Eisers maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee windturbines op een perceel nabij hun woningen. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eisers volgens het college geen belanghebbenden waren, mede vanwege de afstand tot de turbines die te groot zou zijn om gevolgen van enige betekenis te ondervinden.
De rechtbank overwoog dat belanghebbenden alleen degenen zijn die rechtstreeks gevolgen van enige betekenis ondervinden van het besluit. Hoewel eigenaren van aangrenzende percelen in principe belanghebbenden zijn, was in dit geval de afstand van eiser sub 1 tot de turbines te groot en het zicht beperkt, waardoor geen sprake was van een persoonlijk belang. Eisers sub 2 en 3 wonen nog verder weg dan de afstand van tien keer de tiphoogte van de turbines, waarbinnen gevolgen van enige betekenis worden verondersteld.
Eisers voerden aan dat zij belanghebbenden zijn omdat de gemeente zich aan haar eigen regels moet houden, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen gevolgen van enige betekenis oplevert. Het beroep van eisers werd daarom ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning bleef in stand.