Eisers kregen bestuurlijke boetes opgelegd wegens het zonder vergunning laten bewonen van een woning door drie personen, wat in strijd is met het omzettingsverbod uit de Huisvestingsverordening 2022. Het college handhaafde de boetes ondanks een advies van de bezwaarcommissie om deze te herroepen.
De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was om de boetes op te leggen en het lik-op-stukbeleid niet onredelijk is. Wel is de hoogte van de boetes onevenredig gelet op de persoonlijke omstandigheden van eisers, de beperkte ernst van de overtreding en het geringe financiële voordeel. Daarom matigt de rechtbank de boetes met 30%.
Daarnaast is de redelijke termijn voor de uitspraak overschreden met 11 maanden, wat leidt tot een verdere matiging van 10%. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de boetes betreft en bepaalt de boetes op € 1.575,- en € 787,50. Het college moet het griffierecht vergoeden.