In deze zaak vordert een werknemer de schorsing van een concurrentiebeding uit haar arbeidsovereenkomst met Ruber Acia, omdat zij per 1 januari 2023 bij BBENG wil gaan werken. Ruber Acia stelt dat BBENG een concurrent is en dat het concurrentiebeding gehandhaafd moet blijven vanwege de unieke kennis en klantenbinding van de werknemer.
De kantonrechter overweegt dat hoewel Ruber Acia en BBENG niet exact dezelfde activiteiten ontplooien, er wel sprake is van concurrentie op bepaalde onderdelen. Het concurrentiebeding is dus van toepassing. Vervolgens wordt beoordeeld of het concurrentiebeding geschorst kan worden op grond van onbillijke benadeling van de werknemer.
De kantonrechter stelt dat het concurrentiebeding bedoeld is om het bedrijfsdebiet te beschermen tegen aantasting door het gebruik van essentiële en unieke bedrijfsinformatie. Ruber Acia heeft echter onvoldoende onderbouwd dat de werknemer over dergelijke unieke kennis beschikt die haar bedrijfsdebiet schaadt. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klanten zullen overstappen naar BBENG.
Daarentegen heeft de werknemer een zwaarwegend belang bij het vervullen van haar nieuwe functie bij BBENG, waaronder haar arbeidsvrijheid en persoonlijke ontwikkeling. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de werknemer door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld en dat het beding daarom geschorst wordt. Ruber Acia wordt veroordeeld in de proceskosten.