Eiseres kreeg een last onder dwangsom opgelegd voor het verwijderen van voorzieningen ten behoeve van paardenhouderij op haar woonperceel, waaronder een paardenbak, paddocks, lichtmasten en mestplaat. Het college stelde dat maximaal vier paarden binnen de woonbestemming passen, maar dat de voorzieningen die na 2013 waren aangebracht verwijderd moesten worden. Eiser, de buurman, was het niet eens met deze wijziging en vond dat helemaal geen paarden gehouden mochten worden.
De rechtbank oordeelde dat het houden van maximaal vier paarden passend is binnen de woonbestemming gezien de omvang van de percelen en de agrarische omgeving. De beleidsnota waar eiser naar verwees was niet van toepassing op dit perceel. Verder werd vastgesteld dat er geen sprake was van een bedrijfsmatige paardenhouderij ten tijde van het besluit.
Belangrijk was dat het college een toezegging had gedaan in een brief van maart 2022 dat de paardenbak in de staat van 2013 mocht blijven bestaan. De rechtbank kwalificeerde deze brief als een toezegging die aan het college is toe te rekenen en die nagekomen moet worden. Daarom werd het beroep van eiseres gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de last bleven deels in stand voor de andere voorzieningen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.