ECLI:NL:CRVB:2022:2357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling terugbetalingsverplichting studiefinanciering
Appellant had studiefinanciering aangevraagd voor een BOL-opleiding en later een BBL-opleiding gevolgd. De minister stelde vast dat appellant geen recht had op een reisvoorziening over bepaalde periodes en legde een vordering op. Deze vordering werd later kwijtgescholden. Vervolgens werd appellant geïnformeerd over de aanvang van de terugbetalingsperiode van zijn studieschuld.
Appellant maakte bezwaar tegen een brief waarin hij werd geïnformeerd over de terugbetalingsverplichting, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit met rechtsgevolg bevatte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant al eerder op de hoogte was gesteld van de schuld en de terugbetalingsverplichting.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer dat hij niet wist dat het reisrecht een lening betrof en dat de hoogte van de schuld niet in een besluit was vermeld. De Raad oordeelde dat deze gronden niet tot een ander oordeel leiden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.