Aan betrokkene werd een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het niet volgen van de voorsorteerstrook op een kruispunt. Betrokkene stelde dat de boete ten onrechte op kenteken was opgelegd omdat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De officier van justitie voerde aan dat de verbalisant geen stoptransparant had en dat er omstandigheden waren die staandehouding onmogelijk maakten.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende was om aan te nemen dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Het aanvullend proces-verbaal en het feit dat betrokkene dezelfde kant op reed als de verbalisant, maakten het niet duidelijk dat staandehouding onmogelijk was. Ook was het verzoek om een aanvullend proces-verbaal niet beantwoord, wat de onvoldoende onderbouwing bevestigde.
Daarnaast werd vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden door betrokkene niet eerst te horen en dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien meer dan twee jaar was verstreken sinds het moment waarop betrokkene een boete kon verwachten. Deze schendingen bleven zonder gevolgen omdat de boete toch werd vernietigd.
De kantonrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de boete, en veroordeelde de officier van justitie tot een proceskostenvergoeding van €777. De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd over de wijze van uitbetaling van de zekerheidstelling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.