzigd. De staatssecretaris voerde aan dat de formele intrekking pas vlak voor vertrek op 9 november had plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 7 november onrechtmatig was omdat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld na kennisname van de intrekking, terwijl volgens vaste jurisprudentie een termijn van 48 uur geldt om een nieuwe maatregel te treffen. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding van €300 toe voor drie dagen onrechtmatige bewaring.

Verder stelde de rechtbank vast dat de oorspronkelijke bewaring op voldoende wettelijke gronden was gebaseerd, waaronder het ontbreken van een visum, het niet naleven van terugkeerbesluiten en eerdere veroordeling voor mensensmokkel. Het beroep was voor het overige ongegrond. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld in de proceskosten van €1.518.

Uitkomst: De rechtbank kent schadevergoeding toe van €300 voor drie dagen onrechtmatige vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

RECHT RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22096

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.LA. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 10 november 2022 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser op 9 november 2022 met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is vertrokken.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich door hun gemachtigden laten vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 Vw Pro 2000 kan de rechtbank indien de bewaring als is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (b-grond), overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring, artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 (d-grond), overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.
2.2.
Verweerder heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft verweerder gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend is toe te passen.
3. Uit het arrest van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) volgt dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor bewaring ambtshalve toetst.
4. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring vanaf maandag 7 november 2022 onrechtmatig is geworden, omdat eiser op 4 november 2022 mondeling zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en verweerder daarna 48 uur de tijd had om de grondslag van de bewaring te wijzigen. Nu verweerder eiser op een andere grondslag in bewaring had moeten stellen, bestaat er vanaf maandag 7 november 2022 recht op schadevergoeding, aldus eiser.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het dossier volgt dat eiser de asielaanvraag formeel pas vlak voor zijn vertrek op 9 november 2022 heeft ingetrokken. Zolang de asielaanvraag niet daadwerkelijk is ingetrokken blijft de bewaringsgrondslag gelden.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser vanaf maandag 7 november 2022 tot aan de opheffing van de maatregel onrechtmatig op grondslag artikel 59b van de Vw 2000 in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, omdat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de wijziging van deze grondslag. De rechtbank is van oordeel dat uit de door de gemachtigde van eiser overgelegde mailwisseling tussen verschillende afdelingen van de IND (zie dossier stuk 46) volgt dat een medewerker planning IND meedeelt dat eiser heeft aangegeven terug te willen met het IOM en zijn asielaanvraag wil intrekken. Eiser is vervolgens vanaf AC Schiphol teruggeplaatst op het detentiecentrum Rotterdam. Vervolgens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder enige actie meer heeft ondernomen en heeft verweerder de bewaring onder de huidige grondslag voortgezet totdat eiser op 9 november 2022 is vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om met eiser in gesprek te gaan en hem het formulier aan te bieden om zijn asielaanvraag in te trekken. Het is de rechtbank niet gebleken dat er voor de opheffing op 10 november 2022 nog een (vertrek)gesprek met eiser is gevoerd. Nu gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:504) verweerder 48 uur de tijd heeft om een eventuele nieuwe maatregel van bewaring op een gewijzigde grondslag op te leggen, is de maatregel van bewaring onrechtmatig geworden vanaf het moment dat 48 uur is verstreken nadat verweerder ermee bekend is geworden dat eiser zijn asielaanvraag wilde intrekken. De rechtbank kent eiser daarom een schadevergoeding toe vanaf maandag 7 november 2022 tot aan de dag van zijn vertrek op 9 november 2022.
4.3.
De rechtbank acht het beroep op dit onderdeel gegrond.
5. Verder overweegt de rechtbank dat de zware en lichte gronden 3a, 3c, 3i, 4a, 4c, 4d en 4e, in samenhang bezien, reeds voldoende grond vormen om het risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Immers is niet gebleken dat eiser bij inreis in Nederland beschikte over een visum in zijn Iraakse paspoort, noch over een inreisstempel van het Schengengebied, zodat feitelijk juist is dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (3a). Verder heeft eiser op 11 februari 2022 een terugkeerbesluit en inreisverbod gekregen om onmiddellijk terug te keren naar Irak dan wel naar het Verenigd Konikrijk, maar heeft eiser hier binnen de gestelde termijn geen gevolg aan gegeven en heeft hij de bemiddeling van het IOM beëindigd (3c). Verder heeft eiser voorafgaande aan de inbewaringstelling en in het vertrekgesprek van 29 augustus 2022 verklaard geen gevolg te geven aan zijn verplichting tot terugkeer (3i). Verder is eiser niet in het bezit van een document als bedoeld in artikel 4.21 Vb 2000; door niet te beschikken over een reisdocument met een geldig visum (4a), staat eiser niet ingeschreven in de basisregistratie personen (4c), beschikt eiser enkel over € 9,- (4d) en is eiser veroordeeld ter zake van een misdrijf dat rechtsreeks gerelateerd is aan onttrekking en ontwijking van het toezicht op vreemdelingen, namelijk mensensmokkel (4e). Uit deze gronden blijkt dat in beginsel een reëel risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Door eiser zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om hem een lichter middel dan bewaring op te leggen (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 12 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1395). Ook nadien zijn de rechtbank dergelijke omstandigheden niet gebleken.
6. Tot slot overweegt de rechtbank dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling zicht op uitzetting geen voorwaarde is bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 (zie de uitspraak van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552). De bewaring op deze wettelijke grondslag is immers niet gericht op uitzetting van eiser, maar op de behandeling van de asielaanvraag terwijl sprake is van een risico op onttrekking.
7. De rechtbank acht het beroep gelet op het overige ongegrond.
8. De rechtbank acht gelet hetgeen overwogen in rechtsoverweging 4.2. gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor drie dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op 7, 8 en 9 november 2022, van 3 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 300,00.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,00 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover de dagen dat eiser zonder rechtmatige grondslag in bewaring heeft verbleven;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 300,00 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
Z.P. de Wilde, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.