Verzoeker, exploitant van een melkveebedrijf, maakte bezwaar tegen de waardering van overlooppercelen en de vergoeding voor kwalitatieve verplichtingen (KV) in de herverkaveling Franekeradeel-Harlingen. Hij stelde dat de percelen onjuist waren ingedeeld in ruilklassen en dat hij aanspraak maakte op inkomensschade en aanvullende vergoedingen.
De rechtbank oordeelde dat het oude recht van de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) van toepassing is, omdat het ontwerpbesluit-LGR vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage lag. De waardering van de percelen en de indeling in ruilklassen zijn volgens de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke systematiek en jurisprudentie van de Hoge Raad.
De rechtbank verwierp het standpunt van verzoeker dat marktwaarde in plaats van ruilwaarde moet worden gehanteerd en dat een aparte gebruiksbestemming voor grasland moet worden vastgesteld. Ook de verzilting en andere bezwaren werden niet als grond voor aanpassing van de LGR erkend. De vergoeding voor de KV was al eerder aan verzoeker aangeboden, maar niet aanvaard.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en bepaalde dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.