ECLI:NL:CRVB:2022:961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Correcte vaststelling WIA-dagloon en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit
Appellant meldde zich in oktober 2013 ziek met psychische klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na diverse besluiten en bezwaren stelde het UWV per 2 januari 2018 een IVA-uitkering toe. Appellant betwistte de vaststelling van het dagloon, met name de uitsluiting van een bovenwettelijke uitkering bij de berekening.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht uitgaat van de polisadministratie voor de dagloonvaststelling en dat de bovenwettelijke uitkering geen loon uit tegenwoordige arbeid is, maar uit een vroegere dienstbetrekking, en dus buiten de dagloonberekening blijft. Het beroep op onjuiste dagloonberekening wordt verworpen.
Verder is vastgesteld dat het besluit van 14 februari 2019 onrechtmatig was, waardoor appellant recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer door langdurige onzekerheid en financieel nadeel. Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
De Raad vernietigt het eerdere vonnis en het besluit van 14 februari 2019, verklaart het beroep tegen het latere besluit ongegrond en wijst het hoger beroep deels toe.
Uitkomst: De Raad vernietigt het eerdere besluit, bevestigt de juiste dagloonberekening en kent een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe.