RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeksters], uit [plaats], verzoeksters,
(gemachtigde: A.H. van Leeuwen),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, het college,
(gemachtigde: mr. K. Croezen).
Als
derde-partijennemen aan het geding deel: [derde-partijen], allen uit Nieuw-Weerdinge, derde-partijen.
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening tegen de aan verzoeksters opgelegde last onder dwangsom tot het verwijderen van aarden wallen, een zandheuvel en een (deel van de) vijver op het perceel aan [adres] (het perceel) te Nieuw-Weerdinge.
1.1. Het college heeft de last onder dwangsom bij het primaire besluit van 21 november 2024 opgelegd. Bij het besluit op bezwaar van verzoeksters van 11 juni 2025 (het bestreden besluit) is het college onder het stellen van een nieuwe begunstigingstermijn bij het primaire besluit gebleven.
1.2. Tegen het bestreden besluit hebben verzoeksters beroep ingesteld.Tevens hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3. (Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift).
1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 december 2025 op zitting behandeld. Verzoeksters zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en (ecologisch adviseur). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en
M. Oudshoorn. Derde-belanghebbenden zijn met kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt de opgelegde last onder dwangsom aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1. Derde-partijen hebben op 23 augustus 2023 verzocht om handhaving inzake het afwijken van het beplantingsplan ten behoeve van een minicamping op het perceel in
[plaats].
4.2. Op 14 maart 2024 heeft een toezichthouder geconstateerd dat in afwijking van het beplantingsplan en het bestemmingsplan zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning aarden wallen, een zandheuvel en een waterpoel zijn aangelegd.
4.3. Het college heeft verzoeksters bij brief van 27 mei 2024 medegedeeld voornemens te zijn verzoeksters een last onder dwangsom op te leggen.
4.4. Verzoeksters hebben een zienswijze, gericht tegen dit voornemen, ingediend.
4.5. Het college heeft bij brief van 3 juli 2024 verzocht om aanvulling van de zienswijze.
4.6. Verzoeksters hebben bij e-mailbericht van 17 juli 2024 gereageerd en een quickscan van Actus Ecology van 16 juli 2024 overgelegd.
4.7. Bij brief van 24 juli 2024 heeft het college verzoeksters verzocht aan te geven hoeveel tijd zij denken nodig te hebben voor het kunnen laten verrichten van de door de ecoloog geadviseerde aanvullende onderzoeken en het opstellen van een mitigatie-en compensatieplan.
4.8. Bij brief van 30 juli 2024 hebben verzoeksters een reactie ingediend. Zij hebben aangegeven dat de aanvullende onderzoeken slechts aan de orde zijn als het college besluit de handhaving door te zetten, terwijl de ecoloog heeft geadviseerd om van handhaving af te zien. Mocht het college handhaving doorzetten dan zal het college de nadere onderzoeken en het opstellen van een compensatie- en mitigatieplan voor eigen rekening en risico moeten (laten) uitvoeren.
4.9. Het college heeft verzoeksters met het primaire besluit een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder aanlegvergunning en daarmee in strijd met het bestemmingsplan aanleggen van aarden wallen, een zandheuvel en een vijver op het perceel in
[plaats].
4.10 Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.Zij hebben een nader rapport van Actus Ecology van 29 januari 2025 ingediend.
4.11. Bij uitspraak van 2 mei 2025heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en het primaire besluit van 21 november 2024 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
4.12. Verzoeksters hebben de bezwaren mondeling toegelicht op de hoorzitting van 7 mei 2025 van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.
4.13. De commissie heeft het college bij brief van 28 mei 2025 geadviseerd het bezwaarschrift gegrond te verklaren, voor zover het gaat om de gestelde begunstigingstermijn, het primaire besluit in die zin te herroepen en in het besluit op bezwaar een nieuwe begunstigingstermijn te stellen.
4.14. Het college heeft, onder overneming van het advies van de commissie, bij het bestreden besluit een last onder dwangsom aan verzoeksters opgelegd onder het stellen van een nieuwe begunstigingstermijn tot 1 november 2025.
De aan verzoeksters opgelegde last onder dwangsom houdt in dat zij worden gelast om uiterlijk op 1 november 2025 de overtredingen op het perceel in [plaats] permanent te beëindigen. Dit kunnen verzoeksters doen door:
1. de illegale aarden wallen te verwijderen en verwijderd te houden. Als verzoeksters hieraan niet voldoen binnen de begunstigingstermijn, verbeuren zij een dwangsom van € 2.500,- per week dat de overtreding voortduurt met een maximum van
2. de waterpoel te verwijderen en verwijderd te houden of om deze in overeenstemming te brengen met de waterpoel zoals weergegeven in het beplantingsplan, behorende bij het wijzigingsplan en hiervoor een ontvankelijke aanvraag in te dienen. Als verzoeksters hieraan niet voldoen binnen de begunstigingstermijn, verbeuren zij een dwangsom van € 2.500,- per week dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 25.000,-;
3. de zandheuvel te verwijderen en verwijderd te houden. Als verzoeksters hieraan niet voldoen binnen de begunstigingstermijn, verbeuren zij een dwangsom van € 2.500,- per week dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 25.000,-.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als onverwijlde spoed dat vereist. Aangezien er sprake is van het opleggen van een last onder dwangsom en de daaraan verbonden begunstigingstermijn is verstreken, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoeksters gegeven.
Welk recht is van toepassing?
6. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat het verzoek om handhaving door derde-partijen voor die datum bij het college is ingediend, is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.
6.1. Op het perceel zijn de bestemmingsplannen “Buitengebied 2011” en het Wijzigingsplan “Nieuw-Weerdinge, Vledderdiep 17” van toepassing.
Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 2011” geldt op het perceel - voor zover van belang - de bestemming “Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen”.
Op 1 november 2022 is het Wijzigingsplan “Nieuw-Weerdinge, Vledderdiep 17” vastgesteld. Dit plan is inmiddels onherroepelijk. Op grond van (de bestemmingsplankaart bij) het Wijzigingsplan heeft het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen” met de functie-aanduiding “Kleinschalig kamperen”.
De planvoorschriften zijn opgenomen in de bijlage. Samengevat is een aanlegvergunning vereist voor het ophogen, ontgronden, egaliseren, ontginnen van de bodem en het aanleggen van wateren terwijl hierop een uitzondering bestaat indien de werkzaamheden noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond.
Bevoegdheid tot kortsluiten
7. Omdat de gemachtigde van verzoeksters ter zitting heeft aangegeven dat er in de beroepsfase een deskundigenrapport van landschapsarchitecten zal worden ingebracht, bestaat er geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
7.1. Dit betekent dat in dit geval uitsluitend uitspraak zal worden gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit geven en zal met inachtneming daarvan een oordeel geven over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.
8. Tussen partijen is in geschil of het college terecht een last onder dwangsom aan verzoeksters heeft opgelegd. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Zijn derde-partijen aan te merken als belanghebbenden bij het verzoek om handhaving?
9. Verzoeksters betogen dat het aan het college gerichte verzoek om handhaving niet had mogen worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit omdat degenen die het verzoek om handhaving bij het college hebben ingediend daarbij in de visie van verzoeksters geen, althans onvoldoende belang, hadden. In dit verband voeren verzoeksters aan dat niet kan worden volgehouden dat derde-partijen gevolgen ondervonden en zullen ondervinden van datgene met betrekking waartoe zij het college hebben verzocht om handhavend op te treden.
9.1. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit artikel 1:3 en 8:1 Awb volgt dat de reactie van een bestuursorgaan op een verzoek tot handhaving slechts als een besluit kan worden aangemerkt indien derde-partijen als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt.
9.2.1. Met betrekking tot het door derde-partijen ingediende verzoek om handhaving overweegt de voorzieningen dat een verzoek om handhaving slechts een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, indien dit verzoek door een belanghebbende is gedaan. De reactie op zo’n verzoek ingediend door een belanghebbende, is vervolgens een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
9.2.2. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvSvolgt dat als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dat is vermeld in de uitspraak van 16 maart 2016 van de AbRvS, dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. In de uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de AbRvSten aanzien van die belanghebbendheid uitgebreid gemotiveerd dat niet een ieder die een effect van ruimtelijke activiteit verneemt in beginsel ook als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Daartoe is geen grond indien er geen hinder van enige betekenis wordt ondervonden.
9.2.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan worden geconcludeerd dat de derde-partijen, gelet op de aard van de door verzoeksters verrichte werkzaamheden en de afstand van hun woningen tot het perceel alsmede het bestaan van (enig) zicht op de aarden wallen en de zandheuvel op het betreffende perceel, in dit geval als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de derde-partijen aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis op hun percelen. Daar komt bij dat de derde-partijen hebben gesteld dat zij overlast ondervinden van de aanwezige aarden wallen en de zandheuvel op het betreffende perceel. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de reactie van het college op het verzoek om handhaving van de derde-partijen als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient te worden aangemerkt. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.
Is er sprake van een overtreding?
10. Verzoeksters betogen dat er in dit geval geen sprake is van een overtreding. Volgens verzoeksters zal uit het nog in te dienen rapport van landschapsdeskundigen blijken dat de zandheuvels, aarden wallen en vijver noodzakelijk zijn in het kader van de bestemming “Agrarisch met waarden”.
10.1. De voorzieningenrechter onderschrijft overweging 7. van de uitspraak van
2 mei 2025.Hetgeen verzoeksters onder verwijzing naar een nog niet kenbaar deskundigenrapport naar voren hebben gebracht, leidt de voorzieningenrechter in dit geval niet tot een andere conclusie. Dit betekent dat er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift waartegen het college bevoegd was handhavend op te treden. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden die reden moeten zijn om af te zien van handhaving?
11. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvSvolgt dat bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, beoordeeld moet worden of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak.Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Concreet zicht op legalisatie
12. Verzoeksters betogen dat het college niet heeft gemotiveerd waarom het legaliseren van de aarden wallen, de zandheuvel en de vijver niet ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarbij is de overtreding met betrekking tot de waterpoel niet duidelijk.
12.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het legaliseren van de aarden wallen, de zandheuvel en de hartvormige vijver ruimtelijk niet aanvaardbaar is. De vijver kan gelegaliseerd worden indien deze voldoet aan het bij het wijzigingsplan opgenomen beplantingsplan.
12.2. Voor concreet zicht op legalisatie door middel van een omgevingsvergunning, moet ten tijde van de besluitvorming ten minste een begin zijn gemaakt met de voor verlening van een omgevingsvergunning vereiste procedure. Omdat er ten tijde van de besluitvorming geen aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend, was er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van concreet zicht op legalisatie. Daarbij heeft het college ten aanzien van de aarden wallen en de zandheuvel aangegeven niet bereid te zijn om deze te legaliseren door middel van een omgevingsvergunning. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvSvolgt dat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen, volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Dit is anders ten aanzien van de vijver. Indien verzoekers deze in overeenstemming brengen met het bij het bestemmingsplan behorende beplantingsplan en hiertoe een aanvraag indienen is het college bereid de overtreding met betrekking tot de vijver te legaliseren. Verzoeksters hebben echter nog geen aanvraag ingediend. Evenmin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van handhaving. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.
Is de opgelegde last onder dwangsom onduidelijk?
13. Onder verwijzing naar overweging 6.3. van de uitspraak van 2 mei 2025 van de voorzieningenrechterbetogen verzoeksters dat de in het bestreden besluit opgelegde last onder dwangsom te verstrekkend is. In dit verband voeren verzoeksters aan dat uit het bestreden besluit volgt dat de daarin opgelegde last (ook) ziet op het verwijderen van de aarden wallen (met beplanting) die ongeveer in 2015 zijn aangelegd, terwijl uit overweging 6.3. van de genoemde uitspraak blijkt dat het college heeft bevestigd dat de opgelegde last geen betrekking heeft op de aarden wallen (met beplanting) in de lengterichting van het zuidelijke gedeelte van het perceel die ongeveer in 2015 zijn aangelegd. Naar de mening van verzoeksters is het bestreden besluit daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel tot stand gekomen.
13.1. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvSvolgt dat het bestuursorgaan op grond van artikel 5:32a van de Awb verplicht is om in de last de te nemen herstelmaatregelen te omschrijven. De omschrijving van de te nemen herstelmaatregelen moet uit een oogpunt van rechtszekerheid voldoende duidelijk zijn voor de overtreder.
13.2. De voorzieningenrechter overweegt dat het college met het bestreden besluit de in de uitspraak van 2 mei 2025 geconstateerde onduidelijkheid in de opgelegde last voor wat betreft de aarden wallen in de zuidelijke lengterichting van het perceel niet heeft weggenomen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het college met het bestreden besluit de bezwaren van verzoeksters uitsluitend voor wat betreft de lengte van de begunstigingstermijn gegrond heeft verklaard en voor wat betreft de omschrijving van de last het primaire besluit in stand heeft gelaten. Hierbij is van belang dat de omschrijving van de last in het primaire besluit algemeen van aard is en betrekking heeft op de aanwezige aarden wallen op het perceel van verzoeksters. Door in het bestreden besluit de opgelegde last voor wat betreft de aarden wallen niet nader te specificeren, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een onduidelijke last voor wat betreft dit aspect. Dat door de gemachtigde van het college ter zitting aan de hand van een (lucht)foto en tekening verduidelijkt is om welke aarden wallen in de zuidelijke lengterichting van het perceel van verzoeksters het gaat, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt dit immers niet af te leiden uit de in het bestreden besluit neergelegde last onder dwangsom, hetgeen zich niet verhoudt met het rechtszekerheidsbeginsel als bedoeld in artikel 5:32a van de Awb. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er in zoverre een gebrek kleeft aan het bestreden besluit.
13.3. Gelet op overweging 13.2. dient de houdbaarheid van het bestreden besluit in de beroepsfase in zoverre als overwegend negatief te worden ingeschat. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter in dit geval na afweging van de betrokken belangen bevoegd is tot het treffen van een voorlopige voorziening of het opleggen van een maatregel. Bij de vraag of er aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter onder meer van belang in hoeverre het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opgelegde last uitvoerbaar is. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Is de opgelegde last onder dwangsom uitvoerbaar?
14. Uit de verklaringen van medewerkers van de provincie Drenthe volgt dat voor een gedeeltelijke verwijdering van de zandheuvel een ecologisch werkprotocol dient te worden opgesteld en dat voor de volledige verwijdering daarvan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Ow vereist is, terwijl de opgelegde last in het bestreden besluit uitgaat van het volledig verwijderen van de zandheuvel. Ook met betrekking tot de vijver is nog onvoldoende duidelijk, mede gelet op de overgelegde rapporten van Actus Ecology, of het in ecologische zin haalbaar is deze te verkleinen tot de omvang zoals is vermeld in het bestreden besluit. Uit overweging 13.2. volgt dat de onduidelijkheid voor wat betreft het aspect aarden wallen is blijven bestaan met het nemen van het bestreden besluit door het college. Gelet op de voorgaande overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er serieuze twijfels bestaan of de in het bestreden besluit opgelegde last uitvoerbaar is binnen de gestelde begunstigingstermijn. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit van het college wordt geschorst totdat door de rechtbank op het beroep van verzoeksters is beslist.
15. Gelet op de overwegingen 13.2., 13.3. en 14. wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft hij de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van het college wordt geschorst totdat door de rechtbank is beslist op het beroep van verzoeksters.
16. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeksters ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten.
Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-).
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit van het college totdat door de rechtbank uitspraak is gedaan op het beroep van verzoeksters;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan verzoeksters te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
griffier voorzieningenrechter
(De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen)
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:7
Een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
3. Partijen worden in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, tevens op de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub b, Wabo, voor zover van belang, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald.
Bestemmingsplan “Buitengebied 2011”
Het betreffende perceel heeft de bestemming “Agrarisch met Waarden - Kleinschalige Veenontginningen” (artikel 17).
Op grond van artikel 17.6.1 van de planvoorschriften is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. Het ophogen, ontgronden, egaliseren, ontginnen van de bodem;
(…);
(…);
Het aanleggen, verbreden, verdiepen, en dempen van sloten, wijken en andere wateren.
Op grond van artikel 17.6.2, onder a, van de planvoorschriften is het verbod als bedoeld in artikel 17.6.1 niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond.
Op grond van artikel 75.7 van de planvoorschriften zijn de gronden, ter plaatse van de aanduiding wro-zone - kleinschalig kamperen, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor kleinschalig kamperen en gebouwen ten behoeve van het functioneren van het kampeerterrein, zoals sanitaire voorzieningen en onderhoud en beheer met de daarbij behorende groen-, parkeer- en speelvoorzieningen.
Wijzigingsplan “Nieuw-Weerdinge, Vledderdiep 17”
Blijkens de regels van het wijzigingsplan voorziet het wijzigingsplan in:
- de bestaande bestemming “Agrarisch met waarden - Kleinschalige Veenontginningen”;
- de toegevoegde functieaanduiding “wro-zone kleinschalig kamperen”, met die verstande dat:
1. maximaal 20 standplaatsen worden gerealiseerd;
2. tussen 23:00 uur en 07:00 uur geen verkeersbewegingen met motorvoertuigen op en/of van en naar het terrein ten behoeve van kleinschalig kamperen mag plaatsvinden.
Tot strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik (laten) nemen van de minicamping zonder dat binnen één jaar na onherroepelijk worden van het plan de aanleg en instandhouding van de beplanting conform het in bijlage 1 opgenomen Beplantingsplan is gerealiseerd, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
Op dit wijzigingsplan zijn de desbetreffende regels van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen van toepassing.