Eiser, met dubbele nationaliteit en woonachtig in Nederland sinds 2014, was in 2017 werkzaam in Koeweit en andere landen. De inspecteur legde een navorderingsaanslag IB/PVV 2017 op met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van €40.000. Eiser betwistte deze aanslag en stelde dat hij geen binnenlandse belastingplichtige was en dat de aftrek onjuist was berekend.
De rechtbank oordeelde dat eiser vanwege zijn duurzame persoonlijke band met Nederland als binnenlands belastingplichtige moet worden aangemerkt. Vervolgens werd de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting beoordeeld aan de hand van het belastingverdrag met Koeweit en de rechtspraak van de Hoge Raad. De rechtbank stelde vast dat de aftrek berekend moet worden met een dagenbreuk, waarbij de teller het aantal daadwerkelijk in Koeweit gewerkte dagen is (107 dagen) en de noemer het aantal contractuele werkdagen (259 dagen).
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur een te laag bedrag aan aftrek had gehanteerd en stelde de aftrek vast op €49.576. Voor de werkzaamheden in andere landen werd geen aftrek toegekend omdat die landen geen heffingsrecht hebben of het verdrag nog niet in werking is getreden. De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, maar wees een integrale proceskostenvergoeding af.
De uitspraak vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar, vermindert de navorderingsaanslag en belastingrente, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden uitspraak.