ECLI:NL:RBNNE:2025:5185

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
LEE 24/1788, LEE 24/1827 en LEE 24/1829
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluiten van het Uwv inzake WW-uitkering en maatregel

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 27 november 2025, zijn de beroepen van eiser tegen besluiten van het Uwv over zijn WW-uitkering en de opgelegde maatregel aan de orde. Eiser was werkzaam via een oproepcontract en heeft op 3 oktober 2023 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend, waarbij hij stelde dat zijn werkloosheid op 27 februari 2023 was ingetreden. Het Uwv heeft echter de eerste werkloosheidsdag vastgesteld op 24 april 2023, wat leidde tot een WW-uitkering die per 24 augustus 2023 werd beëindigd. Eiser was het niet eens met deze besluiten en voerde verschillende beroepsgronden aan, waaronder de onjuistheid van de vastgestelde eerste werkloosheidsdag en de hoogte van de WW-uitkering. De rechtbank oordeelde dat het Uwv de besluiten op juiste wijze had genomen en dat eiser geen gelijk kreeg. Wel werd bepaald dat het Uwv het griffierecht en reiskosten van eiser moest vergoeden, omdat het Uwv op de zitting pas een nadere motivering had gegeven over de fictieve opzegtermijn. De rechtbank concludeerde dat de beroepen ongegrond waren en dat de bestreden besluiten in stand bleven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/1788, LEE 24/1827 en LEE 24/1829

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2025 in de zaken tussen

[naam 1 uit woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam 2] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. L. van Straaten).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over besluiten van het Uwv over de eerste werkloosheidsdag en de ingangsdatum van eisers WW [1] -uitkering, de duur van de WW-uitkering en het arbeidsverleden, de vaststelling van het dagloon, de inkomstenverrekening met de WW-uitkering en het opleggen van een maatregel. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv juiste besluiten op het bezwaar heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Wel krijgt hij een vergoeding voor zijn reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep en een vergoeding voor het betaalde griffierecht, omdat het Uwv pas op de zitting een nadere motivering heeft gegeven over de fictieve opzegtermijn en inhoudelijk heeft gereageerd op de bezwaren over de incidentele inkomstenvermindering.

Procesverloop

1. Met in totaal tien besluiten van 30 oktober, 2, 3 en 6 november 2023 heeft het Uwv beslissingen genomen over de WW-uitkering van eiser.
1.1.
Met de bestreden besluiten van 7 maart 2024 (bestreden besluiten 1 tot en met 3) op de bezwaren van eiser is het Uwv bij deze besluiten gebleven.
1.2.
Eiser heeft afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 juli 2025 samen op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen de aan eiser voor de duur van twee maanden opgelegde maatregel opnieuw te beoordelen. Bij brief van 29 augustus 2025 heeft het Uwv dat gedaan, waarop (de gemachtigde van) eiser bij brief van 2 oktober 2025 heeft gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een nadere zitting gevraagd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser was vanaf 10 mei 2022 via [bedrijf 4] werkzaam bij [bedrijf 1] op basis van een oproepcontract. Deze werkgever deed loonaangifte per maand. Op 27 februari 2023 is de dienstbetrekking van eiser beëindigd omdat er geen oproepwerk meer beschikbaar was. Hij heeft op 3 oktober 2023 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend bij het Uwv. Daarbij heeft eiser vermeld dat de werkloosheid is ingetreden op 27 februari 2023. Hij heeft als reden voor de late aanvraag aangegeven dat hij tot en met september 2023 een lening had waar hij van kon leven. Naar aanleiding van de WW-aanvraag heeft het Uwv aanvullende informatie bij eiser opgevraagd. Op 30 oktober 2023 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen eiser en een uitkeringsdeskundige van het Uwv.
2.1.
Met besluit 1 heeft het Uwv eiser per 24 april 2023 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een dagloon van € 56,37 en een maandloon van € 1.226,05. Daarbij is uitgegaan van een referteperiode die loopt van 1 maart 2022 tot en met 28 februari 2023 en een SV-loon van in totaal € 12.260,85. In dit besluit heeft het Uwv de WW-uitkering van eiser vanaf 1 mei 2023 verlaagd met 20% voor de duur van twee maanden, omdat hij de WW-aanvraag te laat heeft ingediend en is verder aan eiser geen toeslag toegekend.
2.2.
Met besluit 2 heeft het Uwv de WW-uitkering van eiser per 24 augustus 2023 beëindigd op de grond dat de maximale duur is verstreken. Met de besluiten 3 en 4 heeft het Uwv hem een betaalspecificatie gestuurd van de WW-uitkering die ziet op de periode vanaf
24 april 2023 tot en met 23 augustus 2023 en de vakantietoeslag over de periode van
1 mei 2023 tot en met 31 augustus 2023.
2.3.
Met besluit 5 heeft het Uwv de hoogte van de WW-uitkering van eiser vanaf
24 april 2023 vastgesteld op € 1.264,33. Met besluit 6 heeft het Uwv de hoogte van de WW-uitkering over mei 2023 vastgesteld op € 1.226,05. Met besluit 7 heeft het Uwv de hoogte van de WW-uitkering over juni 2023 vastgesteld op € 988,21. Met besluit 8 heeft het Uwv de hoogte van de WW-uitkering over juli 2023 vastgesteld op € 1.226,05. Met besluit 9 heeft het Uwv de hoogte van de WW-uitkering over augustus 2023 vastgesteld op € 281,85. Ten slotte heeft het Uwv met besluit 10 het verzoek van eiser om gegevens van zijn arbeidsverleden over het jaar 2018 dat hij heeft gewerkt bij [bedrijf 2] te wijzigen, afgewezen.
2.4.
Met bestreden besluit 1 heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen besluit
1. ongegrond verklaard (zaak LEE 24/1788). Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen de besluiten 2 en 10 ongegrond verklaard (zaak LEE 24/1827). Met bestreden besluit 3 heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen de besluiten 3, 4 en 5 tot en met 9 ongegrond verklaard (zaak LEE 24/1829).
Standpunt van eiser
3. Eiser voert aan dat de eerste dag van werkloosheid 8 mei 2023 is en niet 24 april 2023. Het Uwv had rekening moeten houden met de fictieve opzegtermijn van vier dagen en van zeven dagen loonbetaling vanwege ziekte en/of verlof. Eiser heeft vijf maanden recht op een WW-uitkering in plaats van vier maanden. Verder zou het jaar 2018 mee moeten tellen bij zijn arbeidsverleden, omdat uit het cumulatieve loonstrookje over 2018 blijkt dat eiser over 235 uren loon heeft ontvangen en hij voldoet aan de eis van 203 SV [2] -uren. Daarnaast is zijn verzoek om zijn arbeidsverleden te corrigeren ten onrechte door het Uwv afgewezen. Ook had het Uwv zijn WW-uitkering niet mogen beëindigen per 24 augustus 2023. Verder is het dagloon van de WW-uitkering niet juist berekend en daardoor niet representatief voor wat hij gewend was te verdienen. Hij wijst er in dit verband op dat bij de berekening van het WW-dagloon de indexering en de leeftijdsverhoging niet zijn toegepast. Tot slot is de inkomstenverrekening met zijn WW-uitkering niet juist uitgevoerd.
Standpunt van het Uwv
3.1.
Het Uwv stelt dat het jaar 2018 niet meetelt bij de bepaling van het arbeidsverleden en de duur van de aan eiser toegekende WW-uitkering. Het is niet representatief om het SV-loon te delen door het uurloon, omdat hierin ook een ‘zondagstoeslag’ van 100% en een ‘zondagstoeslag’ van 75% zijn opgenomen. De toeslag op gewerkte uren in het weekend en de uren gewerkt op feestdagen is een uitbetaling van extra (uur)loon en leidt niet tot meer gewerkte of verloonde uren. Er is terecht uitgegaan van 183 verloonde SV-uren in 2018 en de duur van de WW-uitkering voor vier maanden is juist. Het Uwv stelt dat het correctieverzoek op het arbeidsverleden daarom terecht is afgewezen en dat de WW-uitkering op juiste gronden is beëindigd per 24 augustus 2023. Daarnaast is de eerste dag van werkloosheid terecht vastgesteld op 24 april 2023; ook het vastgestelde dag- en maandloon van de WW-uitkering is juist. Er zijn geen redenen om af te wijken van de geldende wet- en regelgeving en de eerste WW-dag vast te stellen op 8 mei 2023. De inkomstenverrekening met de WW-uitkering is juist uitgevoerd. Bij de berekening van de hoogte van het dagloon is rekening gehouden met de indexering en de leeftijdsverhoging.

Beoordeling door de rechtbank

4.
Tussen partijen is, zoals op de zitting is vastgesteld, niet in geschil dat eiser geen recht heeft op een toeslag. De rechtbank beoordeelt in deze zaken de juistheid van de eerste werkloosheidsdag, de ingangsdatum van eisers WW-uitkering, de duur van de WW-uitkering en het arbeidsverleden, de vaststelling van het dagloon, de inkomstenverrekening met de WW-uitkering en daarnaast de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna zullen worden besproken.
Eerste dag van werkloosheid en ingangsdatum van de WW-uitkering (zaaknummer LEE 24/1788)
5. Op grond van artikel 16a van de WW is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer arbeidsuren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 16, eerste of vierde lid, van de WW. In het eerste lid van artikel 16 van de WW is geregeld in welke gevallen de werknemer werkloos wordt.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de eerste dag van werkloosheid van eiser – en daarmee ook de ingangsdatum van de WW-uitkering – op juiste wijze heeft vastgesteld op 24 april 2023. In het bestreden besluit 1 heeft het Uwv toereikend gemotiveerd waarom 24 april 2023 de eerste dag van urenverlies is na de laatste werkdag van eiser op 21 april 2023 en dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan de wet- en regelgeving. De rechtbank volgt het Uwv in zijn standpunt dat er geen reden is om af te wijken van de wet- en regelgeving door de eerste dag van werkloosheid op 8 mei 2023 te stellen, zoals eiser wenst. De stelling van eiser dat zijn aanspraak op loon aan het einde van week 18 van het jaar 2023 is komen te vervallen en dat daarom de eerste WW-dag 8 mei 2023 moet zijn, leidt – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel. De stelling van eiser dat de fictieve opzegtermijn geldt omdat zijn ontslag niet vrijwillig is geweest en hij vanwege een stage niet meer kon werken, wordt niet gevolgd. Eiser heeft op de zitting desgevraagd niet kunnen uitleggen waarom bij het bepalen van de referteperiode rekening moet worden gehouden met een fictieve opzegtermijn van vier werkdagen en een loondoorbetaling wegens ziekte en/of verlof van zeven werkdagen. Het Uwv heeft op de zitting gesteld dat sprake was van een fase A uitzendovereenkomst met een uitzendbeding, en dat in geval van ziekte de overeenkomst van rechtswege eindigt bij het begin van de arbeidsongeschiktheid. In dit verband heeft het Uwv onweersproken aangegeven dat het niet bekend is met ziekte en/of verlof van eiser. Het Uwv heeft op de zitting wél erkend dat dit niet in het bestreden besluit 1 is vermeld. Dat besluit is daarom in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb [3] te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Van belang hierbij is dat eiser op de zitting inhoudelijk heeft kunnen reageren op het standpunt van het Uwv en dat ook heeft gedaan.
Duur van de WW-uitkering en het arbeidsverleden (zaaknummer LEE 24/1827)
6. In artikel 42, eerste lid, van de WW is bepaald dat de uitkeringsduur ten minste drie maanden is, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel wordt de uitkeringsduur verlengd, indien de werknemer aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar respectievelijk over 208 of meer uren per kalenderjaar loon te hebben ontvangen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat, zoals ook is besproken met partijen op de zitting, het Uwv in het bestreden besluit 1 heeft beslist over de duur van de WW-uitkering en daarbij inhoudelijk is ingegaan op de afwijzing van het correctieverzoek over de uitkeringsduur, terwijl dit in het bestreden besluit 2 aan de orde was. Het Uwv heeft dit op de zitting ook erkend. Dit is echter nog geen reden om het bestreden besluit 2 vanwege een motiveringsgebrek te vernietigen, omdat het Uwv in het bestreden besluit 1 namelijk wel inhoudelijk is ingegaan op het afgewezen correctieverzoek over de uitkeringsduur. Eiser heeft daartegen ook beroepsgronden gericht.
6.2.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat het Uwv de duur van zijn WW-uitkering en zijn arbeidsverleden niet juist heeft vastgesteld. Het Uwv heeft in het bestreden besluit 1 deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de in artikel 42, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW opgenomen eis dat hij in de voorafgaande periode van vijf jaar in tenminste vier kalenderjaren per jaar 208 uur of meer loon heeft ontvangen. In dit verband heeft het Uwv van belang geacht dat op het cumulatieve loonstrookje over 2018 te zien is dat in het loon ook een ‘zondagstoeslag’ van 100% en een ’zondagstoeslag’ van 75% zitten en dat hierdoor het aantal gewerkte uren niet representatief is om het SV-loon te delen door het uurloon. Daarbij is door het Uwv gesteld dat de toeslag op gewerkte uren in het weekend en uren gewerkt op feestdagen een uitbetaling is van extra (uur)loon en niet leidt tot meer gewerkte uren, en dat het alleen gaat om verloonde uren. De rechtbank volgt het Uwv hierin en in wat het daarover in het verweerschrift heeft uiteengezet. Gelet hierop heeft het Uwv, ervan uitgaande dat de eerste WW-dag 24 april 2023 is, de duur van de WW-uitkering van eiser terecht vastgesteld op vier maanden. Dit betekent dat het Uwv de uitkering van eiser ook terecht heeft beëindigd per 24 augustus 2023. In wat eiser in zijn reactie van 2 oktober 2025 heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het arbeidsjaar 2018 meetelt voor het arbeidsverleden.
6.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het Uwv in het besluit 10 en in het bestreden besluit 1 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de loonstrook over 2018 niet leidt tot een correctie van het arbeidsverleden.
Vertrouwensbeginsel
6.4.
Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, wordt overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan (het Uwv) uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv een toezegging of andere uitlating of gedraging heeft verricht waaruit hij kon afleiden dat het Uwv de op het loonstrookje 2018 vermelde uren zonder meer zou overnemen. Daarnaast heeft eiser aan het opvragen door het Uwv van het cumulatieve loonstrookje 2018 niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat het Uwv de daarop vermelde uren zou meetellen bij de duur van de WW-uitkering. Het Uwv heeft in het verweerschrift uitgelegd waarom het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Op de zitting heeft het Uwv verder gesteld dat uit een oogpunt van zorgvuldigheid het cumulatieve loonstrookje over 2018 bij eiser is opgevraagd en dat geen gerechtvaardigde vertrouwen bij hem is gewekt door het opvragen van die informatie. De rechtbank volgt het Uwv hierin. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat zijn vertrouwen is beschaamd omdat het Uwv het cumulatieve loonstrookje over 2018 niet heeft beoordeeld. Dat heeft het Uwv namelijk wél gedaan, zoals blijkt uit het besluit 10, waarin het correctieverzoek is afgewezen. Daarnaast heeft het Uwv in het bestreden besluit 1 gemotiveerd toegelicht waarom het correctieverzoek is afgewezen.
Dagloon en hoogte van de uitkering (zaaknummer LEE 24/1829)
7. Op basis van het verdiende SV-loon wordt de hoogte van het dagloon voor de WW-uitkering berekend. Hiervoor wordt gekeken naar het SV-loon dat gemiddeld in een periode van twaalf maanden is verdiend voordat de werkloosheid van de verzekerde is ingetreden. Het verdiende SV-loon in die periode van twaalf maanden, ook wel genoemd de 'referteperiode', omgerekend naar een bedrag per dag, bepaalt het WW-dagloon van de verzekerde. Daar komt bij dat het dagloon nooit hoger kan zijn dan het wettelijk (geïndexeerde) maximumdagloon.
7.1.
Het dagloon wordt berekend aan de hand van de regels in de WW en het Dagloonbesluit. [4] Van belang is onder meer artikel 5 van het Dagloonbesluit. Volgens het Dagloonbesluit geldt als hoofdregel dat het dagloon wordt bepaald aan de hand van het totaal genoten loon en eventuele uitkeringen in het refertejaar, gedeeld door 261 dagloondagen. De referteperiode [5] volgt dwingend uit artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit. De referteperiode, uitgaande van 24 april 2023 als eerste WW-dag, loopt van 1 maart 2022 tot en met 28 februari 2023. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de referteperiode had moeten beginnen op 10 mei 2022 omdat hij op die datum begonnen is bij zijn werkgever ROD-D. Hiertoe overweegt de rechtbank dat een verkorte referteperiode alleen aan de orde is als in de referteperiode, bedoeld in het eerste lid van artikel 2 van het Dagloonbesluit, geen recht op loon bestond of geen loon is genoten. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat eiser in de gehele referteperiode loon uit dienstbetrekkingen heeft ontvangen. Dat zijn gemachtigde op de zitting heeft gesteld dat eisers dienstverband is beëindigd, is onvoldoende om de verkorte referteperiode toe te passen.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB mag het Uwv in beginsel uitgaan van de gegevens van de polisadministratie, tenzij eiser aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. [6] Hij heeft dat niet aangetoond en ook niet dat sprake is van een onjuiste dagloonberekening. In de polisadministratie is vermeld dat eiser in de referteperiode loon heeft genoten uit dienstverbanden met [bedrijf 4] (€ 7.123,50), [bedrijf 1] (€ 4.521,69) en [bedrijf 3] (€ 83,08), dus in totaal € 11.728,27. Het Uwv heeft dit loon minus € 441,20 en plus € 973,78 (12.260,86) gedeeld door 261 dagloondagen [7] , met als resultaat een dagloon van
€ 56,37 per 24 april 2023 en een geïndexeerd dagloon van € 58,13 per 1 juli 2023.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de hoogte van het WW-dagloon van eiser op juiste wijze en goed gemotiveerd heeft vastgesteld. In het bestreden besluit 3 heeft het Uwv aan de hand van een berekening per maand uitgelegd op welke wijze het WW-dagloon vanaf 24 april 2023 en over de maanden mei tot en met augustus 2023 is berekend. In dit besluit heeft het Uwv een specificatie gegeven van de berekening van het dagloon per maand. De berekeningen van het dagloon die eiser in bezwaar heeft ingebracht leiden niet tot een ander oordeel. Daar komt bij dat hij op de zitting niet heeft kunnen uitleggen hoe die berekeningen zijn gedaan. De stelling van eiser dat het Uwv bij de berekening van het WW-dagloon de indexering en de leeftijdsverhoging niet heeft toegepast, wordt ook niet gevolgd. Zoals het Uwv in het verweerschrift heeft gesteld, is in bestreden besluit 1 gemotiveerd ingegaan op de toepassing van de indexering van het WW-dagloon en ook op de toepassing van de leeftijdsverhoging. [8] Het Uwv heeft in het bestreden besluit 1 aangegeven dat het dagloon op grond van artikel 1b, zevende lid, van de WW twee keer per jaar, te weten in januari en juli, wordt herzien, en dat ook is ingegaan op de dagloonverhoging die van toepassing is bij werknemers die jonger zijn dan 21 jaar. Eiser heeft op de zitting niet onderbouwd waarom de toepassing van de indexering en de leeftijdsverhoging op het
WW-dagloon niet juist is.
Betaalspecificaties van 2 november 2023 en 3 november 2023
7.4.
Uit de betaalspecificatie van 2 november 2023 blijkt dat het Uwv eiser een
WW-uitkering heeft betaald over de periode van 24 april 2023 tot en met 23 augustus 2023 en een vakantietoeslag over de periode van 1 april 2023 tot en met 30 april 2023. Uit de betaalspecificatie van 3 november 2023 blijkt dat het Uwv hem een vakantietoeslag heeft betaald over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 augustus 2023. Het gaat om een totaalbedrag van € 2.301,82. Zoals hiervoor onder 7.3 is overwogen, heeft het Uwv het dagloon van de WW-uitkering per maand juist berekend. Het totaalbedrag op de betaalspecificaties van 2 november 2023 en 3 november 2023 komt overeen met de berekening van het Uwv van het dag- en maandloon van de WW-uitkering. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat het totaalbedrag op de hiervoor genoemde betaalspecificaties niet juist is.
Inkomstenverrekening
7.5.
In artikel 47, eerste lid, van de WW is bepaald op welke wijze de hoogte van de WW-uitkering wordt berekend en dat inkomen in verband met arbeid in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. In het AIB [9] staan regels over de manier waarop inkomsten al dan niet in mindering worden gebracht op de WW-uitkering. In artikel 4:1, derde lid, van het AIB staat dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. In artikel 16 van de Wfsv [10] is bepaald wat onder loon wordt verstaan.
7.6.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het Uwv de inkomstenverrekening op zijn WW-uitkering niet juist heeft uitgevoerd. In bestreden besluit 3 heeft het Uwv uitleg gegeven over de totstandkoming van de inkomstenverrekening en heeft het per maand een uitgebreide toelichting op de gehanteerde berekening gegeven. De rechtbank volgt het Uwv in zijn standpunt dat die inkomstenverrekening op de juiste wijze en gemotiveerd is gedaan. Het Uwv is daarbij uitgegaan van de loongegevens op de polisadministratie, zoals hiervoor onder 7.2 is weergegeven. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat de inkomstenverrekening onjuist zou zijn.
Incidentele inkomstenvermindering
7.7.
Eiser heeft in de uitgebreide toelichting op de bezwaren aangevoerd dat het Uwv bij de berekening van het dagloon geen rekening heeft gehouden met incidentele inkomstenvermindering tijdens dienstbetrekking. Hij heeft daarbij verwezen naar artikel 5, vijfde lid, en artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit. De rechtbank stelt vast dat – zoals op de zitting aan de orde is gesteld – het Uwv in het bestreden besluit 2 niet op de bezwaren van eiser op dat punt is ingegaan. Het Uwv heeft hierover op de zitting gesteld dat artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit niet van toepassing is, omdat niet gebleken is dat eiser in de maand januari 2023 geen of minder loon heeft ontvangen in verband met ziekte of verlof tijdens dienstbetrekking. De rechtbank volgt het Uwv hierin. Zij voegt daaraan nog het volgende toe.
7.8.
Aan het Dagloonbesluit ligt het beginsel ten grondslag dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis. Maanden zonder loon worden bij de berekening van het WW-dagloon buiten beschouwing gelaten. Dit staat in artikel 5, vijfde lid, eerste zin, van het Dagloonbesluit. Uit die zin volgt dat in de situatie waarin de referteperiode één of meer kalendermaanden kent waarin geen loon is genoten, voor het totale aantal dagloondagen alleen de dagloondagen worden meegenomen van de kalendermaanden waarin wel loon is genoten. [11] In zijn uitspraak van 2 november 2023 [12] heeft de CRvB verwezen naar de Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit per 1 december 2016 [13] , waarin expliciet is opgenomen dat met de toevoeging van het zesde (per 1 januari 2022: vijfde) lid van artikel 5 van het Dagloonbesluit wordt gedoeld op kalendermaanden waarin in het geheel geen loon is ontvangen. Anders dan eiser stelt, is niet gebleken dat hij in de maand januari 2023 in de referteperiode incidenteel geen loon heeft ontvangen. Hoewel uit het in het bestreden besluit 1 opgenomen overzicht van verdiensten bij de werkgevers blijkt dat eiser in de maand januari 2023 bij [bedrijf 1] geen SV-loon heeft gehad, heeft hij in die maand bij [bedrijf 4] wel een SV-loon van € 448,84 ontvangen.
7.9.
Nu het Uwv pas op de zitting inhoudelijk is ingegaan op de bezwaren van eiser over de incidentele inkomstenvermindering bij dienstbetrekking, is daarmee het bestreden besluit 2 in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding ook dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met dezelfde uitkomst zijn genomen. Daarbij is van belang dat het Uwv – zoals hiervoor onder 7.7 is weergegeven – op de zitting alsnog voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit in het geval van eiser niet van toepassing is. Bovendien heeft eiser op de zitting inhoudelijk kunnen reageren op wat door het Uwv is gesteld over de incidentele inkomstenvermindering.
Maatregel van 20% voor de duur van twee maanden
7.10.
Niet in geschil is dat eiser de aanvraag om een WW-uitkering niet binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid op 23 april 2023 bij het Uwv heeft ingediend. Dit betekent dat eiser de verplichting als bedoeld in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW niet is nagekomen en tevens dat het Uwv op grond van artikel 27, derde lid, van de WW gehouden is om een maatregel op te leggen.
7.11.
In wat eiser in zijn reactie van 2 oktober 2025 over de te late WW-aanvraag heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het Uwv had moeten afzien van het opleggen van een maatregel van 20% voor de duur van twee maanden dan wel de maatregel had moeten verlagen. [14] Het beroep van eiser op verminderde verwijtbaarheid slaagt niet. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat eiser in de week na de ingang van de werkloosheid in het geheel niet in staat is geweest om tijdig een WW-uitkering aan te vragen of om telefonisch contact te (laten) opnemen met het Uwv om dit te melden. Dat eiser en zijn vader, in zijn rol als mentor voor mbo-studenten, niet op de hoogte waren van de rechten op WW bij gedeeltelijk verlies van bijbanen door een verplichte stage, maakt niet dat sprake is van verminderde ernst van verwijtbaarheid dan wel het ontbreken van verwijtbaarheid. Ook is, zoals het Uwv terecht stelt, niet gebleken dat eiser tussen de periode van het einde van zijn dienstverband (23 april 2023) en het indienen van de aanvraag om een WW-uitkering (3 oktober 2023) heeft geprobeerd informatie bij het Uwv op te vragen. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij tussen 23 april 2023 en 3 oktober 2023 telefonisch informatie bij het Uwv heeft opgevraagd, maar dit blijkt niet uit de door het Uwv overgelegde contacthistorie. Daaruit blijkt dat eiser op 6 oktober 2023 voor het eerst telefonisch contact heeft opgenomen met het Uwv. Eiser heeft een eerder al of niet telefonisch contact ook niet aannemelijk gemaakt. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat eiser tot een kwetsbare groep jongeren behoort, ontslaat hem dit nog niet van de verplichting om tijdig een WW-aanvraag in te dienen. Dat eiser de inkomsten uit een bijbaan verloor door een verplichte stage maakt dit niet anders. De stelling van eiser dat geen sprake was van opzet of kwade trouw kan hem niet baten. Het Uwv heeft hem namelijk niet tegengeworpen dat bij het te laat indienen van de WW-aanvraag sprake is geweest van opzet of kwade trouw. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het Uwv hem vooraf had moeten informeren over zijn (mogelijke) recht op WW. Het Uwv heeft in zijn reactie gesteld dat informatie over het recht op een WW-uitkering te vinden is op de website van het Uwv. Eiser heeft dit niet weersproken.
7.12.
Het beroep van eiser op het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel, slaagt niet. Het Uwv heeft met de Beleidsregel op juiste wijze uitvoering gegeven aan de WW en het Maatregelenbesluit. [15] Het op tijd aanvragen van een WW-uitkering is een termijngebonden verplichting waarbij het Uwv op grond van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregel niet kan afzien van het opleggen van een maatregel als de termijnoverschrijding groter is dan 14 kalenderdagen. Nu eiser zijn aanvraag 155 dagen en dus meer dan 14 kalenderdagen te laat heeft gedaan, heeft het Uwv terecht een maatregel van 20% voor de duur van twee maanden opgelegd [16] en is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De door eiser genoemde bijzondere omstandigheden en de vergelijking met kwetsbare jongeren zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om eiser in afwijking van de wettelijke regels een WW-uitkering toe te kennen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het Uwv een eigen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de late WW-aanvraag. Het is eiser zelf geweest die de aanvraag om een WW-uitkering te laat bij het Uwv heeft gedaan. Anders dan eiser stelt, hoefde het Uwv, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet te volstaan met het geven van een waarschuwing in plaats van het opleggen van een maatregel.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de rechtbank bepalen dat het Uwv eiser het door hem betaalde griffierecht in de zaken LEE 24/1788 en LEE 24/1829 moet vergoeden. Ook moet het Uwv de gemachtigde van eiser een proceskostenvergoeding betalen in verband met gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 13,55 voor openbaar vervoer, tweede klas. [17] Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 102,- (2 x € 51,-) aan eiser vergoedt;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 13,55.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkloosheidswet.
2.Loon sociale verzekeringen.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.
5.Dit is de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.
6.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961.
7.De formule voor het berekenen van het dagloon van de WW uitkering is: (A - B + C) / D.
8.Het Uwv heeft hiervoor verwezen naar artikel 24 van het Dagloonbesluit.
9.Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.
10.Wet financiering sociale verzekeringen.
11.Zie de uitspraak van de Raad van 9 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:67.
13.Stb. 2016, 390.
14.Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel maatregelen Uwv (Beleidsregel).
15.Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
16.Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel.
17.Dit staat in artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), samen met artikel 2, eerste lid, onder d, van het Bpb in combinatie met artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken.