ECLI:NL:RBNNE:2025:5517

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11813062 AR VERZ 25-63
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670b lid 2 BWArt. 7:673 lid 4 sub b BWArt. 7:638 lid 8 BWArt. 7:634 lid 1 BWArt. 7:669 lid 1 en lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werknemer niet gebonden aan beëindigingsovereenkomst bij opvolgend werkgeverschap, recht op transitievergoeding en vakantiedagen

De werknemer was sinds 2007 in dienst bij een bedrijf en verrichtte vanaf 2019 werkzaamheden voor een andere werkgever die de orderportefeuille had overgenomen. Er is geen nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. De werknemer was sinds november 2021 arbeidsongeschikt en ontving vanaf november 2023 een WIA-uitkering.

Partijen sloten een concept-vaststellingsovereenkomst met voorwaarden waaronder de werknemer ziek uit dienst zou gaan en een arbeidsovereenkomst zou ondertekenen. De werknemer tekende de definitieve overeenkomst in december 2024, maar riep direct de wettelijke bedenktermijn in. De werkgever stelde dat de overeenkomst al eerder tot stand was gekomen, maar de kantonrechter oordeelde dat de voorwaarden opschortend waren en de overeenkomst pas in november 2024 tot stand kwam, waardoor de ontbinding tijdig was.

Verder oordeelde de kantonrechter dat sprake is van opvolgend werkgeverschap, omdat de werknemer dezelfde werkzaamheden verrichtte bij de nieuwe werkgever, dezelfde leidinggevende volgde en de bedrijfsbussen werden overgenomen. Hierdoor moet de transitievergoeding worden berekend vanaf 2007 in plaats van 2019.

De werknemer vorderde ook betaling van niet-genoten vakantiedagen tot het einde van de wachttijd en daarna. De kantonrechter wees betaling van vakantiedagen tot einde wachttijd toe, maar niet voor de periode daarna vanwege het slapend dienstverband zonder recht op loon. Daarnaast werd een deel vakantietoeslag en een wettelijke verhoging van 10% toegewezen. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Werknemer krijgt transitievergoeding van €22.737,36, betaling van niet-genoten vakantiedagen en vakantietoeslag; beëindigingsovereenkomst is tijdig ontbonden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rolnummer: 11813062 AR VERZ 25-63
beschikking d.d. 19 december 2025
inzake
[verzoeker], te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. N. Huberts,
tegen
[verweerder] B.V., te [vestigingsplaats] , verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. L. Laken-Steehouwer.
Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerder] worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift
  • het verweerschrift
  • aanvullende producties aan de zijde van [verzoeker]
  • de mondelinge behandeling van 15 september 2025 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
  • de pleitnota van [verzoeker] tevens vermeerdering van eis
  • de pleitnota van [verweerder]
  • akte uitlating na mondelinge behandeling van [verweerder] van 30 september 2025
  • [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld om zich op 23 oktober 2025 zich over de akte van [verweerder] uit te laten. Zij heeft echter bij brief kenbaar gemaakt dat zij hiervan afziet.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1. [
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1962, is vanaf 1 oktober 2007 voor onbepaalde tijd krachtens arbeidsovereenkomst in dienst geweest bij [bedrijf] B.V.. De functie die [verzoeker] vervulde was die van installatiemonteur. De werkzaamheden werden op locaties bij derden uitgevoerd.
2.2.
Per 1 september 2019 heeft [verweerder] de orderportefeuille van [bedrijf] B.V. overgenomen en per die datum is [verzoeker] 38 uren per week werkzaamheden gaan verrichten voor [verweerder] . Er is geen nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. [verzoeker] verdiende laatstelijk 3.592,00 bruto per maand.
2.3. [
[verzoeker] is sinds 8 november 2021 arbeidsongeschikt.
2.4.
Vanaf 6 november 2023 ontvangt [verzoeker] een WIA-uitkering.
2.5.
Bij e-mail van 28 juni 2024 heeft de gemachtigde van [verweerder] een concept- vaststellingsovereenkomst toegezonden aan de gemachtigde van [verzoeker] . Bij de berekening van de transitievergoeding is in deze vaststellingsovereenkomst uitgegaan van de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst per 1 september 2019, de datum dat [verzoeker] werkzaamheden voor [verweerder] is gaan verrichten.
2.6.
In deze e-mail van 28 juni 2024 staat onder meer het volgende geschreven:
“Het aanbod in bijgaand VSO wordt gedaan onder de volgende twee voorwaarden:
Voordat overeenstemming kan worden bereikt, dient vast te staan dat uw cliënt ziek uit dienst zal gaan per 1 augustus 2024 (de voorgestelde einddatum).
Voordat overeenstemming kan worden bereikt, dient eerst een schriftelijke arbeidsovereenkomst te worden getekend door uw cliënt.
Indien cliënte immers niet kan aantonen aan het UWV dat uw cliënt ziek uit dienst gaat en/of indien zij geen kopie van de arbeidsovereenkomst kan overleggen, zal cliënte niet in aanmerking komen voor compensatie door het UWV van de transitievergoeding.
Graag verneem ik van u of uw cliënt akkoord is met de inhoud van de concept VSO, waarna hij zal worden opgeroepen op het spreekuur bij de bedrijfsarts en ik u een door uw cliënt te tekenen arbeidsovereenkomst zal doen toekomen. Niet eerder dan dat voldaan is aan de twee voorwaarden zal overeenstemming kunnen worden bereikt tussen partijen over de beëindigingsvoorwaarden.”
2.7.
Op 2 juli 2024 heeft de gemachtigde van [verzoeker] aangegeven akkoord te gaan met de regeling onder voorbehoud van de genoemde voorwaarden. In deze e-mail staat:
“Cliënt isakkoordop de voorgestelde regeling en wacht een oproeping van de arts af.
Wilt u de (definitieve) vaststellingsovereenkomst en de arbeidsovereenkomst hetzij aan cliënt rechtstreeks per post toezenden, hetzij aan mij via de mail zodat ik deze door kan zenden? Dan kunnen beide documenten tegelijk getekend en geretourneerd worden.”
2.8.
Op 4 juli 2024 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [verzoeker] geschreven dat zij de definitieve VSO en de nog te tekenen arbeidsovereenkomst aan [verzoeker] zal doen toekomen zodra zij de terugkoppeling van de bedrijfsarts heeft ontvangen en vast staat dat [verzoeker] ziek uit dienst gaat.
2.9.
Op 30 augustus 2024 heeft de gemachtigde van [verweerder] [verzoeker] bericht dat door een wijziging van bedrijfsarts het nog niet gelukt is om een afspraak te maken voor [verzoeker] .
2.10.
Op 30 september 2024 heeft de nieuwe gemachtigde van [verzoeker] (een collega van zijn oude gemachtigde) aan [verweerder] bericht dat sprake is van opvolgend werkgeverschap en dat [verzoeker] zich bedacht heeft en aanspraak maakt op een hogere transitievergoeding dan in de concept-vaststellingsovereenkomst staat. Zij heeft verzocht om een aangepaste vaststellingsovereenkomst met daarin de aangepaste en juiste transitievergoeding.
2.11.
Op 1 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [verweerder] hierop gereageerd met de mededeling dat zij vasthoudt aan de gemaakte afspraken in de concept-beëindigingsovereenkomst en dat zij niet bereid is deze aan te passen.
2.12.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft hierop geantwoord dat voor zover al sprake is geweest van overeenstemming, de voorwaarden nog niet zijn vervuld en het niet opportuun is [verzoeker] aan de overeenstemming te houden, wanneer van te voren al duidelijk is dat [verzoeker] de bedenktermijn inroept, aangezien hij zich heeft bedacht.
2.13.
Bij e-mail van 10 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [verzoeker] aangegeven dat indien [verweerder] de definitieve vaststellingsovereenkomst aan [verzoeker] zal toezenden hij deze zal ondertekenen maar daarna direct de bedenktermijn zal inroepen omdat hij zich heeft bedacht.
2.14.
Op 18 oktober 2024 heeft [verzoeker] een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst ondertekend.
Op 18 november 2024 heeft de bedrijfsarts een huisbezoek afgelegd bij [verzoeker] . Bij brief van 26 november 2024 heeft de bedrijfsarts schriftelijk aan [verweerder] kenbaar gemaakt dat hij van oordeel is dat er geen verbetering in de gezondheidssituatie van [verzoeker] werd verwacht gedurende de komende 26 weken na 18 november 2024.
2.16. [
[verweerder] heeft op 26 november 2024 dit oordeel van de bedrijfsarts aan [verzoeker] doorgezonden.
2.17.
Op 4 december 2024 heeft [verzoeker] de definitieve versie van de vaststellingsovereenkomst ondertekend. In deze vaststellingsovereenkomst is als einddatum van de arbeidsovereenkomst 1 december 2024 genoemd. Deze overeenkomst heeft [verzoeker] op 5 december 2024 teruggezonden naar [verweerder] met de verklaring erbij dat hij direct de bedenktermijn inroept. In deze e-mail staat het volgende:

Cliënt roept gelijktijdig de bedenktermijn in (zoals reeds aangegeven)" ()
“Nu de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden door het inroepen van de bedenktermijn binnen 14 dagen na ondertekening, verwijs ik u nogmaals naar mijn eerdere mails over de hoogte van de transitievergoeding in verband met opvolgend werkgeverschap.”
2.18.
De gemachtigde van [verweerder] heeft zich bij e-mail van 10 december 2024 op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet binnen 14 dagen na de datum waarop de
beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen heeft ontbonden omdat naar haar mening op 2 juli 2024 al overeenstemming is bereikt tussen partijen. Zij schrijft daartoe in haar e-mail:
“Er was al op 2 juli 2024 overeenstemming bereikt over de voorwaarden waaronder het dienstverband van uw cliënt zou eindigen en in verband daarmee is uw cliënt op 18 november 2024 gezien door de bedrijfsarts die (die dag) heeft vastgesteld dat uw cliënt niet zal herstellen binnen 26 weken. Doordat op 18 november 2024 voldaan is aan de laatste voorwaarde, heeft 18 november 2024 te gelden als de datum waarop de beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. Dat de VSO pas later is getekend, doet daar niets aan af.”
2.19.
De gemachtigde van [verweerder] heeft dezelfde dag aan [verzoeker] bericht dat [verweerder] de ingeroepen ontbinding van de vaststellingsovereenkomst niet accepteert.
2.20. [
[verweerder] heeft op 10 december 2024 een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De ontslagvergunning is door [verweerder] verkregen.
2.21.
Bij brief van 20 januari 2025 aan [verzoeker] heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] opgezegd voor zover rechtens nog vereist tegen 30 april 2025.

3.Het geschil

3.1. [
[verzoeker] verzoekt (na eiswijziging), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking [verweerder] te veroordelen:
I. tot betaling van de transitievergoeding van primair 22.737,36 bruto, subsidiair een bedrag van 7.331,22 bruto;
II. tot betaling van de niet genoten vakantiedagen, zijnde 811 uur + 283,5 zijnde 25.813,94 bruto, dan wel 261,42 + 283,50 uur zijnde 12.837,72 bruto vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50 %;
III. tot betaling van de vakantietoeslag zijnde 1.034,48 bruto vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50 %;
IV. de bedragen genoemd onder punt I en II te vermeerderen met de wettelijke rente van de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
V. [verweerder] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] daaronder begrepen.
3.2. [
[verweerder] heeft verweer gevoerd en heeft primair verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in al zijn verzoeken en vorderingen, dan wel hem deze allen te ontzeggen. Subsidiair heeft [verweerder] verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in al zijn verzoeken en vorderingen, dan wel hem deze allen te ontzeggen, voor zover de door [verzoeker] verzochte/gevorderde bedragen meer bedragen dan de door [verweerder] berekende bedragen in randnummer 45, 46 en 50 in het verweerschrift.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak onder meer om de vraag hoe hoog de transitievergoeding dient te zijn die [verweerder] aan [verzoeker] dient te betalen. Voor beantwoording van die vraag dient allereerst beoordeeld te worden of [verzoeker] gebonden is aan de afspraken zoals deze zijn vastgelegd in de beëindigingsovereenkomst die partijen hebben gesloten.
[verzoeker] is niet gebonden aan de beëindigingsovereenkomst
4.2.
Partijen verschillen van mening of [verzoeker] tijdig de vaststellingsovereenkomst heeft ontbonden, zoals bedoeld in artikel 7:670b lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.3.
In artikel 7:670b lid 2 BW is bepaald dat, indien de arbeidsovereenkomst door middel van een schriftelijke overeenkomst wordt beëindigd, de werknemer het recht heeft om deze overeenkomst zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, te ontbinden door een schriftelijke aan de werkgever gerichte verklaring.
4.4.
De verklaring heeft het gewenste rechtsgevolg alleen als deze door de werkgever binnen de bedenktermijn is ontvangen. Volgens de wetsgeschiedenis is gekozen voor een bedenktermijn om de werknemer een extra bescherming te bieden in verband met het grote belang voor de werknemer bij een arbeidsovereenkomst en gelet op het aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginsel van de ongelijkheidscompensatie.1
4.5. [
[verzoeker] stelt dat hij de definitieve beëindigingsovereenkomst op 4 december 2024 heeft ondertekend en vervolgens op 5 december 2024 rechtsgeldig heeft ontbonden omdat hij tijdig een beroep heeft gedaan op de wettelijke bedenktermijn. [verzoeker] is om die reden van mening dat er geen sprake meer is van een geldige beëindigingsovereenkomst en dat [verweerder] hierop daarom geen beroep meer kan doen. [verzoeker] stelt voorts dat bij deze beëindigingsovereenkomst een lagere transitievergoeding is opgenomen dan waar hij recht op heeft aangezien bij de berekening van de transitievergoeding geen rekening is gehouden met opvolgend werkgeverschap. Voor de duur van zijn dienstverband moet volgens [verzoeker] namelijk rekening worden gehouden met de start van het dienstverband bij [bedrijf] B.V. omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Dit betekent dat bij de berekening van de transitievergoeding de ingangsdatum van 1 oktober 2007 dient te worden gehanteerd in plaats van 1 september 2019, aldus [verzoeker] . Op grond daarvan maakt [verzoeker] aanspraak op een transitievergoeding van 22.737,36
4.6. [
[verweerder] heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt zich op het standpunt dat op 2 juli 2024 partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder de
arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen. De twee voorwaarden waaronder de beëindigingsovereenkomst is gesloten, zijnde dat vast moest komen te staan dat [verzoeker] ziek uit dienst zou gaan en dat hij alsnog een arbeidsovereenkomst zou ondertekenen, betreffen naar de mening van [verweerder] ontbindende voorwaarden. Bij e-mail van 2 juli 2024 is [verzoeker] akkoord gegaan met deze voorwaarden. De beëindigingsovereenkomst is volgens [verweerder] daarom op 2 juli 2024 tot stand gekomen en de bedenkermijn is daarom op 16 juli 2024 verstreken. De ontbinding van [verzoeker] op 5 december 2024 kwam daarmee volgens [verweerder] te laat. Indien de twee extra voorwaarden worden gekwalificeerd als opschortende voorwaarden dan is [verweerder] van mening dat met de bedrijfsartsbeoordeling op 18 november 2024 de laatste opschortende voorwaarde is vervuld. Op het moment dat de laatste voorwaarde is vervuld is het moment van de totstandkoming van de beëindigingovereenkomst, zijnde 18 november 2024. [verzoeker] had in dat geval tot en met 2 december 2024 de tijd om de beëindigingsovereenkomst te ontbinden. Ook in dat geval heeft [verzoeker] naar mening van [verweerder] derhalve te laat de beëindigingsovereenkomst ontbonden. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] daarom is gebonden aan de afspraken die zijn gemaakt in die beëindigingsovereenkomst onder meer inhoudende dat van een aanvang van het dienstverband op 1 september 2019 dient te worden uitgegaan en derhalve van een transitievergoeding ter hoogte van 5.405,70.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst onder opschortende voorwaarden tot stand is gekomen. Uit de e-mail die onder randnummer 2.6 is opgenomen mocht [verzoeker] er vanuit gaan en er gerechtvaardigd op vertrouwen dat pas indien deze twee voorwaarden waren vervuld de beëindigingsovereenkomst tot stand zou komen en dat derhalve dan pas de bedenktermijn van 14 dagen zou gaan lopen.
4.8.
Uit de overgelegde stukken blijkt vervolgens voldoende duidelijk dat [verzoeker] ruim voordat de voorwaarden waren ingetreden, namelijk op 30 september 2024, schriftelijk aan [verweerder] heeft aangegeven dat hij zich heeft bedacht en dat hij niet langer akkoord gaat met de afspraken uit de concept beëindigingsovereenkomst omdat hij van mening is dat sprake is van opvolgend werkgeverschap en hier geen rekening mee is gehouden in de overeenkomst. Hij heeft vervolgens toen [verweerder] aangaf hem aan de beëindigingsovereenkomst te houden aangegeven dat hij zijn medewerking zal verlenen aan een onderzoek van de bedrijfsarts en dat hij ook de definitieve beëindigingsovereenkomst zal ondertekenen maar daarna direct de ontbinding van de overeenkomst zal inroepen. Op 18 november 2024 is de bedrijfsarts bij [verzoeker] op huisbezoek geweest voor een zogenaamde 26-weken prognose. Bij brief van 26 november 2024 heeft de bedrijfsarts aan [verweerder] bericht dat hij van oordeel is dat er geen verbetering in de gezondheidssituatie te verwachten is de komende 26 weken. De kantonrechter is van oordeel omdat op dat moment de laatste opschortende voorwaarde is vervuld, de beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen en de bedenktermijn van 14 dagen is gaan lopen. De stelling van [verweerder] dat laatste voorwaarde op 18 november 2024 is vervuld omdat de bedrijfsarts toen het huisbezoek had afgelegd en aan [verzoeker] had verteld dat er geen verbetering in de gezondheidssituatie te verwachten is de komende 26 weken volgt de kantonrechter niet. Daarbij is van belang dat [verweerder] de voorwaarde van een keuring door de arts had gesteld omdat zij aan het UWV diende aan te tonen dat [verzoeker] ziek uit dienst zou gaan. Aan die voorwaarde is pas voldaan met de brief van de bedrijfsarts. De voorwaarde was dus op 26 november 2024 vervuld.
4.9.
Vaststaat verder dat [verweerder] middels haar gemachtigde op 5 december 2024 schriftelijk een beroep heeft gedaan op het recht om de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. Gelet op het bovenstaande luidt de conclusie dat hij dit recht binnen veertien dagen na de totstandkoming van die overeenkomst heeft ingeroepen. De vaststellingsovereenkomst is dan ook tijdig ontbonden. [verzoeker] is derhalve niet gebonden aan de beëindigingsovereenkomst en aan de afspraken die daarin zijn gemaakt. Het verweer van [verweerder] dat zij de transitievergoeding verschuldigd is op grond van deze overeenkomst zal derhalve worden verworpen.
Er is sprake van opvolgend werkgeverschap
4.10.
Voorts twisten partijen over de vraag of bij de berekening van de transitievergoeding de arbeidsperiode bij [bedrijf] B.V. moet worden meegenomen.
4.11.
Volgens [verzoeker] dient bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding conform artikel 7:673 lid 4 sub b BW Pro ook het voorgaande dienstverband bij [bedrijf] B.V. te worden meegenomen omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap. [verzoeker] stelt daartoe dat heer [leidinggevende en eigenaar van bedrijf] B.V., hierna [leidinggevende en eigenaar van bedrijf] te noemen), hem heeft gevraagd om per 1 september 2019 dezelfde werkzaamheden die hij bij [bedrijf]
B.V. verrichtte bij [verweerder] wilde gaan verrichten. [leidinggevende en eigenaar van bedrijf] heeft hem daarbij medegedeeld dat hij over zou gaan naar [verweerder] . Er is nimmer een arbeidsovereenkomst getekend of een sollicitatie verricht. Nu ook zijn leidinggevende [leidinggevende en eigenaar van bedrijf] is overgegaan naar [verweerder] en ook daar leiding gaf aan [verzoeker] is sprake van onafgebroken gezagsverhouding. [verzoeker] stelt dat er daarom sprake is van opvolgend werkgeverschap.
4.12. [
[verweerder] heeft verweer gevoerd en betwist dat sprake is van opvolgend dienstverband. Zij voert aan dat [verweerder] een personeelsdetacheringsbedrijf is met een geheel andere bedrijfsvoering dan [bedrijf] B.V.. Er heeft tussen [bedrijf] B.V. en [verweerder] geen overdracht plaatsgevonden van materiële activa of andere ondernemingscomponenten die duiden op voortzetting van dezelfde onderneming. Zij voert voorts aan dat [bedrijf] B.V. ook nog bestaat.
4.13.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel 7:673 lid 4 aanhef Pro en onder b BW is bepaald dat voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, worden samengeteld. Ook is daarin bepaald dat deze zin eveneens van toepassing is als de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolgers te zijn.
4.14.
Als sprake is van opvolgend werkgeverschap worden dus alle maanden van het voorgaande dienstverband bij de vorige werkgever meegeteld bij het berekenen van de duur van het dienstverband. Hierbij is niet langer vereist dat sprake is van inzicht in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer door de opvolgend werkgever “het zodanige bandencriterium”. Voldoende is dat de opvolgend werkgever ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs moet worden geacht opvolger te zijn. De bedoeling van de wet is dat werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid als elkaars opvolger moeten worden gezien, als de werknemer bij de opvolgende werkgever dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden verricht.2
4.15.
Uit de wetsgeschiedenis volgt verder dat alleen is beoogd om opvolgend werkgeverschap aan te nemen als de aanleiding voor het overgaan naar een nieuwe werkgever is gelegen bij de werkgever. Dat doet zich voor als de overgang van de ene naar de andere werkgever het gevolg is van een situatie die voortvloeit uit het handelen van één of beide werkgevers, of als de aanleiding voor de overgang van de ene naar de andere werkgever is ingegeven door een organisatorische of andere wijziging die zich bij een van de werkgevers voordeed. Daarbij is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat het gaat om de specifieke situatie waarin voorop staat dat het werk overgaat naar een andere werkgever en de werknemer het werk volgt, waarbij als voorbeeld is genoemd het geval waarin een werknemer eerst als uitzendkracht voor een inlener werkt, om vervolgens bij de inlener in dienst te treden.3 Van opvolgend werkgeverschap is geen sprake als de werknemer op eigen initiatief dezelfde arbeid bij een nieuwe werkgever gaat verrichten, omdat de aanleiding voor het overgaan naar een nieuwe werkgever dan niet is gelegen bij een van de werkgevers.
4.16.
Ter zitting is niet weersproken dat [verzoeker] door [leidinggevende en eigenaar van bedrijf] is gevraagd om te gaan werken bij [verweerder] omdat deze de onderhoudscontracten van [bedrijf] B.V. zou overnemen. [verweerder] heeft erkend dat zij een gesprek met [verzoeker] heeft gehad om te
kijken of hij binnen het bedrijf paste. Het initiatief tot de overstap van [bedrijf] B.V. naar [verweerder] lag derhalve niet bij [verzoeker] . Voorts is ter zitting vast komen te staan dat [verweerder] in ieder geval 300 onderhoudscontracten van [bedrijf] B.V. heeft overgenomen in de zomer van 2019. Verder is de kantonrechter van oordeel dat als onvoldoende weersproken vaststaat dat [verzoeker] sinds 1 september 2019 bij [verweerder] dezelfde functie als installatiemonteur heeft uitgevoerd. Uit de door [verzoeker] overgelegde weekstaten blijkt voorts dat [verzoeker] voor [verweerder] monteurswerkzaamheden heeft verricht voor klanten die voorheen klant waren bij [bedrijf] B.V.. Dat dit andere projecten waren bij die klanten en niet voortgezette projecten van [bedrijf] B.V. doet hier niet aan af nu voldoende vast is komen te staan dat de aard van de werkzaamheden hetzelfde zijn, namelijk monteurswerkzaamheden en dat hij derhalve (nagenoeg) dezelfde werkzaamheden verrichtte. Daarnaast staat vast dat [leidinggevende en eigenaar van bedrijf] , oud - leidinggevende van [verzoeker] bij [bedrijf] B.V., ook bij [verweerder] in dienst is getreden en onvoldoende is door [verweerder] weersproken dat [leidinggevende en eigenaar van bedrijf] ook bij [verweerder] aanwijzingen en opdrachten aan [verzoeker] gaf. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is verder onweersproken gebleken dat [verzoeker] tot de laatste dag van augustus 2019 heeft gewerkt bij [bedrijf] B.V. en dat hij daarna op 1 september 2019 op de loonlijst van [verweerder] is gezet.
Verder heeft [verweerder] ter zitting erkend dat zij de twee bedrijfsbussen van [bedrijf] B.V. heeft overgenomen.
4.17.
Onder voornoemde feiten en omstandigheden, is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] ten aanzien van de verrichte arbeid van [verzoeker] redelijkerwijze geacht moet worden de opvolger van [bedrijf] B.V. te zijn. Dat [bedrijf] B.V. nog bestaat, wat hier verder ook van zij, staat hier niet voor aan in de weg.
De hoogte van de transitievergoeding
4.18.
Bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding dient op grond van het voorgaande ook de duur van het dienstverband bij [bedrijf] B.V. te worden meegenomen. Omdat [verweerder] de juistheid van het door [verzoeker] genoemde bedrag aan transitievergoeding aan de hand van dit uitgangspunt niet heeft betwist, moet er van worden uitgegaan dat [verzoeker] het bedrag juist heeft berekend. Dit bedrag ( 22.737,36) zal daarom worden toegekend. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juni 2025.
De vakantiedagen tot einde wachttijd
4.19. [
[verzoeker] vordert van [verweerder] uitbetaling van 811 niet-genoten vakantie-uren tot het einde van de wachttijd. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [verzoeker] een eigen geschreven urenregistratie en een vakantiekaart van [verweerder] overgelegd (productie 10 bij het verzoek).
4.20. [
[verweerder] heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat het vakantiesaldo per datum einde wachttijd (6 november 2023) 261,42 uren bedroeg. Zij voert hiertoe aan dat dat ADV- uren bij langdurige arbeidsongeschiktheid naar rato vervallen en dat [verzoeker] na één jaar geen seniorendagen meer opbouwt. Voorts stelt [verweerder] dat zij de zomervakantie, twee weken rondom kerst en oud en nieuw, alsmede de dag na Hemelvaart binnen haar onderneming heeft aangewezen als periodes gedurende welke werknemers verplicht vakantieverlof dienen op te nemen. Het bedrijf is op die dagen gesloten. Omdat [verzoeker] re-integratiemogelijkheden had, kon hij ook daadwerkelijk vakantie genieten tijdens deze periodes. [verweerder] heeft deze uren daarom op het verlofsaldo in mindering gebracht.
4.21.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] op grond van artikel 51 CAO Pro na een jaar geen seniorendagen opbouwt met ingang van het eerstvolgende vol half jaar. [verweerder] heeft een tabel overgelegd die is opgemaakt met de rekentool van de Vakraad naar welke rekentool wordt verwezen in artikel 51 CAO Pro. Hieruit blijkt in welk jaar er nog seniorenuren opgebouwd zijn en hoeveel. [verzoeker]
heeft ter zitting erkend dat er na een jaar geen seniordagen meer worden opgebouwd. Verder heeft hij de tabel die opgemaakt is met behulp van de rekentool van de Vakraad niet betwist. De kantonrechter gaat op grond van het voorgaande uit van de vakantieopbouw per jaar die [verweerder] noemt in haar tabellen onder productie 15 van haar verweerschrift. Dit komt neer op een nieuw vakantiesaldo in 2021 van 296 uren, in 2022 van 232 uren en in 2023 van 183 uren. Partijen zijn het er bovendien over eens dat [verzoeker] aan het eind van 2020 nog een verlofsaldo over had van 77,42 uren.
4.22.
Vast staat verder dat [verzoeker] in 2021 tot zijn arbeidsongeschiktheid (vanaf 6 november 2021) vakantie-uren had opgenomen. Ter onderbouwing van de vakantieopname legt [verzoeker] een vakantiedagenoverzicht over dat hij van [verweerder] heeft ontvangen, een ingevulde vakantiekaart en een handgeschreven overzicht van een door hemzelf bijgehouden uren. [verweerder] heeft ook een vakantiedagenoverzicht overgelegd. De door [verzoeker] bijgehouden opgenomen uren komen niet overeen met de vakantiekaart (6 uur extra bij opname en 38 extra gewerkt) terwijl het vakantiedagenoverzicht van [verweerder] wel gelijk is met de vakantiekaart. Zonder nadere toelichting, welke toelichting ontbreekt ziet de kantonrechter niet in hoe [verzoeker] bij zijn berekening komt (met name de “6 uur extra opname” en “38 uren extra gewerkt”). De kantonrechter gaat derhalve uit van de opgenomen vakantie-uren door [verzoeker] zoals blijkt uit de het vakantiedagenoverzicht van 2021 van [verweerder] die hij productie 15 heeft overgelegd omdat deze overeenkomt met de ingevulde vakantiekaart die [verzoeker] heeft overgelegd.
4.23.
Het verschil in vakantiesaldo komt verder voort uit het feit dat tijdens de ziekteperiode vanaf 8 november 2021 van [verzoeker] de vaste zomervakantie, twee weken rond kerst en de dag na Hemelvaart door de [verweerder] in mindering zijn gebracht op het verlofsaldo. Partijen verschillen van mening of [verweerder] deze dagen in mindering had mogen brengen op het vakantiesaldo. De kantonrechter oordeelt als volgt.
4.24.
Artikel 7:638 lid 8 BW Pro luidt als volgt:
“Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is, gelden niet als vakantie, tenzij in een voorkomend geval de werknemer daarmee instemt. In afwijking van de vorige volzin kan bij schriftelijke overeenkomst worden bepaald dat de in enig jaar verleende vakantiedagen of gedeelten daarvan waarop de werknemer ziek is, als vakantie gelden tot ten hoogste het aantal vakantiedagen dat voor dat jaar boven het in artikel 7:634 BW Pro bedoelde minimum is overeengekomen.”
4.25.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit artikel 7:638, lid 8 eerste zin BW dat [verzoeker] heeft moeten instemmen met het aanmerken van de vakantie in de zomervakantie, de kerstvakantie en de dag na Hemelvaartsdag als vakantiedagen, alvorens deze te kunnen afboeken op het vakantiedagensaldo. [verzoeker] heeft betwist dat hij hiermee heeft ingestemd. De stelplicht en de eventuele bewijslast dat [verzoeker] heeft ingestemd ligt ingevolge artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering Rv. op [verweerder] . De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat in het voorkomende geval dus voor de dag na Hemelvaart, de zomersluiting en de kerstsluiting dat werknemer heeft ingestemd dat er vakantiedagen zouden worden afgeschreven. De niet onderbouwde stelling dat [verzoeker] re-integratiemogelijkheden had maakt dit niet anders omdat gesteld noch gebleken is dat [verweerder] overeenstemming met [verzoeker] heeft bereikt over opname van vakantie. De kantonrechter komt derhalve niet tot bewijslevering toe. Van een situatie als bedoeld in artikel 7:638 lid 8 tweede Pro zin BW is evenmin sprake. Er is niet gebleken dat er binnen [verweerder] is afgesproken dat de collectieve bedrijfsvakantie ook als vakantie zou gelden voor een zieke werknemer. Blijkens 7:638 lid 8 BW zou een dergelijke afspraak schriftelijk gemaakt moeten zijn en dat is gesteld noch gebleken. Om die reden komt de kantonrechter niet aan bewijslevering toe. Bovendien zou zon afspraak alleen kunnen gelden voor de bovenwettelijke vakantiedagen en ook daar heeft [verweerder] niets over gesteld.
4.26.
De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat [verweerder] de uren van de zomervakantie, de kerstvakantie en de dag na Hemelvaartsdag niet in mindering had mogen brengen
op het vakantiesaldo vanaf het moment van arbeidsongeschiktheid. Uit de tabellen van [verweerder] , overgelegd als productie 15, leidt de kantonrechter af dat dit voor 2021 neerkomt op 56 uren, voor 2022 op 208 uren en voor 2023 voor 168 uren.
Deze uren dienen opgeteld te worden bij het door [verweerder] genoemde vakantiesaldo van 261,42 uren nu in 4.21 en 4.22 is overwogen dat uitgegaan moet worden van het opgebouwde vakantiesaldo uit de tabellen van [verweerder] . Dit komt neer op 693,42 uren aan een verlofsaldo bij het einde van het dienstverband, zijnde een bedrag van 16.336,22 bruto (693,42 x 21.8138,00 x 1.08). Dit bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf het einde van het dienstverband zijnde 1 mei 2025.
De vakantiedagen na einde wachttijd
4.27. [
[verzoeker] heeft bij zijn vermeerdering van eis op de zitting tevens aanspraak gemaakt op betaling van de vakantiedagen vanaf 104 weken arbeidsongeschiktheid, zijnde 8 november 2023 tot einde dienstverband zijnde 30 april 2025. Dit komt volgens hem neer op totaal 238,35 uren niet genoten vakantie-uren.
4.28. [
[verzoeker] stelt zich in dit kader op het standpunt dat dit vakantie-uren zijn die hij heeft opgebouwd na het verstrijken van de loondoorbetalingsverplichting tot en met het uiteindelijke eindigen van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verzoeker] is artikel 7 lid 1 van Pro Richtlijn 2003/88/EG (Arbeidstijdenrichtlijn), die inhoudt dat de werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken, niet goed omgezet in de Nederlandse wetgeving. [verzoeker] verwijst hierbij naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7054.
4.29. [
[verweerder] betwist de aanspraak van [verzoeker] .
4.30.
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over artikel 7 van Pro de Arbeidstijdenrichtlijn volgt dat jaarlijkse vakantie met behoud van loon tot doel heeft de werknemer in staat te stellen om uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken en om over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken.4 Dit doel, dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon onderscheidt van andere soorten vakantie waarmee andere doelstellingen worden nageleefd, is gebaseerd op de premisse dat de werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt in de loop van de referentieperiode. Het veronderstelt immers dat de werknemer een activiteit heeft uitgevoerd die het nemen van een periode van rust, ontspanning en vrije tijd rechtvaardigt om de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van zijn veiligheid en gezondheid te waarborgen.5 Wanneer de werknemer zijn taken niet kan vervullen vanwege een naar behoren gerechtvaardigd ziekteverlof kan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat die werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt. Op deze wijze worden werknemers die in de referentieperiode afwezig zijn geweest van het werk omdat zij met ziekteverlof waren, voor het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gelijkgesteld met werknemers die in die periode daadwerkelijk hebben gewerkt.6
4.31.
Op grond van artikel 7:634 lid 1 BW Pro verwerft de werknemer over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week. In deze zaak gaat het om de vraag of er bij een zogenaamd slapend dienstverband recht is op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Tussen [verzoeker] en [verweerder] bestond een slapend dienstverband. [verzoeker] heeft na afloop van de wachttijd met ingang van 6 november 2023 een WIA-uitkering ontvangen en zijn arbeidsovereenkomst is op 30 april 2025 geëindigd.
4.32.
Wanneer de werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van de werknemer het dienstverband met de werknemer niet opzegt, terwijl hij daartoe wel bevoegd is en waarbij hij de werknemer geen loon meer betaalt is er sprake van een slapend dienstverband.7 De arbeidsovereenkomst is dan niet
geëindigd maar partijen geven hier geen invulling aan. Volgens de Hoge Raad houdt de hiervoor benoemde opzegbevoegdheid in dat voldaan moet zijn aan de eisen van artikel 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b BW.8 Kortgezegd gaat het dan om een arbeidsongeschikte werknemer die niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten en aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht. Ontslag van een arbeidsongeschikte werknemer is dus niet zomaar aan de orde. Pas als aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan is dat aan de orde.9
4.33.
De kantonrechter is van oordeel dat bij een slapend dienstverband geen recht bestaat op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Er is een verschil tussen de arbeidsongeschikte werknemer die zich in de wachttijd van artikel 7:629 lid 1 BW Pro bevindt en de arbeidsongeschikte werknemer met een slapend dienstverband. Artikel 7 lid Pro 1 Arbeidstijdenrichtlijn spreekt over behoud van loon. In het geval van een slapend dienstverband bestaat geen recht op loon dus kan er van behoud van loon ook geen sprake zijn. Daarnaast kunnen de doelstellingen die artikel 7 lid Pro 1 Arbeidstijdenrichtlijn beoogt te bereiken niet meer behaald worden. Tijdens de 104-weken wachttijd rust op zowel werkgever als werknemer een re-integratieplicht om zoveel als mogelijk te voorkomen dat een beroep op publieke middelen moet worden gedaan. De insteek in de wachttijd is dat de werknemer weer aan het werk gaat; dat kan zijn in de bedongen arbeid, andere passende arbeid of het zogenaamde tweede spoor. Bij die situatie past de gelijkstelling van de arbeidsongeschikte werknemer met de werknemer die daadwerkelijk heeft gewerkt. Bij een slapend dienstverband is duidelijk dat deze re-integratie niet is bewerkstelligd en ligt een aanvraag voor een WIA-uitkering in de rede. Bij een slapend dienstverband is de werkgever immers bevoegd om het dienstverband op te zeggen (artikel 7:669 lid 1 en Pro 3, aanhef en onder b BW). De door het HvJEU geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen niet meer worden behaald. Bovendien gaan de werkgever en werknemer er ook niet meer van uit dat de werknemer in de organisatie weer aan het werk zal gaan zodat de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemer niet op die wijze geborgd hoeft te worden. Tot slot valt de werknemer na de wachttijd vaak terug op een sociale zekerheidsuitkering welke uitkering in beginsel tijdens vakantie doorloopt zodat op die wijze ook voorzien wordt in vakantie met behoud van uitkering.
4.34.
De kantonrechter wijst het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de 283,5 uren niet genoten vakantie-uren af.
Vakantiegeld
4.35.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] nog recht heeft op een bedrag van 1.034,48 bruto aan vakantiegeld. Dit bedrag zal derhalve worden toegewezen.
Wettelijke verhoging
4.36.
Het komt de kantonrechter, gelet op de omstandigheden billijk voor de gevorderde wettelijke verhoging te beperken tot 10%.
De proceskosten
4.37. [
[verweerder] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op 1.203,00 ( 257,00 aan griffierecht, 814,00 aan salaris gemachtigde en 132,00 aan nakosten).

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding van 22.737,36 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de niet genoten vakantiedagen, zijnde een bedrag van 16.336,22 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de vakantietoeslag zijnde 1.034,48 bruto;
5.4.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 10 % over het bedrag zoals genoemd onder 5.2 en 5.3;
5.5.
veroordeelt [verweerder] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op 1.203,00 voor salaris van de gemachtigde te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025
c. 322
1. Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 103.
2 Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 105 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 8, pag.
15
3 Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, E, p. 4;
4 HvJEU 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:799 (Dicu) punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
5 Dicu, punt 28.
6 Dicu, punt 29.
7 HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, (Xella).
8 Xella, r.o. 2.7.3.
9 Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p.45.