Uitspraak
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf, kantoor Groningen, de inspecteur
Inleiding
Feiten
Begin dit jaar heeft [dga van eiseres] zich bij ons gevoegd om haar en haar ondernemingen bij te staan op het vlak van accountancytechnische en fiscale zaken. (…)
Hierbij stuur ik u een korte samenvatting van ons gesprek van vanochtend inzake de aangifte van [eiseres] 2018
De stand van de HIR per 31-12-2018 is als volgt:
- De afschrijvingstermijn van goodwill is maximaal 10 jaar. De HIR die voor verkochte goodwill gevormd kan worden wordt dus als langdurig afschrijfbare HIR worden aangemerkt en valt onder de regels van artikel 3.54 lid 3 en 4 Wet inkomsten belasting 2001
- Het aangegeven belastbare bedrag uit de herziene aangifte 2018 is juist en zal door mij worden gevolgd
- U gaf aan de standen van de HIR ultimo 2018 in de jaarstukken /aangifte 2019 te verwerken en ook de gewijzigde wijze waarop de hir toegepast kan worden zult verwerken. U gaf aan deze stukken aan mij toe te zenden zodra ze klaar zijn.”
(…) ben ik voornemens om niet tegemoet te komen aan uw verzoek om de in 2018 gevormde herinvesteringsreserve in zijn geheel af te boeken op de tevens in 2018 gedane investering (aankoop onroerende zaak in Frankrijk).”
De vennootschap is betrokken in een procedure met de Belastingdienst (- Bezwaarschrift Afboeking van de HIR in het kader van de Wet Werken aan Winst, [dochtermaatschappij] / [eiseres] d.d. 8 november 2022; - Reactie op bezwaarschift d.d. 27 juni 2023 / [RSIN] / [nummer] .1.0 en [RSIN] / [nummer] .1.1 en - LEE 23/01910) inzake het afboeken van een herinvesteringsreserve (HIR) op de aankoop van het vastgoed door de vennootschap, waarbij de HIR gevormd is door de goodwillopbrengst bij vervreemding van de tandartspraktijk. In deze aangifte is de HIR verwerkt conform het standpunt van de vennootschap.”
De vennootschap is betrokken in een procedure met de Belastingdienst (- Bezwaarschrift Afboeking van de HIR in het kader van de Wet Werken aan Winst, [dochtermaatschappij] / [eiseres] d.d. 8 november 2022; - Reactie op bezwaarschift d.d. 27 juni 2023 / [RSIN] / [nummer] .1.0 en [RSIN] / [nummer] .1.1 en - LEE 23/01910) inzake het afboeken van een herinvesteringsreserve (HIR) op de aankoop van het vastgoed door de vennootschap, waarbij de HIR gevormd is door de goodwillopbrengst bij vervreemding van de tandartspraktijk. In deze aangifte is de HIR verwerkt conform het standpunt van de vennootschap.”
Betreft: definitieve aanslagen vennootschapsbelasting 2019 en 2020
Bij deze maak ik bezwaar tegen:
Betreft: Eenzijdige verlenging beslistermijn
Eenzijdige verlenging beslistermijn tijdig bezwaar
Uw e-mail van 18 mei 2024 is in goede orde ontvangen. Per post heb ik uw brief, gedagtekend 18 mei 2024, nog steeds niet ontvangen.
Op 28 mei 2024 heb ik uw brief van 18 mei 2024 ontvangen. Hierin stelt u de Belastingdienst in gebreke wegens het niet tijdig beslissen inzake de bezwaarschriften tegen de brief van 2 februari 2024, de aanslag vennootschapsbelasting 2019 met aanslagnummer [RSIN] .V.96.0112 en de aanslag vennootschapsbelasting 2020 met aanslagnummer [RSIN] .V.06.0112. U vraagt om toepassing van de dwangsomregeling. U heeft geen recht op een dwangsom. Hieronder leest u waarom.
Beslissing
U hebt geen recht op een dwangsom.”
Ik verzoek u derhalve primaire te vonnissen dat:
De Belastingdienst wordt veroordeeld tot een schadevergoeding ter grootte van 1. de verschuldigde dwangsom, vermeerderd met 2. de proceskosten en 3. door mij gemaakte additionele advieskosten, begroot op € 5.000,=.
Toekenning van schadeherstel ter hoogte van een door een onafhankelijke expert vast te stellen bedrag, voor negatieve effecten op de bedrijfsvoering en ondernemingszin ten gevolgen van de tijdsbelasting, stress veroorzakend handelen door de Belastingdienst, met stelselmatige ondeugdelijke argumentatie, onjuiste weergave van feiten en omstandigheden en daarnaast belemmering van investeringsmogelijkheden.
Wanneer sprake is van onrechtmatig handelen5 dan is een vordering tot betaling van de werkelijk gemaakte proceskosten volgens De Hoge Raad toewijsbaar. Er is volgens de Hoge Raad geen goede grond om de nadelige gevolgen van onjuist gebleken wetsinterpretatie door de belastinginspecteur, voor rekening te laten van een individuele belastingplichtige. Op basis van het gepubliceerde arrest NCB vs. Belastingdienst, acht ik vergoeding van intern gemaakte uren eveneens van toepassing. Ook interne kosten behoren volgens het Hof tot de nadelige gevolgen van een onrechtmatige daad en komen voor vergoeding in aanmerking.
Vooraf
Beoordeling door de rechtbank
- i) of de inspecteur het bezwaar van eiseres tegen de brief van 2 februari 2024 terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard;
- ii) of de inspecteur mocht afzien van het horen van eiseres ten aanzien van het bezwaar tegen de brief van 2 februari 2024;
- iii) of de aanslag en de verliesvaststelling Vpb 2019 op de juiste bedragen zijn vastgesteld;
- iv) of de aanslag en de verliesvaststelling Vbp 2020 op de juiste bedragen zijn vastgesteld;
- v) of eiseres recht heeft op dwangsommen;
- vi) of eiseres recht heeft op een schadevergoeding.
- i) de inspecteur het bezwaar van eiseres tegen de brief van 2 februari 2024 terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard;
- ii) de inspecteur eiseres niet hoefde te horen ten aanzien van het bezwaar tegen de brief van 2 februari 2024;
- iii) de aanslag en verliesvaststelling Vpb 2019 op de juiste bedragen zijn vastgesteld;
- iv) de aanslag en verliesvaststelling Vpb 2020 op de juiste bedragen zijn vastgesteld;
- v) eiseres geen recht heeft op dwangsommen;
- vi) eiseres geen recht heeft op een schadevergoeding.