Deze zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om een lichte educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid (LEMG) op te leggen. Dit besluit volgde op een schriftelijke mededeling van de politie over een ernstige snelheidsovertreding op 18 juni 2025, waarbij eiser buiten de bebouwde kom de maximumsnelheid met 58 km/u overschreed.
Eiser betwistte niet de snelheidsovertreding, maar voerde aan dat een eenmalige overtreding niet automatisch wijst op onvoldoende rijvaardigheid. Hij benadrukte dat hij het verkeer niet in gevaar bracht en dat de cursus hem tijd en geld kost. Het CBR stelde dat de wet- en regelgeving geen ruimte laat voor een belangenafweging en dat de LEMG verplicht is bij een dergelijke overtreding.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid terecht is gebaseerd op de overtreding, dat de LEMG dwingendrechtelijk is voorgeschreven en dat het opleggen van zowel een strafbeschikking als een LEMG niet onredelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser moet de cursus volgen en draagt de proceskosten.