Eiseres, eigenaresse van coffeeshop De Driemaster in Groningen, maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar coffeeshop voor vier maanden te sluiten vanwege het aantreffen van een handelsvoorraad softdrugs die de toegestane 500 gram ruimschoots overschreed.
De burgemeester baseerde zijn besluit op bestuurlijke rapportages waarin werd vastgesteld dat meer dan 11 kilogram wiet en bijna 7 kilogram hasj inclusief verpakkingsmateriaal waren aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat dit gewicht voldoende bewijs vormt dat de hoeveelheid softdrugs bestemd was voor verkoop, en dat het bestuursrechtelijk optreden losstaat van het strafrechtelijk sepot door het Openbaar Ministerie.
Eiseres voerde aan dat de maximale handelsvoorraad niet duidelijk was en dat de burgemeester niet zorgvuldig had onderzocht, maar de rechtbank stelde vast dat de gedoogbeschikking en het lokale beleid een maximum van 500 gram voorschrijven. Ook het betoog dat de sluiting onevenredig was vanwege het ontbreken van overlast en de financiële gevolgen werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat de sluiting noodzakelijk en evenwichtig was gezien de ernst van de overtreding en het veiligheidsrisico.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de sluiting van vier maanden gehandhaafd blijft en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.