Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1225

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
18-054040-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens onttrekking minderjarige kinderen aan gezag door verblijf in Uganda

Verdachte heeft haar twee minderjarige kinderen gedurende een half jaar onttrokken aan het wettig gezag van hun vader door hen zonder diens toestemming mee te nemen naar Uganda, een land dat geen partij is bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De rechtbank acht bewezen dat verdachte vanaf 5 december 2024 tot en met 15 juni 2025 de kinderen buiten de invloedssfeer van de vader heeft gehouden, ondanks diens uitdrukkelijke wens tot terugkeer.

De verdediging voerde aan dat er toestemming was voor het verblijf in Uganda en dat de vader zelfs het initiatief had genomen voor een langer verblijf vanwege zorgen over het gedrag van de dochter. De rechtbank verwierp dit en stelde vast dat de toestemming slechts gold voor een kort verblijf en dat verdachte al bij vertrek de intentie had om langer te blijven. Ook na het verkrijgen van eenhoofdig gezag door de vader in Uganda weigerde verdachte mee te werken aan terugkeer.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 297 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de belangen van de kinderen en het goede contact tussen verdachte en kinderen na terugkeer. De vordering tot schadevergoeding van de vader werd niet-ontvankelijk verklaard en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf waarvan 297 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur wegens onttrekking van minderjarige kinderen aan het gezag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-054040-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 2 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.D. Nijenhuis, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 5 december 2024 tot en met 15 juni 2025 te Leeuwarden en/of op de Luchthaven Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland en/of Uganda, opzettelijk een minderjarige, te weten zoon, [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum]
2017, heeft onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die [minderjarige 1] beneden de twaalf jaren oud was, immers heeft verdachte die [minderjarige 1] opzettelijk zonder toestemming van de vader langer dan de afgesproken zes dagen overgebracht/meegenomen, in elk geval (vast)gehouden, naar/in Uganda en/of meermalen op uitdrukkelijke wens van vader die [minderjarige 1] terug te brengen/mee te nemen naar Nederland, niet teruggebracht/meegenomen naar Nederland en/of (daarmee) die [minderjarige 1] (feitelijk) buiten de invloedssfeer en/of het gezag van de vader gebracht en gehouden;
2.
zij in of omstreeks de periode van 5 december 2024 tot en met 15 juni 2025 te Leeuwarden en/of op de Luchthaven Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland en/of Uganda opzettelijk de minderjarige, te weten dochter, [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum] 2011, heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, immers heeft verdachte die [minderjarige 2] opzettelijk zonder toestemming van de vader, langer dan de afgesproken zes dagen overgebracht/meegenomen, in elk geval (vast)gehouden, naar/in Uganda en/of meermalen op uitdrukkelijke wens van vader die [minderjarige 2] terug te brengen/mee te nemen naar Nederland, niet teruggebracht/meegenomen naar Nederland en/of (daarmee) die [minderjarige 2] (feitelijk) buiten de invloedssfeer en/of het gezag van de vader gebracht en gehouden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en aangever samen het gezag hebben over hun minderjarige kinderen, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Verdachte heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op 5 december 2024 meegenomen naar Uganda. Weliswaar had verdachte toestemming van aangever om de kinderen mee te nemen naar Uganda maar deze toestemming gold slechts voor een periode van zes dagen. Daarnaast blijkt uit het dossier voldoende dat verdachte bij de planning van de reis al voornemens was om niet terug te keren met de kinderen naar Nederland, zoals wel was afgesproken met de aangever en met de scholen van de kinderen. Op het moment dat aangever te kennen heeft gegeven dat de kinderen moesten terugkeren naar Nederland, heeft verdachte geweigerd om mee te werken aan die terugkeer. De kinderen zijn pas op 16 juni 2025 teruggekeerd naar Nederland. Verdachte heeft zich daarmee, nu zij bij vertrek van de kinderen al had besloten dat zij niet met de kinderen na zes dagen zou terugkeren, gedurende de gehele ten laste gelegde periode schuldig gemaakt aan onttrekking van de kinderen aan het wettig gezag van aangever.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte toestemming had van aangever om met de kinderen naar Uganda te gaan. Het is feitelijk niet juist dat er een afspraak was met aangever dat verdachte de kinderen slechts zes dagen zou mogen meenemen. Het is aangever zelf geweest die met het idee kwam van een permanent verblijf van [minderjarige 2] in Uganda, omdat hij zich, net als verdachte, zorgen maakte over haar gedrag. Aangever heeft verdachte in feite opdracht gegeven om met [minderjarige 2] naar Uganda te vertrekken. Na een ruzie in december 2024 heeft aangever aangegeven dat de kinderen terug moesten keren naar Nederland. Aangever is gaandeweg van gedachten veranderd en heeft daarom aangegeven dat hij slechts toestemming had verleend voor een kort verblijf van de kinderen in Uganda. Uit niets blijkt echter dat aangever slechts toestemming had verleend voor een kort verblijf. In zijn aangifte verklaart hij weliswaar dat hij toestemming heeft gegeven voor een periode van zes dagen, maar deze verklaring wordt niet ondersteund door de rest van het dossier. Daarnaast heeft de rechter in Uganda op 14 februari 2025 bepaald dat aangever alleen het gezag over de kinderen uitoefende. De kinderen zijn na die uitspraak naar familie van aangever gegaan, zodat verdachte de kinderen vanaf dat moment ook niet kon onttrekken aan het gezag van aangever.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 23 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik ben naar Uganda gegaan met de kinderen, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Ik heb enkele reis vliegtickets geboekt. Ik wilde naar Uganda, omdat het niet goed ging met [minderjarige 2] . De kinderen zouden naar een internaat gaan. Wij zouden voor één jaar blijven. Na het incident met [minderjarige 2] , voordat wij naar Uganda reisden, toen zij dronken op straat lag, is het plan gekomen om daar één jaar te blijven.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 8 januari 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025006630 van 25 juni 2025, inhoudend als verklaring van [vader kinderen] :
Mijn kinderen zijn genaamd: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011, en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017. De moeder van de kinderen is [verdachte] . [minderjarige 2] woont bij mij in [plaats] . [minderjarige 1] woont bij de moeder in [plaats] . Eind november 2024 werd ik benaderd
door [verdachte] . Zij wilde met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] afreizen naar Uganda om haar doodzieke moeder te bezoeken. Ze moest hiervoor mijn toestemming hebben. Op 5 december 2024 zijn [verdachte] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] richting Schiphol gegaan om naar Uganda te reizen. Op 20 december 2024 werd ik benaderd door een vriendin van [minderjarige 2] . Deze vroeg iets in de trant waarom [minderjarige 2] niet terug zou komen naar Nederland. Ik schrok hiervan en heb contact gezocht met [minderjarige 2] . Deze gaf aan dat haar moeder had besloten om in Uganda te blijven met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 2] gaf te kennen dat ze dat niet wilde. Op 7 januari 2025 heb ik telefonisch contact gehad met [verdachte] . Deze bevestigde dat ze had besloten om met de kinderen in Uganda te blijven. Ik heb haar gesmeekt om de kinderen terug naar Nederland te brengen.
Dat wilde ze niet.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 24 februari 2025, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [vader kinderen] :
Ik heb toestemming aan [verdachte] gegeven om de kinderen mee te nemen naar Uganda voor een vakantie, omdat de moeder van [verdachte] haar kleinkinderen nog wilde zien.
We hadden afgesproken dat de kinderen terug zouden komen. Ik heb nooit een overeenstemming met [verdachte] gemaakt, dat ze daar een jaar kon blijven. Ik dacht dat ze na de kerst terug zouden komen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 25 juni 2025, opgenomen op pagina 3 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :
De laatste stand van zaken is dat de kinderen op 16 juni 2025 zijn aangekomen in Nederland.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt vast dat verdachte en aangever de ouders zijn van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011, en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017. Verdachte en aangever zijn met elkaar gehuwd. De kinderen zijn binnen het huwelijk geboren. Verdachte en aangever zijn dan ook gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte op 5 december 2024 met de kinderen vanuit Nederland naar Uganda is vertrokken. De kinderen zijn sinds 16 juni 2025 weer in Nederland.
Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de kinderen van 5 december 2024 tot en met 15 juni 2025 heeft onttrokken aan het gezag van aangever. Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat aangever verdachte toestemming heeft gegeven om voor een langere tijd met de kinderen in Uganda te verblijven. Aangever heeft daar zelf over verklaard dat hij toestemming had gegeven aan verdachte om voor een vakantie naar Uganda te gaan zodat zij en de kinderen de zieke moeder van verdachte konden bezoeken. Deze verklaring van verdachte wordt ook ondersteund door de verklaringen van de scholen van de kinderen. Zij gingen er ook van uit dat de kinderen na de kerstvakantie, begin januari 2025, weer op school zouden zijn. Weliswaar zit er een WhatsApp bericht van aangever aan verdachte in het dossier waarin aangever onder meer aangeeft “
[minderjarige 2] must leave this place permanently. Think of leaving her in uganda”maar hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat aangever ondubbelzinnig zijn toestemming heeft gegeven voor een langdurig verblijf van beide kinderen in Uganda. Daar komt bij dat ook uit de handelingen die aangever na het vertrek van verdachte en de kinderen heeft verricht, niet blijkt dat hij toestemming heeft gegeven om voor een langere periode in Uganda te verblijven met de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat uit die handelingen juist het tegendeel blijkt. Aangever heeft onder meer aangifte gedaan, heeft een procedure gevoerd in Uganda om het eenhoofdig gezag over de kinderen te krijgen en hij heeft verdachte meerdere berichten gestuurd waarin hij aangeeft dat de kinderen terug moeten keren naar Nederland.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode. Mede uit de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd, blijkt dat het op het moment dat verdachte op 5 december 2025 met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar Uganda is gereisd al de bedoeling van verdachte was om voor langere tijd met de kinderen in Uganda te verblijven en niet slechts voor een kort verblijf om haar zieke moeder te bezoeken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte aanvankelijk vliegtickets voor een enkele reis naar Uganda had gekocht. Dit maakt dat de onttrekking aan het gezag reeds startte op 5 december 2025.
Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank ook van oordeel dat er sprake is geweest van onttrekking aan het gezag door verdachte nadat aangever in Uganda het eenhoofdig gezag heeft gekregen over de kinderen en de kinderen naar zijn familie zijn gegaan. Verdachte heeft, ook na dat moment, op geen enkele wijze haar medewerking willen verlenen aan de terugkeer van de kinderen naar Nederland. Zo heeft verdachte het paspoort van [minderjarige 1] niet willen afgeven en heeft de rechtbank toestemming moeten verlenen aan aangever om een inreisvisum van Uganda naar Nederland aan te vragen voor de kinderen, omdat verdachte hier niet aan wilde meewerken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er gedurende de gehele ten laste gelegde periode sprake is geweest van onttrekking aan het gezag.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
zij van 5 december 2024 tot en met 15 juni 2025 in Nederland en Uganda, opzettelijk een minderjarige, te weten haar zoon [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum] 2017, heeft onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag, terwijl die [minderjarige 1] beneden de twaalf jaren oud was, immers heeft verdachte die [minderjarige 1] opzettelijk zonder toestemming van de vader, langer dan afgesproken overgebracht, meegenomen en gehouden, naar en in Uganda en op de uitdrukkelijke wens van vader die [minderjarige 1] terug te brengen/mee te nemen naar Nederland, niet teruggebracht/meegenomen naar Nederland en daarmee die [minderjarige 1] feitelijk buiten de invloedssfeer en het gezag van de vader gebracht en gehouden;
2.
zij van 5 december 2024 tot en met 15 juni 2025 in Nederland en Uganda opzettelijk de minderjarige, te weten haar dochter [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum] 2011, heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag, immers heeft verdachte die [minderjarige 2] opzettelijk zonder toestemming van de vader, langer dan afgesproken overgebracht, meegenomen en gehouden, naar en in Uganda en op de uitdrukkelijke wens van vader die [minderjarige 2] terug te brengen/mee te nemen naar Nederland, niet teruggebracht/meegenomen naar Nederland en daarmee die [minderjarige 2] feitelijk buiten de invloedssfeer en het gezag van de vader gebracht en gehouden.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is;
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de proeftijd op 3 jaren wordt gesteld en dat als bijzondere voorwaarde aan verdachte wordt opgelegd dat zij dient mee te werken aan de betrokken hulpverlening.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, enkel een voorwaardelijke straf aan verdachte opgelegd dient te worden.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering van 1 augustus 2025, het strafblad van verdachte, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten. Zij heeft haar twee minderjarige kinderen gedurende een half jaar onttrokken aan het gezag door met de kinderen, zonder toestemming van hun vader, naar Uganda te reizen. De kinderen zijn daardoor uit hun vertrouwde omgeving gehaald en hebben van de één op de andere dag alles wat voor hen bekend was moeten achterlaten. Zowel vader als de kinderen hebben elkaar gedurende een half jaar moeten missen zonder dat zij wisten of en wanneer zij elkaar weer zouden zien. Verder kon vader zijn gezag over de kinderen gedurende deze periode niet uitoefenen. Door de kinderen mee te nemen naar Uganda, een land dat geen partij is bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag, heeft verdachte bemoeilijkt dat de kinderen terug zouden kunnen keren naar Nederland. Daarnaast neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat zij alleen is teruggekeerd naar
Nederland en de kinderen in Uganda heeft achtergelaten en dat zij op geen enkele wijze heeft willen meewerken aan de terugkeer van de kinderen naar Nederland.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van verdachte
De reclassering heeft op 1 augustus 2025 een rapport opgemaakt over verdachte. De reclassering maakt in dat rapport de inschatting dat verdachte ontwricht is geraakt, omdat zij zich niet kon conformeren aan het “verwesterde (puber)gedrag” van haar dochter. Het maakte verdachte angstig dat zij niet langer de controle kon uitoefenen over het gedrag van haar dochter. Uit het rapport volgt verder dat er meerdere zorgmeldingen zijn gedaan en dat er al langere tijd zorgen zijn over het (emotionele) welzijn van de kinderen. Ook na de terugkeer van de kinderen naar Nederland zijn hier zorgen over. De kinderen verblijven sindsdien bij aangever en hebben onder begeleiding contact met verdachte. De reclassering kan niet inschatten of er sprake is van onderliggende psychische problematiek bij verdachte. Om meer zicht te krijgen op het (delict)gedrag van verdachte, acht de reclassering diagnostiek en ambulante behandeling door de GGZ geïndiceerd. De reclassering schat de kans op herhaling in als gemiddeld tot hoog.
Ter zitting heeft een deskundige van de reclassering, in aanvulling op en in afwijking van het eerdere advies, naar voren gebracht dat de reclassering op dit moment geen meerwaarde meer ziet in het opleggen van bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft zich in de afgelopen maanden gehouden aan de afspraken met de reclassering en de reclassering heeft de door haar noodzakelijk geachte hulpverlening ingezet. Verdachte lijkt echter niet te profiteren van die hulpverlening. De reclassering ziet dan ook geen rol meer voor zichzelf weggelegd om toezicht te houden op verdachte en haar te begeleiden in het kader van een eventueel op te leggen voorwaardelijke straf.
Straf
De rechtbank stelt voorop dat er voor deze delicten geen oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bestaan. Uit de jurisprudentie volgt echter dat in beginsel hoge gevangenisstraffen worden opgelegd in dit soort zaken. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in dit soort zaken, waarin kinderen worden onttrokken aan het wettig gezag en worden overgebracht naar het buitenland, vaak problematische situaties ontstaan omtrent de terugkeer van de kinderen naar Nederland. Dat is ook in deze zaak het geval geweest. Daarnaast heeft het overbrengen naar en het houden van kinderen in het buitenland vaak grote (psychische) gevolgen voor de kinderen en voor de ouder aan wiens gezag de kinderen zijn onttrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur passend zou zijn in deze zaak.
De rechtbank heeft echter ook oog voor de belangen van de kinderen van verdachte en aangever. Zij zijn er niet bij gebaat dat verdachte opnieuw naar de gevangenis moet. Ter zitting is gebleken dat het contact tussen verdachte en de kinderen goed verloopt. Verdachte ziet de kinderen weer meerdere keren per week en helpt aangever ook bij de opvoeding en verzorging van de kinderen. Ook het contact tussen verdachte en aangever is op dit moment goed en aangever heeft via een e-mail bericht aangegeven, mede gelet op het belang van de kinderen, niet te wensen dat verdachte nog verder wordt gestraft. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat verdachte zich in de afgelopen maanden heeft gehouden aan de voorwaarden die zijn opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf welke langer is dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten,
in deze zaak niet passend.
De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 360 dagen, waarvan 297 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Het forse voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat zij zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten en haar ervan te doordringen dat reizen met de kinderen naar het buitenland alleen kan wanneer en voor de periode waarvoor er uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming is van aangever. De rechtbank zal de proeftijd vaststellen op 3 jaren. De rechtbank ziet, gelet op het gewijzigde advies van de reclassering ter zitting, geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden aan verdachte.
Daarbij komt dat de kinderen onder toezicht zijn gesteld en dat er sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij aangever, zodat verdachte ook in dat kader dient mee te werken aan hulpverlening en zich dient te houden aan afspraken. Wel is de rechtbank van oordeel dat de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten niet dusdanig lang is geweest dat met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis kan worden volstaan. Daarvoor zijn de bewezenverklaarde feiten te ernstig voor wat betreft de aard, duur en omvang. Om die reden zal de rechtbank aan verdachte naast de hierboven vermelde straffen de maximale taakstraf van 240 uur opleggen.

Benadeelde partij

[vader kinderen] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 13.768,02 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen kan worden. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat verdachte en de benadeelde partij nog met elkaar gehuwd zijn en er dus sprake is van één vermogen. Zij kunnen daardoor niet tegen elkaar procederen. De raadsman heeft verder naar voren gebracht dat in familierechtelijke zaken het uitgangspunt is dat iedere partij de eigen kosten draagt. Verder heeft de raadsman betoogd dat de kosten voor de advocaat in Uganda onvoldoende zijn onderbouwd en het niet duidelijk is of de benadeelde partij de vliegtickets zelf heeft betaald of niet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier volgt dat de benadeelde partij en verdachte met elkaar in Uganda zijn getrouwd en dat zij ook getrouwd waren ten tijde van de
bewezen verklaarde strafbare feiten. Voordat de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering van de benadeelde partij kan komen, dient de rechtbank te onderzoeken welk huwelijksvermogensrecht, dat van Uganda of Nederland, van toepassing is. Vervolgens dient de rechtbank te onderzoeken wat dit, in het geval van toepassing van het Ugandese dan wel het Nederlandse recht, feitelijk betekent voor de huwelijksvermogenssituatie van de benadeelde partij en verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit het bestek van deze strafzaak te buiten gaat.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, te weten 297 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van
120 dagenzal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij [vader kinderen] (feit 1 en 2)
Verklaart de vordering van benadeelde partij [vader kinderen] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 april 2026.
Mr. E.M. Boskma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.