Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
zetelende te Zwolle,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 maart 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van [de Eigenaar] tegen de vaststelling van de Lijst der Geldelijke Regelingen (LGR) in het kader van een herverkaveling volgens de Wet inrichting Landelijk gebied (Wilg). [de Eigenaar] betoogde dat de ontsluitingssituatie van zijn percelen onvoldoende was meegenomen bij de waardering in de LGR, wat volgens hem leidde tot een te hoge ruilwaarde en een te lage compensatie.
De rechtbank had het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, met name oordeelde zij dat de zuidelijke ontsluiting niet voldeed en dat het toegekende afkoopbedrag te laag was. De rechtbank stelde echter ook vast dat de ontsluitingssituatie geen rol speelt bij de bepaling van de gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming van de gronden, die bepalend zijn voor de ruilwaarde.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de indeling in bodemgeschiktheidsklassen en de gebruiksbestemming bepalend zijn voor de ruilwaarde, waarbij de ontsluitingssituatie weliswaar een rol speelt bij de waardering van verandering van de waarde van de onroerende zaken, maar niet bij de vaststelling van de gelijke hoedanigheid in het ruilplan. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt [de Eigenaar] in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van [de Eigenaar] wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.