Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland aan een derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van een loods aan een adres in Oudega. De aanvraag omgevingsvergunning was ingediend op 17 september 2021 en verleend op 18 oktober 2021. Het college heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 behandeld en beoordeeld of de aanvraag voldeed aan de indieningsvereisten uit de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor), of de gerealiseerde kleuren van de loods overeenstemmen met de welstandsnota en de tekeningen bij de aanvraag, en of het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat aan de indieningsvereisten is voldaan, dat de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde kleuren buiten de reikwijdte van dit geding valt en dat het college geen beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
De rechtbank stelt vast dat geen weigeringsgrond uit artikel 2.10, eerste lid, onder d van de Wabo zich voordoet en dat het college daarom verplicht was de vergunning te verlenen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.