ECLI:NL:RBNNE:2025:4699

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 september 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
LEE 25/356 en 25/967
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 WooArt. 3:13 BWArt. 3:15 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten buitenbehandelingstelling Woo-verzoeken wegens ontbreken misbruik van recht

Eiser diende zes verzoeken in op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland. Het college stelde deze verzoeken buiten behandeling op grond van artikel 4.6 van de Woo wegens vermeend misbruik van recht. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van misbruik van recht en dat de hoge drempel voor het aannemen daarvan niet is gehaald.

De rechtbank overweegt dat het aantal verzoeken relatief beperkt is en dat het gedragspatroon van eiser onvoldoende overtuigend is aangetoond als misbruik. Ook eerdere procedures en een strafrechtelijk verleden van eiser zijn niet relevant voor de beoordeling van misbruik in deze Woo-verzoeken. Het college heeft onvoldoende zwaarwichtige gronden aangevoerd om de bezwaren niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond te verklaren.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten van 7 en 28 januari 2025 en herroept de primaire besluiten van juni en november 2024. Zij voorziet zelf in de zaak en draagt het college op binnen 12 weken een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen. Tevens moet het college het griffierecht en reiskosten aan eiser vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot buitenbehandelingstelling van zes Woo-verzoeken wegens ontbreken van misbruik van recht en draagt het college op binnen 12 weken een nieuwe beslissing te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/356 en LEE 25/967

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2025 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland, het college
(gemachtigde: mr. L.M. Blankenstijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluiten op de bezwaren van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zes verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo), gedaan door eiser. Het college heeft de bezwaren niet-ontvankelijk en (kennelijk) ongegrond verklaard omdat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bezwaren onterecht niet-ontvankelijk en (kennelijk) ongegrond zijn verklaard, omdat misbruik van recht niet is komen vast te staan. De beroepen van eiser zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

LEE 23/356
2. Eiser heeft op 5 mei 2024 verzocht om openbaarmaking van alle stukken die zien op de aangelegenheid van een door eiser bij het college ingediend verzoek in het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op 14 november 2023. Specifiek heeft eiser verzocht om openbaarmaking van: “alle processtukken, het verzoek, nadere stukken, het besluit, de (interne) communicatie omtrent dit verzoek en eventueel nadere stukken in de periode 01-01-2023 t/m 05-05-2024”.
2.1.
Met het primaire besluit van 17 juni 2024 heeft het college toepassing gegeven aan artikel 4.6 van de Woo en het Woo-verzoek van eiser buiten behandeling gelaten.
2.2.
Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft het college in overeenstemming met het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften gemeente Ameland (de adviescommissie) het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat er zwaarwichtige gronden aanwezig zijn die blijk geven van misbruik van recht.
LEE 25/967
3. Eiser heeft in de periode 21 augustus 2023 tot en met 4 november 2023 een vijftal Woo-verzoeken gedaan:
  • Eiser heeft op 21 augustus 2023 verzocht om de openbaarmaking en inzage van “alle stukken die zien op de aanschaf van lantaarnpalen in de gemeente Ameland in de periode 01-01-2020 t/m 21-08-2023”.
  • Eiser heeft op 8 oktober 2023 verzocht om de openbaarmaking van “alle stukken die zien op de realisatie van een nieuw park op het voormalige Ambousen te Hollum. Denk aan de totstandkoming van besluiten, het al dan niet afgeven van vergunningen, (interne) communicatie etc. in de periode 01-01-2025 t/m 01-01-2021”.
  • Eiser heeft op 8 oktober 2023 verzocht om openbaarmaking van “alle stukken die zien op de totstandkoming van besluiten aangaande het al dan niet afgeven van vergunningen voor kansspelen. Denk aan het ontvangen van zienswijzen, (voornemens tot) besluiten, beheerdersvergunningen, KSA communicatie, (interne) communicatie hieromtrent etc. Dit in de periode 01-01-2017 t/m 07-10-2023”.
  • Eiser heeft op 8 oktober 2023 verzocht om openbaarmaking van “alle stukken die zien op het sluiten van woningen en/of percelen wegens illegale prostitutie. Denk aan bestuurlijke rapportages, voornemers, ontvangen zienswijzen, besluiten en eventueel gevoerde beroepen en/of voorlopige voorzieningen. Daarnaast om alle stukken die zien op het beleid van de gemeente ten aanzien van prostitutie”.
  • Eiser heeft op 4 november 2023 verzocht om openbaarmaking van “alle stukken die zien op de afhandeling van verzoeken van eiser, daaronder inbegrepen (interne) communicatie, bijvoorbeeld e-mail, Whatsapp, Signal, internet, ontvangen/verzonden stukken, stuken van/aan de vereniging van Nederlandse gemeenten, contact met andere gemeenten etc”.
3.1.
Met de primaire besluiten van 16 en 27 november 2023 heeft het college deze vijf Woo-verzoeken van eiser, met toepassing van artikel 4.6 van de Woo, niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.2.
Eiser is daartegen in beroep gegaan. De zaak is onder zaaknummer LEE 24/1130 behandeld op de zitting van 8 augustus 2024.
3.3.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 november 2024 het bestreden besluit van 27 februari 2024 vernietigd vanwege een motiveringsgebrek en geoordeeld dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiser.
3.4.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college op 28 januari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het college heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard met een aanvullende motivering.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten van 7 en 28 januari 2025. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
4.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 6 augustus 2025 samen op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van eiser
5. Eiser stelt dat het college zijn Woo-verzoeken ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld door de antimisbruikbepaling toe te passen die is neergelegd in artikel 4.6 van de Woo. Daarnaast heeft het college niet onverwijld besloten de Woo-verzoeken buiten behandeling te stellen. Eiser betoogt in de kern dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij zich in deze procedure schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht. De bestreden besluiten zijn onvoldoende onderbouwd. De motivering van het college bestaat voornamelijk uit verwijzingen naar procedures uit het verleden waarbij eiser betrokken was. Deze eerdere procedures zeggen echter niets over het procedeergedrag van eiser in deze procedures en mochten daarom niet bij de beoordeling worden betrokken. Dat hij verzoekt om dwangsommen, wijst op de doorzendplicht en ingebrekestellingen stuurt, betekent niet dat hij de Woo-verzoeken indient vanwege een “kennelijk ander doel”. Verder is door de rechtbank in LEE 24/1130 al geoordeeld dat vijf Woo-verzoeken een relatief klein aantal betreft. Dat geldt volgens eiser ook voor zes verzoeken in anderhalf jaar tijd. Eiser wijst op een aantal uitspraken waarbij vergelijkbare bestreden besluiten in beroep zijn vernietigd.
Het toetsingskader
6. De besluiten vinden grondslag in artikel 4.6 van de Woo. Dat is de zogenoemde antimisbruikbepaling. Deze bepaling luidt als volgt:
‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’
Is het besluit tot toepassing van artikel 4.6 van de Woo te laat genomen?
7. Het staat vast dat het college niet binnen twee weken na ontvangst van de verzoeken de besluiten heeft genomen om de verzoeken op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling te stellen. Daarmee verviel echter niet de mogelijkheid om dit artikel toe te passen. Die mogelijkheid vervalt pas als een beslissing niet wordt genomen onverwijld nadat is gebleken dat sprake is van een oneigenlijk verzoek. Het college heeft op dit onderdeel toegelicht dat het gedurende het Woo-proces steeds meer informatie ontving van andere bestuursorganen over een verzoeker die voldoet aan de kenmerken van eiser in relatie tot mogelijk misbruik van recht. Naar aanleiding van die signalen heeft verweerder een nader onderzoek verricht met het doel om vast te stellen of eiser kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Omdat pas na het afsluiten van dat onderzoek volgens het college was gebleken dat sprake was van oneigenlijke verzoeken en daarop de besluiten zijn genomen, vallen deze naar het oordeel van de rechtbank binnen de reikwijdte van artikel 4.6 van de Woo en zijn ze dus niet te laat genomen. Eisers beroepsgrond slaagt dus niet.
Zijn de beroepen niet-ontvankelijk?
8. Het college heeft in het verweerschrift en op zitting de rechtbank gevraagd te onderzoeken of eiser met het instellen van het beroep tegen de bestreden besluiten ook misbruik maakt van zijn recht om beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [1] kan op grond van artikel 3:13, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt. In zo’n geval kan het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden, maar daarvoor zijn zwaarwichtige gronden vereist. Die zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het gebruik van die bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt geldt ook voor verzoeken op grond van de Woo. [2]
8.2.
De rechtbank overweegt dat indien de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard, eiser geen oordeel van de rechter kan verkrijgen over de ongegrond- en niet-ontvankelijkheidverklaring van zijn bezwaren tegen het buiten behandeling stellen van zijn Woo-verzoeken. [3] De rechtbank overweegt daarbij dat in de door het college aangehaalde uitspraken steeds sprake was Woo-verzoeken waarin de betreffende stukken ook via een andere rechtsgang te verkrijgen of te betwisten waren. Nu er in deze zaken geen andere mogelijkheid voor eiser bestaat om de stukken te verkrijgen waar hij met zijn Woo-verzoeken om heeft verzocht, wordt hem daarmee dus in feite de toegang tot de rechter ontzegd. Door het college zijn onvoldoende zwaarwichtige gronden aangevoerd op grond waarvan dit kan worden gerechtvaardigd. De rechtbank acht dit een doorslaggevende omstandigheid die ertoe leidt dat de beroepen ontvankelijk zijn.
Mocht het college de bezwaren niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond verklaren?
9. Het college heeft verwezen naar het advies van de adviescommissie en daarnaast een zelfstandige motivering gegeven voor de niet-ontvankelijkverklaring in LEE 25/356 en de ongegrondverklaring in LEE 24/967. Kort samengevat voert het college aan dat duidelijk is dat geldelijk gewin de achtergrond is van de verzoeken omdat dwangsommen en schadevergoedingen in bijna alle door eiser ingediende aanvragen en procedures de boventoon voeren. Het college stelt dat het misbruik van de Woo niet los gezien kan worden van de bevoegdheid om bezwaar in te dienen. Eiser laat al lange tijd een gedragspatroon zien waarbij hij zowel het college als andere bestuursorganen overspoelt met verzoeken en klachten en over nagenoeg alles de juridische strijd aangaat. Het gedrag van eiser heeft een patroon aangenomen op grond waarvan het aannemelijk is dat eiser met het indienen van Woo-verzoeken een ander doel beoogt dan het verkrijgen van overheidsinformatie.
9.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is aan het bestuursorgaan dat toepassing wil geven aan de antimisbruikbepaling om aannemelijk te maken dat daadwerkelijk sprake is van misbruik.
9.2.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht oplevert. Elk beroep op die faciliteiten brengt kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal keren dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. [4]
9.3.
Het is niet uitgesloten dat het aanhangig zijn van andere zaken relevant kán zijn voor het kunnen toepassen van de antimisbruikbepaling, bijvoorbeeld als daaruit een patroon zou blijken van het doen van Woo-verzoeken om vervolgens (rauwelijkse) ingebrekestellingen te verzenden en beroepen in te dienen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. [5]
9.4.
De rechtbank overweegt dat in zaak LEE 24/1130 al is geoordeeld dat het aantal door eiser ingediende Woo-verzoeken een relatief klein aantal betreft. Dat brengt mee dat, bij de beoordeling of in dit geval sprake is van misbruik van recht, meer gewicht dient te worden toegekend aan de overige omstandigheden van het geval en aan de totale context waarin de verzoeken zijn gedaan.
9.5.
Hetgeen het college in dit verband heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende overtuigend. De stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, bieden onvoldoende steun voor de conclusie dat eiser in dit concrete geval een overmatig beroep heeft gedaan op door de overheid geboden faciliteiten.
9.6.
De verwijzing van het college naar de uitspraak van de rechtbank Limburg gaat in dit geval niet op. In de onderhavige zaken is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat het eiser namelijk te doen is geweest om geldelijk gewin. Ook een ander doel is door het college niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser meer procedures aanhangig heeft gemaakt bij andere overheidsinstanties of een strafrechtelijk verleden heeft, maakt dit oordeel niet anders.
9.7.
De door het college overgelegde lijst met de lopende zaken van eiser geven ook geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van misbruik van recht. Op die lijst staan ook andere aanvragen en verzoeken – zoals AVG-verzoeken, klachten, beroepen niet tijdig beslissen – die een andere juridische grondslag kennen dan de Woo. Daarmee heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat deze lijst ter onderbouwing kan dienen voor de stelling dat eiser op het moment van het indienen de Woo-verzoeken een gedragspatroon liet zien dat aanleiding geeft voor toepassing van de antimisbruikbepaling,
9.8.
Verder overweegt de rechtbank dat de beoordeling van de bestreden besluiten door de rechtbank geschiedt naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de bestreden besluiten. Dit betekent dat het gedragspatroon van eiser na het nemen van de bestreden besluiten niet kan worden betrokken bij deze beoordeling. Gelet op het samenstel van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 4.6 van de Woo.
9.9.
Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor het aannemen van misbruik van recht een hoge drempel geldt, en dat het college op grond van de omstandigheden niet heeft kunnen overtuigen dat in dit concrete geval aan die drempel wordt voldaan.
9.10.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat onvoldoende zwaarwichtige gronden zijn komen vast te staan om de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk en (kennelijk) ongegrond te verklaren.
10. Dit brengt met zich mee dat ook de primaire besluiten, strekkende tot het buiten behandeling stellen van de Woo-verzoeken van eiser, niet in stand kunnen blijven. De rechtbank voorziet dan ook zelf in de zaak door de primaire besluiten te herroepen en deze uitspraak daarvoor in de plaats te laten treden. De rechtbank draagt het college op om binnen een termijn van 12 weken na ontvangst van deze uitspraak alsnog een inhoudelijke beslissing op de onderhavige zes Woo-verzoeken van eiser te nemen.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten worden vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept de primaire besluiten. Het college moet binnen 12 weken na ontvangst van deze uitspraak en met inachtneming hiervan een nieuwe beslissing nemen op de zes onderhavige Woo-verzoeken van eiser.
12. Omdat eiser in het gelijk wordt gesteld zal het college hem het griffierecht en de reiskosten moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 7 januari 2025 en 28 januari 2025 voor zover daarin
geoordeeld is dat sprake is van misbruik van recht;
- herroept de primaire besluiten van 17 juni 2024 alsmede van 16 en 27 november 2023;
- voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de
herroepen primaire besluiten van 17 juni 2024 alsmede van 16 en 27 november 2023;
- draagt het college op om binnen een termijn van 12 weken een nieuwe beslissing op
de onderhavige zes Woo-verzoeken van eiser te nemen met inachtneming van deze
uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- in LEE 25/356 en van € 194,- in
LEE 25/967 aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat het college de reiskosten van € 18,85 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr.K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet open overheid
Artikel 4:6
Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 3:13
1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
3. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Artikel 3:15
De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:N:RVS:2018:4256.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2163.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2061, r.o. 6.7, laatste twee zinsneden.
4.Afdeling 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403.
5.Rechtbank Noord-Nederland 22 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4602.