Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder de juiste vergunning, vastgesteld op 17 december 2024 in Sneek. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de beroepsgronden uit het pro forma-beroepschrift onvoldoende waren om twijfel te zaaien over de overtreding, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van het bewijs. De bebording (bord E9) was op de dag van de overtreding aanwezig en zichtbaar, zoals bevestigd door de verbalisant onder ambtsbelofte.
Er waren geen gronden voor matiging van de boete. Betrokkene stelde dat de officier van justitie een dwangsom had verbeurd wegens overschrijding van de beslistermijn, maar de kantonrechter stelde vast dat de beslistermijn rechtsgeldig was verlengd met een besluit van 28 mei 2025 en dat de ingebrekestelling prematuur was. Hierdoor was geen dwangsom verschuldigd.
De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter P.G. Wijtsma op 21 april 2026.