Uitspraak
OVERWEGINGEN
31 mei 2016 ten onrechte slechts ten dele op het bezwaar van appellant is beslist. Hieraan verbindt de rechtbank geen gevolgen, omdat de besluitvorming in bezwaar is voltooid door het latere besluit van 6 juli 2016. De korpschef komt met het besluit van 31 mei 2016 (geheel) tegemoet aan het bezwaar en de korpschef had zijn bezwaar daarom bij het besluit van
6 juli 2016 gegrond moeten verklaren. Wat de verdaging van de beslistermijn betreft is de rechtbank van oordeel dat de brief van 4 januari 2016 hierover op een zelfstandig rechtsgevolg is gericht. Dat deze brief niet door het bevoegde gezag is ondertekend, doet niet af aan het besluitkarakter hiervan. De korpschef heeft op voor appellant kenbare wijze duidelijk gemaakt dat de beslissing op bezwaar uiterlijk achttien weken na de sluiting van de bezwaartermijn aan hem bekend zal worden gemaakt. De door appellant op 14 april 2016 ingezonden ingebrekestelling was daarom prematuur, en hetzelfde geldt voor het op
4 mei 2016 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Dit beroep dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard. De proceskosten heeft de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 496,-.
10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:329).