Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing van een studiefinancieringsaanvraag en stelde dat de minister onrechtmatig de beslissing op het bezwaar had verdaagd, waardoor een dwangsom verschuldigd zou zijn. De minister had de beslissing op bezwaar met zes weken verdaagd en de dwangsom afgewezen omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend.
De rechtbank beoordeelde of de verdagingsbeslissing bevoegd was genomen en concludeerde dat de manager bezwaar en beroep van DUO bevoegd was om namens de minister te beslissen, ook al was dit niet expliciet vermeld. De rechtbank vond dat de verdagingsbeslissing rechtsgeldig was en dat eiser daarover geen redelijke twijfel kon hebben.
Verder stelde eiser dat het structureel verdagen in zaken van EU-studenten in strijd was met het fair play-beginsel en het Unierecht. De rechtbank verwierp deze stellingen, omdat de minister aannemelijk had gemaakt dat verdagingen noodzakelijk waren voor een zorgvuldige behandeling en er geen sprake was van discriminatie of belemmering van het vrije verkeer van werknemers.
De rechtbank concludeerde dat de minister op goede gronden geen dwangsom verschuldigd was en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.