De werknemer was sinds 2007 in dienst bij een bedrijf en verrichtte vanaf 2019 werkzaamheden voor een andere werkgever die de orderportefeuille had overgenomen. Er is geen nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. De werknemer was sinds november 2021 arbeidsongeschikt en ontving vanaf november 2023 een WIA-uitkering.
Partijen sloten een concept-vaststellingsovereenkomst met voorwaarden waaronder de werknemer ziek uit dienst zou gaan en een arbeidsovereenkomst zou ondertekenen. De werknemer tekende de definitieve overeenkomst in december 2024, maar riep direct de wettelijke bedenktermijn in. De werkgever stelde dat de overeenkomst al eerder tot stand was gekomen, maar de kantonrechter oordeelde dat de voorwaarden opschortend waren en de overeenkomst pas in november 2024 tot stand kwam, waardoor de ontbinding tijdig was.
Verder oordeelde de kantonrechter dat sprake is van opvolgend werkgeverschap, omdat de werknemer dezelfde werkzaamheden verrichtte bij de nieuwe werkgever, dezelfde leidinggevende volgde en de bedrijfsbussen werden overgenomen. Hierdoor moet de transitievergoeding worden berekend vanaf 2007 in plaats van 2019.
De werknemer vorderde ook betaling van niet-genoten vakantiedagen tot het einde van de wachttijd en daarna. De kantonrechter wees betaling van vakantiedagen tot einde wachttijd toe, maar niet voor de periode daarna vanwege het slapend dienstverband zonder recht op loon. Daarnaast werd een deel vakantietoeslag en een wettelijke verhoging van 10% toegewezen. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.