Eiseres werd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtredingen van de Arbeidstijdenwet, specifiek het verbod op kinderarbeid. Het ging om het inschenken en serveren van alcohol door een vijftienjarige en het laten werken van een vijftienjarige tussen 19:00 en 7:00 uur tijdens een schoolweek.
De minister matigde de boetes met 12,5% vanwege de door eiseres getroffen maatregelen om herhaling te voorkomen. Eiseres stelde dat de boetes niet evenredig waren en dat een waarschuwing op zijn plaats zou zijn, maar erkende de overtredingen niet te betwisten.
De rechtbank oordeelde dat de boetes terecht en proportioneel zijn opgelegd, dat de beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet niet onredelijk is en dat de minister de boetes correct heeft gematigd. De rechtbank wees het beroep af en liet de boetes in stand, waarbij eiseres geen proceskostenvergoeding kreeg.