ECLI:NL:RBNNE:2025:4797

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
LEE 25/3407
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening omgevingsvergunning voor Skaeve Huse in Groningen

Op 25 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak LEE 25/3407, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de bouw van Skaeve Huse aan de [adres] in [woonplaats] werd afgewezen. Verzoekers, bewoners van de omgeving, waren van mening dat de vergunning ten onrechte was verleend en vreesden voor een negatieve impact op hun woonomgeving en de veiligheid van kinderen in de buurt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de realisatie van de Skaeve Huse ruimtelijk aanvaardbaar is. De voorzieningenrechter benadrukte dat het oordeel voorlopig is en niet bindend voor een eventuele bodemprocedure. De uitspraak volgt op een proces waarin het college op 16 augustus 2023 een omgevingsvergunning had verleend voor de bouw van negen woningen en een beheerderswoning voor beschermd wonen. Verzoekers hadden bezwaar gemaakt, dat deels gegrond werd verklaard, maar de vergunning bleef in stand. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening, aangezien de vergunning al in werking was getreden en de woningen naar verwachting in gebruik genomen zouden worden voordat er een uitspraak op de bodemzaak zou zijn gedaan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3407

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekers] [woonplaats] e.a., uit [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelikova),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college
(gemachtigde: mr. L. Bos).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Lefier uit Groningen (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor de bouw van Skaeve Huse aan de [adres] in [woonplaats]. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft op 16 augustus 2023 een omgevingsvergunning verleend voor negen woningen en een beheerderswoning ten behoeve van beschermd wonen (Skaeve Huse) aan de [adres] in [woonplaats]. Het gaat om een omgevingsvergunning voor het bouwen en strijdig gebruik voor de duur van tien jaar. De woningen in het project zijn bedoeld voor inwoners van de gemeente Groningen met complexe en meerdere problemen, zoals psychiatrische en/of verslavingsproblematiek, die overlast geven in hun woonwijk of geen woning hebben.
2.1.
Het college heeft het bezwaar van verzoekers hiertegen op 4 juli 2024 deels gegrond verklaard en het besluit met een aanvullende motivering en aanvullende voorschriften in stand gelaten.
2.2.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld (LEE 24/3442) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers met
[naam], [naam] en [naam]. Namens het college heeft de gemachtigde deelgenomen met J. Zuijderdorp. Verder hebben deelgenomen: E. van Dijken en
N.O. Veenstra namens vergunninghouder en I. Bousema van zorgverlener WerkPro.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is het toetsingskader?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
Is er spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. Verzoekers stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zij vrezen te worden geconfronteerd met een ernstige en blijvende aantasting van de directe woonomgeving en risico’s voor de verkeersveiligheid en de veiligheid van (schoolgaande) kinderen.
6. Vast staat dat de vergunning in werking is getreden. Verder staat dat vast dat de woonunits inmiddels zijn geplaatst. Naar verwachting zullen de eerste bewoners in de eerste helft van december 2025 hun intrek nemen in de woningen. De behandeling van de bodemzaak LEE 24/3442 is gepland op 29 januari 2026. De woningen zullen dus naar verwachting in gebruik worden genomen voordat er een uitspraak is gedaan op de bodemzaak. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Wie mag er een voorlopige voorziening vragen?
7. Het college stelt zich op het standpunt dat een aantal verzoekers geen belanghebbende is bij het bestreden besluit vanwege de afstand van hun woning tot de Skaeve Huse en het ontbreken van direct zicht en feitelijke (en ruimtelijke relevante) gevolgen van enige betekenis.
8. Niet ter discussie staat dat het verzoek van in ieder geval één van de verzoekers, de bewoners van [adres], ontvankelijk is. Dat geldt ook voor het verzoek van de [belangenvereniging]. De voorzieningenrechter behandelt daarom het verzoek inhoudelijk. Een bespreking van de belanghebbendheid van de overige verzoekers laat de voorzieningenrechter om redenen van proceseconomie buiten beschouwing. De beoordeling daarvan kan in de bodemprocedure plaatsvinden.
Is het college bevoegd om af te wijken van het bestemmingsplan?
9. Verzoekers betogen dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend op basis van een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan. Volgens verzoekers is de doelgroep blijvend.
10. Voor het perceel aan de [adres] geldt het bestemmingsplan Meerstad-Midden. Tussen partijen staat vast dat het plan van vergunninghouder niet past in de bestemming ‘Woongebied (uit te werken)’. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend onder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In die artikelen is – kort gezegd - bepaald dat een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan kan worden verleend voor ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste tien jaar, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
10.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak [1] volgt dat het college bevoegd is een afwijking te verlenen met behulp van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor als het feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen na afloop van de vergunde periode kan worden beëindigd. Een tijdelijke omgevingsvergunning kan ook worden verleend vanwege een activiteit die voorziet in een permanente behoefte. Niet van belang is of het aannemelijk is dat de vergunde activiteit ook daadwerkelijk na tien jaar zal worden beëindigd.
10.2.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de vergunde activiteit na tien jaar zonder onomkeerbare gevolgen worden beëindigd. In dit geval gaat het om prefabwoningen die relatief eenvoudig weer te verwijderen zijn. De omstandigheid dat de doelgroep behoefte heeft aan een blijvende voorziening, is niet van belang voor de beoordeling van de vraag of het college de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning mocht verlenen. [2] Op de zitting is door het college bovendien toegelicht dat met de bewoners een beëindigbare huur- en zorgovereenkomst wordt gesloten waarop huurbescherming niet van toepassing is.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het college bevoegd om artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor toe te passen. Het betoog slaagt niet.
Is er een geschiktere locatie dan [adres]?
11. Verzoekers voeren aan dat er drie alternatieve locaties zijn die geschikter zijn dan de locatie aan de [adres]. De vergunning had daarom geweigerd moeten worden. Verzoekers wijzen op de locaties aan de Friesestraatweg, de Zuiderweg en de Campinglaan. De redenen waarom de Friesestraatweg is afgevallen gelden volgens verzoekers ook voor [adres]: de hoge kosten, de ontsluiting van een woonwijk en de ligging vlakbij een doorgaande fietsroute. De locatie aan de Zuiderweg kan permanent gebruikt worden en is vanwege de natuurlijke barrière (de ligging aan de overzijde van het Slochterdiep) uitermate geschikt. Dat deze locatie is afgevallen vanwege de komst van acht nog te bouwen dijkwoningen op 250 meter leidt bij verzoekers tot weinig begrip. Verder voeren verzoekers aan dat het college de ‘Leidraad realiseren voorzieningen voor kwetsbare personen 2.0’ (Leidraad) ondanks een amendement van de raad niet heeft aangepast en niet heeft toegepast bij de locatiekeuze. Ook is de huidige locatie volgens verzoekers niet geschikt voor deze doelgroep omdat de locatie niet prikkelarm is, de units te dicht op elkaar liggen en de locatie slechts tijdelijk is.
12. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
12.1.
Het is vaste rechtspraak [3] dat het college moet beslissen over een bouwplan zoals dat is ingediend. Als een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen tot weigering van medewerking door het college leiden, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn, om dit aannemelijk te maken.
12.2.
Verzoekers hebben op de zitting aangegeven dat de Campinglaan niet de beste alternatieve locatie is, zodat de voorzieningenrechter niet meer op die stelling in zal gaan.
12.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een locatieonderzoek is gedaan. De resultaten daarvan zijn schriftelijk vastgelegd in een intern werkdocument. Het college heeft bij de zoektocht naar een geschikte locatie vijf criteria gesteld:
1. De locatie moet gemeentelijk grondeigendom zijn.
2. De minimale afstand tot omliggende wijken of andere gevoelige functies is 75-100 meter.
3. De locatie moet dichtbij basisvoorzieningen liggen.
4. Wat zijn de planologische mogelijkheden?
5. Wat zijn de kosten?
12.3.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het niet onredelijk om bij een locatiekeuze rekening te houden met deze uitgangspunten. In het interne werkdocument zijn zes locaties aan de hand van die criteria beoordeeld en is geadviseerd de Skaeve Huse te realiseren aan [adres] in [woonplaats] omdat er relatief weinig omwonenden zijn, de locatie afgeschermd ligt, nutsvoorzieningen aanwezig zijn en de kosten om de locatie geschikt te maken relatief laag zijn.
Anders dat verzoekers stellen, lijkt de locatiekeuze wel te zijn getoetst aan de Leidraad (of een eerdere versie daarvan). In het procesdossier zit het document ‘Procesgang locatiekeuze woonvorm [adres] [woonplaats]’. In dat document is de voorkeurslocatie aan [adres], getoetst aan de zes criteria uit de Leidraad: bruikbaar, beheersbaar, beschikbaar, betere spreiding, bereikbaar en betaalbaar.
12.4.
Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd dat met realisatie van de Skaeve Huse op de alternatieve locaties niet een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
Het college heeft toegelicht dat de locatie aan de Friesestraatweg is afgevallen vanwege de hoge kosten. Er is op die locatie een vervallen monumentale boerderij aanwezig die gerenoveerd moet worden omdat de staat van de boerderij anders gevaar oplevert voor de toekomstige bewoners. Bovendien moeten de woningen op de percelen rondom de boerderij geplaatst worden en hebben die percelen een agrarische bestemming. Volgens het college is de locatie aan de Zuiderweg minder geschikt vanwege de afstand tot voorzieningen, de nieuwe planologische ontwikkelingen die gepland staan en het feit dat die locatie op dit moment gekraakt wordt.
12.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat er een alternatief voorhanden is waarvan op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat oplevert met aanmerkelijk minder bezwaren. Het betoog slaagt niet.
Is de activiteit in strijd met een goede ruimtelijke ordening?
13. Verzoekers voeren aan dat maatschappelijk draagvlak ontbreekt en de gekozen locatie niet in overeenstemming is met een goed woon- en leefklimaat. De locatie ligt naast een kinderrijke woonwijk en voldoet niet aan de door het college zelfgestelde minimale afstandseis van 100 meter. Ook ligt het plan op minder dan 50 meter van een agrarische perceel waardoor de minimale afstandseis tot de spuitzone niet gehaald wordt en geen sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het college heeft volgens verzoekers onvoldoende onderkend dat de ligging aan de enige doorgaande fietsroute van [woonplaats] naar Groningen de kans op gevaarlijke situaties aanzienlijk vergroot.
13.1.
Verder voeren verzoekers aan dat het besluit niet uitvoerbaar is omdat in het vastgestelde Masterplan Meerstad op de locatie een ontsluitingsweg is voorzien.
Verzoekers betogen daarnaast dat er onvoldoende beheersmaatregelen zijn getroffen om risico’s als overlast, veiligheid en criminaliteit te voorkomen, terwijl deze wel zijn aanbevolen in het Omgevingsonderzoek. Verzoekers stellen dat het Sociaal Beheerplan, waarin beheersmaatregelen zijn opgenomen waarop de vergunning is gebaseerd, niet als handhaafbare voorwaarde aan de vergunning is verbonden. Daarmee ontbreekt juridische zekerheid dat de risico’s daadwerkelijk worden beheerd.
14. Vast staat dat het college aan het plan heeft meegewerkt door af te wijken van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter overweegt dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt in de niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De voorzieningenrechter beoordeelt of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [4]
Draagvlak
14.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het ontbreken van maatschappelijk draagvlak niet maakt dat een omgevingsvergunning in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. [5] Volgens vaste rechtspraak [6] is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Het ontbreken van draagvlak kan op zichzelf ook niet leiden tot het oordeel dat het bevoegd gezag geen goede belangenafweging heeft gemaakt. Toch kan in sommige gevallen, bijvoorbeeld op grond van gemeentelijk beleid, van een initiatiefnemer worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden en het verwerven of vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling. Het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting kan voor het bestuursorgaan reden zijn de gewenste medewerking niet te verlenen.
14.1.1.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er op grond van gemeentelijk beleid een bijzondere verplichting bestaat tot het informeren van omwonenden of het creëren van draagvlak. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel dat omwonenden en andere betrokkenen voorafgaand aan het indienen van de aanvraag op meerdere manieren op de hoogte zijn gehouden van de ontwikkelingen op de locatie door het college; er zijn informatiebrieven verstuurd, gesprekken geweest en informatieavonden georganiseerd.
Niet uitvoerbaar
14.2.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat de realisering van de zuidelijke ontsluitingsweg niet belemmerd wordt door de realisatie van de Skaeve Huse. Over de ontsluitingsweg stelt het college in het bestreden besluit dat het terrein van de Skaeve Huse is gesitueerd naast de voorziene zuidelijke ontsluitingsweg en dat de aanleg van de weg na de realisering van de Skaeve Huse onverkort mogelijk blijft. Het college heeft dat verbeeld met een tekening waarop de weg ingetekend staat.
14.3.
De omstandigheid dat er inmiddels een gewijzigd ontwerp is voor een tijdelijke ontsluitingsweg langs het terrein van de Skaeve Huse en een (definitieve) ontsluitingsweg die pas over het terrein van de Skaeve Huse, leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter toetst namelijk de situatie ten tijde van de beslissing op bezwaar.
Afstand van 100 meter
14.4.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat er geen sprake is van een afstands
normvan 100 meter. De 100 meter waar verzoekers naar verwijzen, komt uit een advies van SEV naar aanleiding van een evaluatie van de eerste vijf projecten met Skaeve Huse in Nederland. [7] Het advies is in eerste instantie gericht aan de minister van (destijds) Wonen, Wijken en Integratie. In het advies wordt 100 meter niet als harde norm voor bestuursorganen geformuleerd. In deel I van het SEV-advies wordt onder 5 als tip voor een succesvol Skaeve Huse-project aan de minister gegeven: “Ligging op minimaal 75 à 100 meter van woonbebouwing of andere gevoelige functies.” Verder is in 4.1 van het SEV-advies aangegeven: “Een afstand van minstens honderd meter en een visuele afscherming zijn aan te bevelen. Een nadere empirische onderbouwing van deze praktijknorm om visuele, geluids- en geuroverlast te voorkomen is aan te bevelen. Dit zou helpen om bezwaarprocedures te bekorten.”
14.4.1.
Er is verder niet door verzoekers gemotiveerd dat er een (minimale) afstandsnorm van 100 meter afstand zou gelden op basis van gemeentelijke beleid of andere regelgeving zoals bijvoorbeeld de Leidraad. Het enkele feit dat het college in een brief aan de gemeenteraad van 1 november 2017 benoemt dat er voor een locatie zoekcriteria zijn opgesteld waaronder ‘Minimale afstand tot omliggende wijken of andere gevoelige functies is 100 meter’, leidt niet tot een ander oordeel.
Zorgvuldigheid Omgevingsonderzoek
14.5.
Voor het project is een Omgevingsonderzoek opgesteld door Breuer & Intraval (juli 2021). Dit rapport is opgesteld naar aanleiding van zorgen van omwonenden over de mogelijk negatieve invloed van de Skaeve Huse op de leef- en woonomgeving en verminderde veiligheid voor (langsfietsende) mensen en (schoolgaande) kinderen. Er hebben interviews met onder andere omwonenden plaatsgevonden en in het rapport is aangesloten bij ervaringen elders in het land met het concept Skaeve Huse. In het rapport worden de angst- en onveiligheidsgevoelens als meest kritieke risico’s aangemerkt. Geluidsoverlast, interactie met omwonenden en diefstal/inbraak worden als kritiek geclassificeerd. Op basis van de risicoanalyse is een aantal beheersmaatregelen voorgesteld. Met betrekking tot het de angst- en onveiligheidsgevoelens wordt als meest wenselijke oplossing voorgesteld de angsten en zorgen van omwonenden te erkennen en hen ervan te overtuigen dat het risico op een deel daarvan lager is dan zij nu vermoeden. De tweede mogelijke beheersmaatregel richt zich op het aanpassen van de huidige infrastructuur of het veranderen van de bouwplannen van de te vestigen woonvorm.
Verder wordt voorgesteld maatregelen te treffen waarmee de geluidsoverlast wordt gereduceerd maar bij voorkeur worden maatregelen genomen om incidenten op het terrein te voorkomen. Ook wordt voorgesteld om interactie met de omwonenden zoveel mogelijk te voorkomen en toekomstige bewoners te voorzien van voldoende middelen (zoals een fiets) om het risico op diefstal en inbraak te beheersen.
14.6.
In het betoog van verzoekers ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Omgevingsonderzoek onzorgvuldig tot stand gekomen zou zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het onderzoek voldoende inzichtelijk en concludent. Het college heeft bovendien gemotiveerd toegelicht waarom onder meer de toekomstig bewoners niet geïnterviewd konden worden en de door verzoekers genoemde belangen wel zijn betrokken in het onderzoek. Het betoog slaagt niet.
Onaanvaardbaar woon- en leefklimaat
14.7.
De voorzieningenrechter begrijpt de vrees van verzoekers voor de komst van deze woonvorm en leest die vrees ook terug in het Omgevingsonderzoek. Maar uit de rapporten blijkt niet dat de komst van de Skaeve Huse een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat tot gevolg zou hebben. De twee meest kritieke risico’s die in het Omgevingsonderzoek worden benoemd hebben betrekking op angst- en onveiligheidsgevoelens. Dat het college de in het Omgevingsonderzoek voorgestelde beheersmaatregel om de ingang van het terrein te verplaatsen naar de achterzijde niet heeft overgenomen, maakt nog niet dat er sprake is van strijd met goede ruimtelijke ordening. Het college heeft op de zitting gesteld dat het plan is aangepast door de ingang iets naar achteren te verplaatsen, het hekwerk te camoufleren met een natuurlijke uitstraling en te voorzien van een camera. Daarmee worden de in het Omgevingsonderzoek geadviseerde beheersmaatregelen omtrent het wegnemen van de onveiligheidsgevoelen volgens het college ondervangen. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de beheersmaatregelen uit het Sociaal beheersplan onverkort deel uit maken van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt dat er onderzoek is gedaan naar mogelijke overlast als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en dat is geconcludeerd dat de situatie, met de gestelde voorschriften, beheersbaar is.
14.8.
Daarnaast heeft het college bij zijn conclusie dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening mogen betrekken dat de locatie is afgeschermd door aarden wallen, tussenliggend terrein, een boomsingel, een hekwerk, een sloot en de ligging langs een doorgaande gezoneerde weg. In de bij de aanvraag gevoegde ruimtelijke onderbouwing van Bugel Hajema wordt verder gesteld dat de ontsluiting via de bestaande inrit gaat en [naam doorgaande weg] voldoende capaciteit biedt om de verkeersgeneratie (2,4 rit per woning per dag) op te vangen. De stelling dat de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan geen problemen oplevert qua verkeerstoename en verkeersafwikkeling, is door verzoekers onvoldoende gemotiveerd betwist.
Spuitzone
14.9.
Hoewel de voorwaarden met betrekking tot de agrarische activiteiten naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet bedoeld zijn voor de bescherming van de belangen van verzoekers, slaagt het betoog ten aanzien van de spuitzone niet. In het bestreden besluit is in het aanvullende voorschrift gesteld dat units gesitueerd op minder dan 50 meter afstand van het landbouwperceel van bezwaarden [naam] en [naam], voor zover daarop gespoten mag worden, niet mogen worden gebruikt dan nadat privaatrechtelijk of publiekrechtelijk voldoende geborgd is dat binnen die straal en op die percelen geen pesticiden of herbiciden mogen worden toegepast. Als dit voorschrift niet wordt nageleefd kan door een belanghebbende om handhaving van dat voorschrift worden gevraagd. Of al dan niet aan de voorschriften wordt voldaan, valt buiten de beoordeling van deze omgevingsvergunning.
Beheersmaatregelen
14.10.
In het bestreden besluit is als voorschrift opgenomen dat de beheersmaatregelen zoals opgenomen in het bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegde Sociaal beheerplan alle dienen te worden uitgevoerd. Als dit voorschrift niet wordt nageleefd kan door een belanghebbende om handhaving van dat voorschrift worden gevraagd. Of al dan niet aan de voorschriften wordt voldaan, valt buiten de omvang van deze procedure. Deze procedure gaat alleen over de vraag of de vergunning terecht is verleend.
Conclusie
14.11.
Het college mocht zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt stellen dat de realisatie van de Skaeve Huse ruimtelijk aanvaardbaar is. Het betoog van verzoekers slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat vergunninghouder gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning. Vergunninghouder doet dit wel voor eigen rekening en risico zolang de verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Steenbergen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3276 en 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1112.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:221.
3.Waaronder de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1539.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3276 en 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1112.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2569 en 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:851.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4038.
7.SEV-advies Skaeve Huse, Jeroen Singelenberg, Rotterdam, februari 2010.