ECLI:NL:RBNNE:2025:4917

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
LEE 23/2811
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor wintergartens bij vleeskuikenstallen wegens onvoldoende onderzoek en motivering

Op 3 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe. De zaak betreft de omgevingsvergunning voor het realiseren en gebruiken van zes wintergartens aan bestaande vleeskuikenstallen. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 17 mei 2023, waarbij de omgevingsvergunning werd verleend. De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning niet op de juiste wijze heeft verleend. De rechtbank stelt vast dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de ventilatiewijzigingen door de realisatie van de wintergartens. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) heeft onderzoek gedaan naar het ventilatiesysteem en de invloed van de wintergartens op het ventilatieklimaat. De rechtbank concludeert dat het college niet adequaat heeft gereageerd op de bevindingen van de StAB en dat er motiveringsgebreken zijn. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om opnieuw op de vergunningaanvraag te beslissen. De rechtbank oordeelt verder dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen geurbeheerplan van de vergunninghouder wordt verlangd, ondanks de geursituatie ter plaatse van de woning van eisers. De rechtbank concludeert dat de vergunninghouder geen omgevingsvergunning meer heeft voor het realiseren en gebruiken van de wintergartens.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/2811

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen

[eisers] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. T. de Beet),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, het college
(gemachtigden: M.J. Siersema en J.M. Abbing).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[bedrijf 1]uit [plaats] , de vergunninghouder
(gemachtigde: ing. B.H. Wopereis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het realiseren en gebruiken van zes wintergartens aan de bestaande stallen op het perceel [perceel 1] . Eisers zijn het niet eens met die vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet op deze wijze had mogen verlenen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. De omgevingsvergunning wordt vernietigd en het college wordt opgedragen om opnieuw op de vergunningaanvraag te beslissen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het bestreden besluit van 17 mei 2023 verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [persoon 1] namens eisers, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van de vergunninghouder en [persoon 2] namens de vergunninghouder.
2.3.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) benoemd als deskundige.
2.4.
Op 10 april 2025 heeft de StAB een schriftelijk verslag aan de rechtbank uitgebracht. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op dat verslag te reageren. Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.5.
Op 10 juli 2025 heeft de StAB een schriftelijk notitie aan de rechtbank uitgebracht.
2.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting niet nodig is en heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord. Van die gelegenheid hebben partijen geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Welk recht is in dit geval van toepassing?

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 februari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor), de Wet natuurbescherming (Wnb), de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat zijn de vaststaande feiten en omstandigheden van deze zaak?
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
5.1.
De vergunninghouder drijft een pluimveebedrijf op het perceel [perceel 1] (het perceel). Voor de inrichting is een revisievergunning verleend op 30 juni 2014. Die vergunning is geactualiseerd bij besluit van 3 september 2021. Op basis van die vergunning bedraagt het maximaal te houden aantal vleeskuikens 223.760 dieren.
5.2.
De vergunninghouder beoogt zes wintergartens aan de bestaande zes vleeskuikenstallen te realiseren en te gebruiken voor zijn bedrijfsvoering. Daartoe heeft de vergunninghouder op 17 februari 2022 een aanvraag voor verlening van een omgevingsvergunning ingediend. In die aanvraag zijn de wintergartens aangeduid als wintergarten 1, wintergarten 2/3.1, wintergarten 3.1/4.1, wintergarten 4.2, wintergarten 5 en wintergarten 6.
5.3.
Ten noorden van het bedrijf van de vergunninghouder ligt een andere vleeskuikenhouderij, aan de [perceel 2] . Die tweede vleeskuikenhouderij wordt geëxploiteerd door vennoten van de vergunninghouder.
5.4.
Eisers wonen op het perceel [perceel 3] , gelegen op ongeveer 385 meter van de dichtstbijzijnde stal op het perceel van de vergunninghouder.
5.5.
In het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022” (het bestemmingsplan) is het perceel bestemd voor ‘Agrarisch met waarden – 1’ met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2 ha’. Op het perceel is een bouwvlak geprojecteerd.
6. Op 12 juli 2022 en 18 juli 2022 heeft de vergunninghouder in aanvulling op de aanvraag van 17 februari 2022 nadere gegevens bij het college ingediend. Naar aanleiding van die gegevens heeft het college besloten om de aanvraag verder te behandeling met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
7. Op 15 december 2022 heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd.
Eisers hebben hierover een zienswijze ingediend.
8. Op 17 mei 2023 heeft het college het bestreden besluit genomen.
Voldoet het ventilatiesysteem in de stallen als de wintergartens worden gebruikt?
9. Eisers betogen dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen met de voorhanden zijnde gegevens. Volgens eisers blijkt uit die gegevens niet sluitend dat de milieugevolgen en de gevolgen voor omwonenden aanvaardbaar zijn. Er ontbreekt bij de omgevingsvergunning een dimensioneringsrapport voor de ventilatie. De in beroep overgelegde berekeningen en het door de StAB gemaakte dimensioneringsplan maken geen onderdeel uit van die vergunning. Ook zijn geen voorschriften aan de vergunning verbonden met bijbehorende maatregelen voor het geval de minimaal ingestelde onderdruk van ongeveer 3 pascal in de praktijk niet te allen tijde, inclusief bij het openen van de uitloopschuiven, kan worden gewaarborgd. Onduidelijk is of die minimaal ingestelde onderdruk toereikend is om alle vuile stallucht via de ventilatoren de stal te laten verlaten. Uit het bestreden besluit volgt volgens eisers ook niet dat de minimaal ingestelde onderdruk toereikend is. Daar komt bij dat de wintergartens bij de stallen 3 en 4 aan beide kanten liggen waardoor een open verbinding bestaat tussen beide wintergartens. Er bestaat volgens eisers onduidelijkheid over de precieze werking van de afvoer van vuile lucht. De brief van Geissler Installatietechniek van 30 juni 2022 en de brief van VanWestreenen van 12 juli 2022 bevatten daarover verschillende inzichten. De gegevens die de vergunninghouder in deze beroepsprocedure aan de StAB heeft overgelegd, de nieuwe V-Stacksberekeningen en het door de StAB gemaakt dimensioneringsplan moeten deel uit gaan maken van de omgevingsvergunning, aldus eisers.
9.1.
Het college voert aan dat de vergunninghouder een onderbouwing heeft aangeleverd waarin voldoende is uitgelegd dat het reeds op 30 juni 2014 vergunde ventilatiesysteem door middel van de klimaatcomputer ongewijzigd kan zorgen voor de benodigde ventilatie en onderdruk in de stallen met het openen van de uitloopschuiven. Beoordeling heeft onder meer plaatsgevonden door de grootte van de uitloopstallen te vergelijken met de grootte van de bestaande ventilatieopeningen (inlaatventielen). Het college acht het aannemelijk dat het ventilatiesysteem ongewijzigd kan blijven werken omdat de openingen van vergelijkbare grootte zijn. Het college acht een volledig nieuw dimensioneringsrapport daarom niet noodzakelijk. Het college heeft zo’n rapport ook niet nodig voor de berekening van de geursituatie. Bij die berekening is ‘enig gewicht’ aan de situatie toegekend. Daarnaast voert het college aan dat de vergunninghouder er te allen tijde voor dient te zorgen dat er sprake is van onderdruk in de stal. De onderdruk in de stallen varieert mogelijk meer bij gebruik van de wintergartens dan in de originele situatie. De fluctuatie dient afdoende te worden opgevangen. Of hiervoor de ingestelde onderdruk afdoende is, blijkt uit de gegevens van de klimaatcomputer. Die gegevens kunnen worden uitgelezen en geanalyseerd. Als in de praktijk blijkt dat de behaalde onderdruk niet afdoende is, kan hierop worden gehandhaafd, aldus het college.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering over (de gevolgen van) de ventilatiewijzigingen door het realiseren en gebruiken van de beoogde wintergartens. Zij overweegt daartoe het volgende.
9.2.1.
De rechtbank stelt vast dat de StAB uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar het in de stallen van de vergunninghouder aanwezige ventilatiesysteem en de invloed die de beoogde wintergartens op het ventilatieklimaat in en buiten de stallen hebben. De StAB heeft dossieronderzoek gedaan, partijen gehoord, nadere informatie bij partijen ingewonnen en er is vanuit de StAB een locatiebezoek aan het perceel gebracht. Op basis van de ingewonnen informatie heeft de StAB diverse berekeningen uitgevoerd, bevindingen gedaan en conclusies getrokken.
9.2.2.
Door de StAB is geconstateerd is dat het stalsysteem in de stallen is gebaseerd op een ventilatiesysteem met onderdruk en dat de vergunninghouder de minimale onderdruk op basis van landelijke normen [1] heeft vastgesteld op 3 pascal. Tijdens het onderzoek heeft de StAB geconstateerd dat de met het bestreden besluit vergunde wintergartens inmiddels zijn gerealiseerd. Vastgesteld is dat de stallen en de stalventilatie(capaciteit) zijn ingericht op de oude bedrijfssituatie met de traditionele mestmethode en het aantal dieren per stal dat in 2014 is vergund. Ook is vastgesteld dat het aantal vleeskuikens per stal bij het reguliere mestsysteem hoger is dan bij het systeem op basis van het ‘Beter Leven keurmerk ster 1’. Gelet op die wijziging heeft de StAB geconcludeerd dat de stallen een grotere ventilatiecapaciteit hebben dan in de nieuwe bedrijfsopzet nodig is. Voorts heeft de StAB geconstateerd dat in de Gebruikershandleiding V-stacks is aangegeven dat het belangrijk is om altijd een dimensioneringsrapport te laten overleggen waaruit blijkt dat onderdruk in de stal gewaarborgd is. Belangrijk daarbij is dat met de extra openingen in de stal de ventilatiecapaciteit nog voldoende blijft om onderdruk in de stal te houden. Door de StAB is geconstateerd dat de brief van Geissler Informatietechniek van 30 juni 2022 onvoldoende informatie bevat om de vereiste onderdruk in de nieuwe huisvestingsopzet te kunnen beoordelen. Een vergelijking van de grootte van de uitloop-openingen met die van de bestaande inlaatopeningen is niet controleerbaar zonder nadere gegevens over de omvang van die openingen.
9.2.3.
Gelet op deze bevindingen van de StAB stelt de rechtbank vast dat het college bij het behandelen van de aanvraag onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de invloed van de beoogde uitloop-openingen naar de wintergartens op (de werking van) het bestaande ventilatiesysteem in de stallen. Onvoldoende is onderzocht of de gewijzigde ventilatiecapaciteit nog voldoende was om de onderdruk in de stallen te behouden. Ook lag het op de weg van het college om resultaten uit dat ventilatieonderzoek te betrekken bij de afwegingen van het college of de vergunninghouder kon worden gevolgd in het standpunt dat het ventilatiesysteem in de nieuwe situatie met wintergartens ook voldoet aan de landelijke normen. In zoverre kleeft aan het bestreden besluit ook een motiveringsgebrek.
9.2.4.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de StAB tijdens haar onderzoek nadere informatie over de ventilatiecapaciteit heeft ontvangen van de vergunninghouder. Op basis van de nadere informatie van de vergunninghouder heeft de StAB de maximale benodigde ventilatiecapaciteit en de aanwezige ventilatiecapaciteit berekend. De StAB heeft geconstateerd dat de bestaande ventilatiecapaciteit ruim voldoende is om het gewenste debiet en de benodigde ventilatie te leveren. Door het verminderen van de dierenaantallen bij het ‘Beter Leven keurmerk 1 ster’ wordt deze marge vergroot. Verder is geconstateerd dat de exacte waarde van onderdruk niet of nauwelijks gevolgen heeft voor de wijze waarop geur naar buiten treedt. Als er een bepaalde mate van onderdruk is, mag ervan uit worden gegaan dat de stallucht (met geurcomponenten) via de emissiepunten bij de ventilatoren naar buiten gaat en dat de uitloop-openingen van de stallen naar de wintergartens niet als emissiepunt voor de stallucht fungeren. Bij een sterke wind zou die wind door de stal kunnen blazen en de ventilatie kunnen verstoren. Geconstateerd is dat de wind in de praktijk wordt gebroken door de wanden van de wintergartens die gemaakt zijn van geperforeerde damwand. De lucht gaat door kleine gaatjes en wordt sterk afgeremd. Bij zeer sterke wind kan nog een extra wand worden opgetrokken zodat de luchtcirculatie in de wintergartens onder controle blijft. Er komt wel voldoende frisse lucht binnen omdat via de openingen in de stal lucht uit de wintergartens wordt aangezogen. Vastgesteld is dat niet middels opgelegde voorschriften gegarandeerd is dat er altijd voldoende onderdruk zal zijn. Wel is het zo dat het zorgen voor voldoende onderdruk en de daarmee samenhangende ventilatie ook in het belang van de vergunninghouder is omdat dit noodzakelijk is voor het welzijn van de vleeskuikens. De StAB heeft geconcludeerd dat de aanwezigheid van enige onderdruk voldoende is om “geurlekken” te voorkomen. Het opnemen van een grenswaarde van 3 pascal acht de StAB daarvoor niet noodzakelijk.
9.2.5.
De rechtbank stelt vast dat het college in beroep geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de bevindingen, constateringen en conclusies van de StAB naar aanleiding van de nadere informatie van de vergunninghouder. Dat terwijl het op de weg van het college lag om iets van die nieuwe informatie en inzichten te vinden, in relatie tot (de standpunten verwoord in) het bestreden besluit. Nu een reactie van het college ontbreekt, is onduidelijk wat het college van de nieuwe informatie en inzichten vindt en wat de mogelijke gevolgen daarvan zijn voor de omgevingsvergunning. De in overweging 9.2.3. genoemde onderzoeks- en motiveringsgebreken zijn daarmee niet hersteld.
10. Deze beroepsgrond slaagt.
11. Het bestreden besluit is op dit punt genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal daarom worden vernietigd.
Is het college uitgegaan van de juiste versie van de leaflet voor huisvestingssystemen?
11. Eisers betogen dat niet kan worden uitgegaan van een oude versie van de leaflet omdat de stallen in werking dienen te zijn conform de actuele leaflet. Op de plattegrondtekening bij de aanvraag staat dat gebruik wordt gemaakt van het huisvestingssysteem BWL 2009.14.V3. Dat terwijl de nieuwste versie BWL 2009.14.V7 is en geldend was ten tijde van de aanvraag. Uit de aanvraag blijkt onvoldoende of door het hanteren van de oudere versie de uitgangspunten voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor wat betreft de emissies van ammoniak, geur en fijnstof nog wel kloppen en of de vergunning wat dat betreft op de juiste gronden is verleend, aldus eisers.
12.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de nieuwste versie van de leaflet, namelijk BWL 2009.14.V7, zoals aangegeven in de geldende vergunningvoorschriften van 3 september 2021.
12.2.
De rechtbank volgt dit betoog van eisers niet. In het bestreden besluit is bepaald dat de vergunningvoorschriften van 3 september 2021 onverminderd van kracht blijven. In die voorschriften staat onder meer dat de vergunde dieren moeten worden gehouden op basis van huisvestingssysteem BWL 2009.14.V7. Die versie van de leaflet is dus ook in deze vergunde situatie van toepassing. Verder is van belang dat de StAB heeft geconstateerd dat er nauwelijks verschil bestaat tussen de omschrijvingen van beide versies van de leaflet. Ook is van belang dat de StAB heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat het met het bestreden besluit gewijzigde stalsysteem niet voldoet aan de leaflet BWL 2009.14.V7. Van een onjuiste vergunningverlening is op dit punt in dit geval dus geen sprake.
13. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hebben de oplierbare wanden invloed op de emissie en ventilatie van de stallen?
14. Eisers betogen dat er geen dan wel onvoldoende gegevens bekend zijn over de functie en het gebruik van de oplierbare wanden tussen wintergartens 2 en 3.1 en tussen wintergartens 3.2 en 4.1. Ook zijn er geen voorschriften aan de vergunning verbonden over het omhoog (open voor doorloop van vleeskuikens) of helemaal omlaag (gesloten voor doorloop van vleeskuikens) staan van deze wanden. Aangezien de stand van die wanden van invloed is op de emissie- en ventilatieberekeningen, zijn de berekeningen gebrekkig nu die gegevens niet daarin zijn verwerkt, aldus eisers.
14.1.
Het college voert aan dat de oplierwanden tussen de wintergartens zijn bedoeld om de aanwezige dieren van elkaar gescheiden te houden tussen twee stallen. Die wanden zijn oplierbaar ten behoeve van het eenvoudig schoonmaken van de uitlopen op het moment dat de uitlopen niet voor de dieren toegankelijk zijn. Het aantal dieren in de verschillende stallen en daarmee ook de bijbehorende wintergartens staat vast en hierop kan worden gehandhaafd. Volgens het college is de grootte van de uitloop-openingen niet van invloed op de emissieberekeningen. Het gaat er om dat als die openingen open zijn, de drukval door het dichtgaan van de inlaatventielen kan worden gecompenseerd. Dit is mogelijk als de uitloop-openingen van vergelijkbare grootte zijn als de inlaatventielen. De klimaatcomputer zal zorgen dat snel weer sprake is van de vastgestelde onderdruk, aldus het college.
14.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat oplierbare wanden tussen wintergartens 2 en 3.1 en tussen wintergartens 3.2 en 4.1 invloed hebben op de emissie- en ventilatieberekeningen. De StAB heeft vastgesteld dat de verschillende wintergartens zijn gescheiden door een tussenwand van 80 cm hoog die omhoog getrokken kan worden. Vastgesteld is ook dat de ruimte boven de wand open is zodat de (buiten)lucht daar vrij spel heeft. Gelet op die omstandigheden hebben de wanden geen invloed op de door eisers genoemde berekeningen. Dit is ook door de StAB bevestigd.
15. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is voldoende rekening gehouden met de gevolgen van ‘Beter Leven keurmerk 1 ster’?
15. Eisers betogen dat bij de aanvraag en de vergunningverlening ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat de omschakeling van het houden van vleeskuikens naar vleeskuikens die vallen onder het ‘Beter Leven keurmerk 1 ster’ onduidelijkheden met zich meebrengt. Eisers verwijzen in dit kader naar de brief van de Wageningen University & Research (WUR) van 22 mei 2023 en de bijbehorende notitie over het effect van de omschakeling. Algemeen wordt verwacht dat bij die omschakeling sprake zal zijn van hogere emissies, aldus eisers.
16.1.
Het college voert aan dat in het WUR-onderzoek naar voren komt dat veel nog onduidelijk is over de daadwerkelijke emissies van onder meer geur. Verder onderzoek blijkt nodig alvorens vast te stellen of de factoren moeten worden gewijzigd en zo ja wat de factoren zullen moeten zijn. Volgens het college is over de emissie afkomstig van uitlopen al veel te doen geweest. Duidelijk is inmiddels dat er geur komt van de uitlopen bij bepaalde weersinvloeden, maar het is een ander verhaal hoe moet worden bepaald hoeveel dat is. Het college volgt daarom voor het bepalen van de emissie de door het ministerie van Infrastructuur en Milieu uitgegeven ‘Gebruikshandleiding V-Stacks vergunning’ van maart 2021 (Gebruikershandleiding). Het college ziet in het WUR-onderzoek (nog) geen onderbouwde mogelijkheid om van een andere berekening uit te gaan.
16.2.
De StAB heeft overwogen dat er geen aanleiding is om bij de geurberekeningen in de vergunde situatie met wintergartens af te wijken van de Gebruikershandleiding en/of de huidige emissienormen om de geurbelasting met V-Stacks te berekenen. Opgemerkt is dat de Gebruikershandleiding specifieke voorschriften voor de situatie met wintergartens bevat. Daarbij is betrokken dat in de WUR-brief is aangegeven dat nog geen wetenschappelijk onderbouwd advies te geven is over het al dan niet aanpassen van de geuremissie uit stallen met vleeskuikens ‘ Beter Leven keurmerk 1 ster’.
16.3.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het college in dit geval geen rekening heeft gehouden met de mogelijke geuremissiegevolgen van de omschakeling naar vleeskuikens ‘Beter Leven keurmerk 1 ster’. Uit het bestreden besluit volgt dat het college bij de besluitvorming acht heeft geslagen op het feit dat het aantal dieren en de stalinrichting niet wijzigen met de aangevraagde verandering van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen. Hoewel de omschakeling naar het houden van vleeskuikens ‘Beter Leven keurmerk 1 ster’ niet kenbaar is betrokken bij de toetsing van de milieugevolgen voor geur, volgt uit het StAB-onderzoek dat het college voor het bepalen van de geuremissies gebruik mocht maken van de Gebruikershandleiding. De verwijzing van eisers naar de WUR-brief leidt niet tot een ander oordeel, omdat uit die brief niet volgt dat aanpassing van de geuremissie voor deze omschakeling noodzakelijk is.
17. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is voldoende rekening gehouden met fijnstof?
18. Eisers betogen dat het college het aspect fijnstof ten onrechte niet heeft meegenomen in de besluitvorming. Volgens eisers zullen door de wijziging van de emissiepunten ook de resultaten van de berekeningen van de emissies van fijnstof veranderen. Dit omdat in de V-stacks- en ISL3a-berekeningen gebruik wordt gemaakt van dezelfde invoergegevens voor de bronnen. De emissieberekeningen voor fijnstof zijn echter niet aanwezig bij de aanvraag zodat onduidelijk is wat de gevolgen zullen zijn voor de fijnstof-belasting, aldus eisers.
18.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de hoeveelheid fijnstof niet toeneemt omdat het aantal dierplaatsen gelijk blijft. Mocht er wel sprake zijn van enige toename door verschuiving van het emissiepunt, dan is deze toename zodanig beperkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt, aldus het college.
18.2.
De rechtbank volgt eisers niet in dit betoog. Anders dan eisers stellen, heeft het college het milieuaspect fijnstof wel meegenomen in de besluitvorming. In reactie op de zienswijze van eisers heeft het college bovengenoemd standpunt ingenomen. Daarnaast vindt bij deze aanvraag voor het realiseren en gebruiken van de wintergartens geen uitbreiding van het eerder vergunde aantal dieren plaats. Hoewel de StAB heeft vastgesteld dat het emissiepunt door aanleg van de wintergartens iets verschuift en het fijnstofpatroon hierdoor iets zal veranderen, heeft de StAB berekend dat de fijnstofemissie hierdoor niet in betekenende mate toeneemt. Daar komt bij dat de waarden bij de aanleg van de wintergartens ruimschoots onder de gestelde grenswaarde van een jaargemiddelde concentratie en de gestelde grenswaarde van het maximaal aantal dagen overschrijding blijven. Van onduidelijkheid over de fijnstofgevolgen van realiseren van de wintergartens is daarom geen sprake.
19. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is voldoende rekening gehouden met wijzigingen in de geurbelasting?
20. Eisers betogen dat er een geurbeheersplan op grond van BBT-conclusie 12 moet komen omdat er sprake is van een historie van klachten. Eisers verwijzen daarbij naar het rapport van de RUD Drenthe van 25 mei 2021. Ook zal de geurhinder door het verlenen van deze vergunning verder toenemen. Aan het einde van de groeicyclus van de vleeskuikens is de geurbelasting veel hoger dan de gemiddelde geurbelasting. In het worst case scenario is de geurbelasting ruim boven de in de gemeentelijke verordening vastgestelde maximale waarde voor de geurbelasting. De belasting kan worden vertaald naar een milieukwaliteit slechter dan ‘extreem slecht’. Daar komt bij dat het college van het naastgelegen bedrijf wel een geurbeheersplan verlangt. Aan het bestreden besluit moet ook de voorwaarde worden verbonden dat een geurbeheersplan wordt opgesteld en nageleefd om effectief te kunnen optreden als er sprake mocht zijn van cumulatie van geuroverlast van omliggende bedrijven, aldus eisers.
20.1.
Het college voert aan dat een geurbeheersplan verplicht stellen op grond van historie van klachten op grond van BBT-conclusie 12 niet noodzakelijk is als aan de geldende geurnormen wordt voldaan. Volgens het college is BBT12 alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. Slechts indien sprake is van een overbelaste situatie is het gerechtvaardigd een geurbeheersplan op grond van BBT12 te eisen. [2] In dit geval wordt volgens het college voldaan aan de in de gemeente Midden-Drenthe op grond van artikel 6 van de Wgv vastgestelde normen. Binnen deze normen is er sprake van een aanvaardbaar geurhinderniveau, aldus het college.
20.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen geurbeheerplan van de vergunninghouder wordt verlangd. Zij overweegt daartoe het volgende.
20.2.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat de Wgv op grond van artikel 2, eerste lid, van die wet het exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van geurhinder vanwege de stallen van de inrichting vormt. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wgv neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag ook in acht dat in de inrichting ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. BBT-conclusie 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. [3]
20.2.2.
De StAB heeft geconstateerd dat de door eisers gemaakte berekening waarbij als bepalend emissiepunt is gehanteerde de hoek van de wintergarten die het dichtstbij de woning [perceel 4] ligt, geen reëel uitgangspunt is om de geursituatie realistisch in beeld te brengen. In het onderhavige geval zijn de stalventilatoren in de praktijk de belangrijkste emissiepunten waar de geuremissie in de buitenlucht wordt gebracht, nu er voldoende onderdruk kan worden gerealiseerd. Het is volgens de StAB realistischer om dit geval door te rekenen door “enig gewicht” toe te kennen aan mogelijke emissies uit de wintergartens. In dit geval is sprake van overdekte wintergartens waardoor per stal gekozen kan worden voor een extra emissiepunt dat gesitueerd is in het midden van de luchtdoorlatende zijwand. Geconstateerd is dat het college deze benadering heeft gevolgd. Uit de door de StAB gemaakte geurberekening heeft de StAB geconcludeerd dat de geurbelasting op zowel de woning aan [perceel 4] als op de woning van eisers onder de in de gemeente Midden-Drenthe geldende geurnorm blijft. Voor die berekening is uitgegaan van de vergunde dieraantallen, niet van de dieraantallen die op basis van het keurmerk ‘Beter Leven keurmerk 1 ster’ mogen worden gehouden. Geconstateerd is dat de geurbelasting wel iets hoger uitkomt dan het college heeft berekend, gelet op een andere uittreesnelheid, een extra emissiepunt voor stallen 3 en 4 en een hogere emissiehoogte voor bepaalde wintergartens. Voorts is vastgesteld dat in dit geval niet in geschil is dat wordt voldaan aan de geurnormen uit de Wgv. Gelet op het RUD-rapport van 25 mei 2021 heeft de StAB geconcludeerd dat dat rapport een voor deze locatie specifieke onderbouwing van de door eisers ondervonden geurhinder bevat. De StAB heeft opgemerkt dat het bedrijf van de vergunninghouder en het bedrijf op het perceel [perceel 2] ten opzichte van de woning van eisers in dezelfde windrichting liggen, wat het aannemelijk maakt dat de geur van deze bedrijven bij de woning van eisers cumuleert. Uit het rapport van 25 mei 2021 blijkt ook dat sprake is van een geschiedenis van (geverifieerde) geurklachten. De StAB heeft vastgesteld dat het college niet heeft toegelicht waarom het college in deze omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om een geurbeheersplan voor te schrijven. Dat terwijl in een voorschrift van de ontwerp-omgevingsvergunning voor het bedrijf op het perceel [perceel 2] wel de verplichting is opgenomen om een geurbeheersplan te overleggen, hoewel dat bedrijf de geurnormen van de Wgv niet overschrijdt. De StAB heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om de situatie bij dat ontwerpbesluit niet vergelijkbaar te achten met de onderhavige situatie waarover het bestreden besluit gaat.
20.2.3.
Gelet op de bevindingen van de StAB overweegt de rechtbank dat het college in dit geval onvoldoende acht heeft geslagen op de geursituatie ter plaatse van de woning van eisers en de mogelijke gevolgen van de realisatie van de wintergartens voor die situatie. Hoewel in dit geval voorafgaand aan de vergunningverlening werd voldaan aan de geldende geurnormen en eisers in beroep een onjuist geuremissiepunt hebben gebruikt bij hun berekeningen, heeft het college miskend dat in dit geval niettemin sprake is van geurhinder bij gevoelig receptoren. Op grond van die hinder had het college moeten overwegen of een geurbeheersplan zou moeten worden voorgeschreven bij de aangevraagde wijziging van de geursituatie binnen het bedrijf van de vergunninghouder. De in het RUD-rapport van 25 mei 2021 beschreven geursituatie en de aangevraagde wijziging van de bedrijfsvoering van de vergunninghouder hadden voldoende aanleiding voor het college moeten zijn om een dergelijke afweging te maken. Daar komt bij dat het college niet kenbaar heeft gemotiveerd waarom het onderhavige geval verschilt van de geursituatie van het bedrijf op het perceel [perceel 2] , van welk bedrijf het college thans wel een geurbeheersplan verlangt. Onduidelijk is waarom het college dit onderscheid tussen deze bedrijven maakt. Dit temeer omdat het college niet heeft gereageerd op de bevindingen uit het StAB-onderzoek. Daarnaast weegt voor de rechtbank mee dat de StAB aannemelijk heeft geacht dat de geur van beide bedrijven bij de woning van eisers cumuleert. Onduidelijk is wat het college van die aanname vindt. Ook is onduidelijk hoe het college geurcumulatie heeft betrokken bij de afweging om geen geurbeheersplan aan de vergunninghouder voor te schrijven. Verder is onduidelijk in hoeverre in die cumulatie alsnog aanleiding bestaat voor een dergelijk voorschrift. De rechtbank ziet voldoende aanwijzingen dat het college geurcumulatie bij de woning van eisers alsnog kenbaar moet betrekken in nadere besluitvorming, zo mogelijk op basis van aanvullend geuronderzoek naar die cumulatie.
21. Deze beroepsgrond slaagt.
22. Het bestreden besluit is op dit punt genomen in strijd met de artikel 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 2, eerste lid, van de Wgv en zal daarom worden vernietigd.
Komt de gerealiseerde situatie overeen met de vergunde situatie?
23. Eisers betogen dat de afmetingen van de wintergartens op de milieuplattegrond uit 2022, die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, niet overeenkomt met de afmetingen van de wintergartens van de inmeting door COKZ tijdens deze beroepsprocedure. Zo zijn alle wintergartens feitelijk groter dan aangegeven op de milieuplattegrond, is de totale oppervlakte van de zes feitelijke gerealiseerde wintergartens groter dan vergund en zijn de wintergartens bij stallen 1 en 6 breder dan vergund. Daar komt bij dat deze feitelijke wijzigingen tot gevolg hebben dat niet meer binnen het bouwvlak van het bestemmingsplan wordt gebouwd, aldus eisers.
23.1.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog buiten de omvang van deze zaak valt. Het beroep gaat over de omgevingsvergunning voor het realiseren en gebruiken van zes wintergartens, niet over hoe die gartens feitelijk zijn gerealiseerd. Eisers kunnen die feitelijke realisatie in een eventuele handhavingsprocedure aan het college voorleggen.
24. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is gegrond omdat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd welke invloed de beoogde uitloop-openingen naar de wintergartens hebben op (de werking van) het bestaande ventilatiesysteem in de stallen. Ook heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd welke gevolgen de realisatie van de wintergartens heeft op de geurbelasting op de woning van eisers. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aangezien nader onderzoek en standpuntbepaling door het college moet plaatsvinden, ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag van 17 februari 2022 te nemen. Deze vernietiging betekent dat de vergunninghouder geen omgevingsvergunning meer heeft voor het realiseren en gebruiken van de zes wintergartens op het perceel.
25.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op de aanvraag van 17 februari 2022 moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
25.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling met een zwaarte van 1 een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), hij heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt) en hij heeft een zienswijze na het schriftelijke verslag van de StAB ingediend (0,5 punt). De vergoeding voor de rechtsbijstand door de gemachtigde bedraagt daarmee € 2.267,50. Daarnaast hebben eisers heeft recht op vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Die reiskostenvergoeding bedraagt € 36,18 (een retourreis met het openbaar vervoer, tweede klasse, tussen [perceel 3] en Guyotplein 1 in Groningen). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 2.303,68. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 mei 2023;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag
van 17 februari 2022, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet
vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.303,68 aan proceskosten aan
eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)
Artikel 2
1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9.
2. Het eerste lid geldt niet voor het weigeren van de omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aan artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingrecht kan worden voldaan en voor voorschriften die met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 2.22, derde lid, van die wet of artikel 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer worden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Artikel 3
1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:
[…]
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.
Artikel 6
1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:
[…]
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.
Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit)
Artikel 3.123
1. Ten behoeve van de goede werking van een huisvestingssysteem en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies naar de lucht, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
2. Een huisvestingssysteem is uitgevoerd overeenkomstig de bij dat huisvestingssysteem behorende technische beschrijving, bedoeld in de bijlage bij de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij.
3. Degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem, draagt er zorg voor dat het huisvestingssysteem wordt gebruikt en onderhouden overeenkomstig de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem.
Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe
Artikel 3.5
1. Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in de Wet bepaalde geurnormen en minimale vaste afstanden in acht.
2. In afwijking van het eerste lid, is binnen de daartoe aangewezen gebieden, die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten, een andere geurnorm/minimale vaste afstand van toepassing dan de betreffende geurnorm /minimale vaste afstand genoemd in artikel 3, eerste lid en tweede lid en artikel 4, eerste lid van de Wet. Die andere geurnormen/minimale vaste afstanden staan aangegeven op de kaarten behorende bij deze geurverordening.
3. In afwijking van het eerste lid is voor het gebied van de gemeente liggende buiten de op de bij deze verordening behorende kaarten aangewezen gebieden de
geurnorm 14 Odourunits/ m3.

Voetnoten

1.Die normen zijn opgenomen in de leaflet “Vleeskuikens Traditionele huisvesting” van het Klimaatplatform Pluimveehouderij (versie 2015) en de leaflet “Vleeskuikens met (overdekte) uitloop” van het Klimaatplatform Pluimveehouderij.
2.Het college verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1741) en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 februari 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:968).
3.Zie de eerdergenoemde uitspraak van 22 juli 2020 en de uitspraak van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3101).