Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1.3 Partijen zijn met elkaar de volgende zorg/contactregeling overeengekomen:
Week-/weekendregeling:
Zomervakantie:
Kerstvakantie:
Overige vakanties:
In uw e-mail van 6 juli 2021 is door u aangegeven dat de kinderen van uw cliënt in beide weken donderdag omstreeks 17:15 komen. De kinderen vertrekken in de eerste week op zaterdagochtend omstreeks 10:15. In de daarop volgende week vertrekken de kinderen op zondagavond omstreeks 19:15.
Mijn cliënt, [eiser] , is van mening dat er in 2019 sprake is geweest van een situatie waarbij zijn jongste kind in een herhalend ritme minimaal 156 dagen bij hem is verbleven.
dat in geval van co-ouderschap waarbij beide ouders niet samenwonen maar de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen toch door beide ouders de combinatiekorting kan worden genoten.” [2] Uit deze passage kan worden afgeleid dat de wetgever beoogde dat de iack kan worden genoten door beide ouders als zij de zorg voor een kind gelijkelijk verdelen. [3] Artikel 44b van de Uitvoeringsregeling moet dan ook worden bezien tegen de achtergrond van bovenstaande wetsgeschiedenis.
4.5. De voorwaarde dat in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot het huishouden van een belastingplichtige een kind behoort dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt, was ook reeds opgenomen in de voorganger van de iack, de combinatiekorting, zoals deze tot 1 januari 2009 was opgenomen in artikel 8.14 van de Wet IB 2001, en daarvoor in artikel 56 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met betrekking tot de alleenstaande-ouder-toeslag. Bij de invoering van die voorwaarde in de alleenstaande-ouder-toeslag per 1 januari 1984 is in de wetsgeschiedenis onder meer opgemerkt: