ECLI:NL:RBNNE:2023:2508
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en afwijzing immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn bovenwoning per 1 januari 2020, stellende dat deze te hoog was vastgesteld op €142.000 in plaats van €124.000. Verweerder onderbouwde de waarde met een waardematrix en hield rekening met de aanwezigheid van asbest.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De correctie voor asbest was voldoende en passend toegepast, en de gebruikte referentiewoningen waren vergelijkbaar en adequaat gekozen. De rechtbank verwierp de stelling van eiser dat de referentiewoningen niet geschikt waren.
Eiser verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep werd overschreden, oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van immateriële schade. De financiële belangen waren gering en de overschrijding relatief beperkt. Het verzoek om vergoeding werd daarom afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde op €142.000 en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.