Uitspraak
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 20 juni 2023 de beroepen van eiser tegen besluiten van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over studiefinanciering. Eiser maakte bezwaar tegen meerdere besluiten, waaronder het besluit van 12 oktober 2021 dat de aanvullende beurs voor 2022 toekende in de vorm van een prestatiebeurs.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit van 22 december 2021 niet deugdelijk was gemotiveerd omdat de minister niet inging op de bezwaargronden over artikel 2.13 van de Wet studiefinanciering 2000. Dit leidde tot vernietiging van dat deel van het besluit. Desalniettemin bleef de toekenning van de aanvullende beurs in januari 2022 als prestatiebeurs rechtsgeldig, omdat de rechtbank de uitleg van de minister over de toepasselijkheid van de wet volgde.
Andere bezwaren, onder meer tegen een besluit van 24 augustus 2021, een schrijven van 27 oktober 2021 en een schermafbeelding van Mijn DUO, werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding of het ontbreken van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens oordeelde de rechtbank dat de minister terecht geen dwangsom verschuldigd was wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank wees het beroep in zaak 22/1706 af en bepaalde dat de minister het griffierecht aan eiser moet vergoeden voor het gegrond verklaarde beroep in zaak 22/687. De uitspraak bevestigt de zorgvuldige toepassing van de wet studiefinanciering en de grenzen van bezwaar- en beroepsprocedures.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2021 is gegrond verklaard en vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; overige beroepen zijn ongegrond verklaard.