2.2.De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (door middel van telehoren), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Niet in geschil is dat verzoeker, gelet op de aard van de zaak, een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bij een beoordeling van een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet geldt op basis van de rechtspraak een beoordelings- en toetsingskader. Allereerst moet worden vastgesteld of de burgemeester bevoegd is om tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan. Vervolgens moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet in dit kader worden beoordeeld of sluiting van een pand geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse en het herstel van de openbare orde. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich er ten slotte van te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is, ook als de sluitingsduur zoals in dit geval in overeenstemming is met de duur die volgt uit de van toepassing zijnde beleidsregel.
Was de burgermeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is om tot woningsluiting over te gaan. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het aantreffen van een handelshoeveelheid hennep (opgenomen in lijst II van de Opiumwet) en van handelshoeveelheden methamfetamine, MDMA en cocaïne (opgenomen in lijst I van de Opiumwet). Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs de aangetroffen hoeveelheid in beginsel (ook) bestemd wordt voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Indien het tegendeel daarvan niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor de woning een last onder bestuursdwang op te leggen. In dit geval is 860 gram gedroogde henneptoppen, 7,29 gram methamfetamine, 1,40 gram MDMA en 27,43 gram cocaïne in de woning van verzoeker aangetroffen. De burgemeester heeft op grond van de omvang van de aangetroffen hoeveelheid drugs mogen aannemen dat de drugs ook bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met de “Beleidsregels Opiumwet 13b”. Volgens hoofdstuk 5 wordt zowel voor woningen als lokalen bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden. Hierbij is aangegeven dat op dit uitgangspunt een uitzondering wordt gemaakt bij het aantreffen van (alleen) een handelshoeveelheid softdrugs of hennep. In dat geval wordt in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van 3 maanden.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
7. Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Is de sluiting van de woning een geschikt middel om de beoogde doelen te bereiken en was de sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Over de geschiktheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de sluitingsdatum ertoe kan leiden dat de sluiting redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen van de sluiting. Door tijdsverloop kan het zijn dat de onrechtmatige situatie al is hersteld. Ook kan het zijn dat beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. De burgemeester moet beoordelen of de sluiting gelet op het tijdsverloop en op de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.