Eiser, van Iraakse nationaliteit, werd op 28 oktober 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op onttrekking aan toezicht en gevaar voor nationale veiligheid. Op 9 november 2022 vertrok eiser met de Internationale Organisatie voor Migratie, waarna de bewaring op 10 november werd opgeheven.
Eiser had zijn asielaanvraag mondeling op 4 november 2022 ingetrokken en stelde dat de bewaring vanaf 7 november onrechtmatig was omdat de staatssecretaris niet tijdig de grondslag had gewijzigd. De staatssecretaris voerde aan dat de formele intrekking pas vlak voor vertrek op 9 november had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 7 november onrechtmatig was omdat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld na kennisname van de intrekking, terwijl volgens vaste jurisprudentie een termijn van 48 uur geldt om een nieuwe maatregel te treffen. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding van €300 toe voor drie dagen onrechtmatige bewaring.
Verder stelde de rechtbank vast dat de oorspronkelijke bewaring op voldoende wettelijke gronden was gebaseerd, waaronder het ontbreken van een visum, het niet naleven van terugkeerbesluiten en eerdere veroordeling voor mensensmokkel. Het beroep was voor het overige ongegrond. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld in de proceskosten van €1.518.