Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.638.034 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 33.522, rekening houdend met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting volgens de vrijstellingsmethode ten bedrage van € 76.393;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden”
2.Feiten
Artikel 1
Artikel 7
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
ontvankelijkheid bezwaar
5.Beoordeling van het geschil
Uit rechtsoverweging 3.3.5 van dit arrest blijkt volgens de inspecteur dat weekenddagen alleen dan in mindering komen in de noemer van de toe te passen toerekeningsbreuk indien op de desbetreffende weekenddagen niet behoeft te worden gewerkt; dit blijkt uit de woorden “waarop niet behoefde te worden gewerkt” in de slotzin van deze overweging, welke woorden betrekking hebben op alle drie ervoor vermelde categorieën dagen (weekenddagen, vakantiedagen en feestdagen). Het arrest BNB 2006/52 heeft volgens de inspecteur betrekking op een werknemer met een standaard werkweek van vijf werkdagen van acht uur en twee vrije weekenddagen. Indien echter op een weekenddag wél moet worden gewerkt, vermindert de desbetreffende dag de noemer niet. Ten onrechte heeft de rechtbank uit het arrest BNB 2016/52 afgeleid dat omwille van de hanteerbaarheid alle weekenddagen moeten worden geëlimineerd in de noemer van de voorkomingsbreuk, ongeacht de vraag of op die dagen moet worden gewerkt. Daarmee is de rechtbank volgens de inspecteur voorbij gegaan aan de tekst en de strekking van de toepasselijke bepalingen van het belastingverdrag met Spanje en het BvdB, waaruit volgt dat aftrek elders belast moet worden verleend voor het tijdsevenredig berekende deel van het salaris dat toerekenbaar is aan de in de werkstaat verrichte werkzaamheden; de hoogte van deze aftrek is afhankelijk van het totale aantal werkdagen in het kalenderjaar en het aantal dagen dat daadwerkelijk in de werkstaat is gewerkt. Het aantal werkdagen in een kalenderjaar is niet voor iedere proefvoetballer of iedere andere willekeurige werknemer hetzelfde, zo stelt de inspecteur.
Die 40 uur per week wordt in de praktijk verdeeld over zeven dagen, waarbij het – behoudens uitzonderingsgevallen – niet voorkomt dat een profvoetballer acht uur op een dag werkt. Meestal is sprake van één vrije dag per week, maar op de dag na een wedstrijd is bijvoorbeeld veelal alleen sprake van een uitlooptraining en heeft de speler de rest van de dag vrij. Bij het berekenen van de toe te passen toerekeningsbreuk zou aangesloten moeten worden bij de praktijksituatie voor deze specifieke beroepsgroep; profvoetballers hoeven hun vrije uren niet per se in het weekend op te nemen, maar hebben in de praktijk wel – verdeeld over verschillende dagen – per week gemiddeld 16 vrije uren. Indien in uren wordt gedacht, komt de verplichting ingevolge de arbeidsovereenkomst om gemiddeld 40 uur per week te werken neer op twee vrije dagen per week. De rechtbank heeft daarom in de noemer van de toerekeningsbreuk terecht 104 weekenddagen in mindering gebracht, zo stelt belanghebbende.
6.Kosten
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend voor zover het de beslissing betreft op het beroep inzake het verzoek om ambtshalve vermindering; en
- verklaart het beroep inzake het verzoek om ambtshalve vermindering ongegrond.