Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1872

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
25/548
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening zuiveringsheffing waterschap Noorderzijlvest 2024Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag zuiveringsheffing voor zelfstandige bedrijfsruimte in B&B

Eiseres exploiteert een Bed & Breakfast in een pand waar zij tevens woont. De heffingsambtenaar legde een aanslag zuiveringsheffing op gebaseerd op drie vervuilingseenheden. Eiseres betwistte dit en stelde dat het pand één ongedeelde woonruimte is, waarvoor al een aanslag is opgelegd.

De rechtbank beoordeelde of het appartement binnen het pand als een zelfstandige bedrijfsruimte kan worden aangemerkt. Uit de inrichting en het gebruik blijkt dat het appartement met eigen keuken en sanitair zelfstandig te gebruiken is, en dat de gebruikers niet meer dan 10% afhankelijk zijn van voorzieningen buiten het appartement. Het feit dat gasten soms gebruik mogen maken van woonruimten van eiseres en dat het ontbijt in de woonkeuken wordt bereid, leidt niet tot een hogere afhankelijkheid.

De rechtbank concludeert dat het appartement een afzonderlijk te gebruiken deel is en dat de aanslag zuiveringsheffing terecht is opgelegd, maar dat de aanslag moet worden verminderd tot één vervuilingseenheid. Eiseres krijgt het griffierecht vergoed, maar geen proceskostenvergoeding vanwege de niet-zakelijke rechtsbijstand door haar echtgenoot.

Uitkomst: De aanslag zuiveringsheffing is terecht opgelegd voor het zelfstandige appartement, maar verminderd tot één vervuilingseenheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/548

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar

(gemachtigde [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 31 december 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 maart 2024 een aanslag zuiveringsheffing over het jaar 2024 opgelegd, betreffende de locatie: [adres] , [bedrijf] . De aanslag is gebaseerd op drie vervuilingseenheden à € 84,87 en bedraagt € 254,61.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Feiten

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
2.1.
Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak aan de [adres] (het pand).
2.2.
Eiseres woont samen met haar echtgenoot en tevens gemachtigde op de begane grond en gedeeltelijk op de eerste verdieping van het pand.
2.3.
Op de eerste en tweede verdieping van het pand bevinden zich respectievelijk een kamer en een appartement die beide onder de noemer ‘Bed & Breakfast’ worden verhuurd. Op de aanslag is dit deel van het pand aangeduid met [bedrijf] .
2.4.
De ruimten waarin eiseres en haar echtgenoot wonen, de kamer op de eerste verdieping en het appartement op de tweede verdieping zijn ieder afzonderlijk afsluitbaar.
2.5.
Op de website van eiseres inzake de Bed & Breakfast heeft eiseres vermeld:

Het appartement.
Het appartement heeft een zitkamer met TV, een balkon op het ZW en uitzicht op [locatie], een slaapkamer met een 2-pers. bed, een keuken en een badkamer met douche, WC en wastafel. WiFi aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 31 december 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, die - kort gezegd - van mening is dat de onder 1.1. vermelde aanslag ten onrechte is opgelegd, omdat het pand één, ongedeelde woonruimte is waarvoor al een aanslag zuiveringsheffing is opgelegd. De heffingsambtenaar is van mening dat de onder 1.1. vermelde aanslag terecht is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag omdat van één vervuilingseenheid moet worden uitgegaan.
4. De rechtbank is van oordeel dat de onder 1.1. vermelde aanslag terecht is opgelegd, maar dat deze verminderd dient te worden, omdat van te veel vervuilingseenheden is uitgegaan
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
5.1.
De rechtbank overweegt dat de onder 1.1. vermelde aanslag zuiveringsheffing is gebaseerd op de Verordening op de zuiveringsheffing van waterschap Noorderzijlvest 2024 (de verordening).
5.2.
Volgens artikel 1, aanhef en onder e verstaat de verordening onder een woonruimte een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel tevoorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven.
5.3.
Volgens artikel 1, aanhef en onder f verstaat de verordening onder een bedrijfsruimte een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.
Standpunten van partijen
6.
6.1.
Eiseres heeft gesteld dat op de heffingsambtenaar de bewijslast rust de onder 1.1. vermelde aanslag te onderbouwen en dat hij daarin niet is geslaagd. Eiseres is van mening dat de heffingsambtenaar onderzoek had moeten doen bij haar thuis en dat een enkele verwijzing naar een website onvoldoende is, omdat dit slechts commerciële uitingen zijn.
6.2.
Eiseres heeft haar standpunt ter zitting toegelicht onder verwijzing naar de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 7 april 2016. [1] In die uitspraak, die eveneens zag op de vraag of het pand in zijn geheel als woonruimte gekwalificeerd kan worden, heeft het gerechtshof onder 5.8. overwogen dat “
de vraag(dient)
te worden beantwoord of in het pand delen zijn te onderkennen, c.q. de slaapkamers met bijbehorende badkamers, die, beoordeeld naar de inrichting van het pand (niet
naar de inrichting van de slaapkamers met bijbehorende badkamers) bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven.
6.3.
Eiseres heeft in dat kader aangevoerd dat als haar gasten vaker komen en zij ze leert kennen, ze gebruik mogen maken van het hele pand inclusief de onderdelen waar zij woont, zoals, de woonkamer, de keuken en de tuin.
6.4.
De heffingsambtenaar heeft verwezen naar de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2016. [2] In die uitspraak die zag op de vraag of het gedeelte van het pand dat voor een Bed & Breakfast wordt gebruikt, is aan te merken als een afzonderlijke bedrijfsruimte, heeft het gerechtshof in 4.4.1. overwogen dat “
van een bedrijfsruimte eerst sprake is indien de ruimte, voor wat betreft zijn bedrijfsfunctie, voldoende zelfstandigheid beschikt. Die zelfstandigheid dient naar het oordeel van het Hof te worden afgeleid uit de aard en inrichting van de ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van de bedrijfsruimte op een wijze waarvoor deze naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. In dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid.
6.5.
De heffingsambtenaar heeft in dat kader, onder verwijzing naar de website (2.5.), aangevoerd dat de Bed & Breakfast van eiseres over voldoende zelfstandigheid beschikt en onafhankelijk van de woonruimte van eiseres kan worden gebruikt.
6.6.
Eiseres heeft in het kader van de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van
21 januari 2016 aangevoerd dat er geen sprake is van een afzonderlijke bedrijfsruimte omdat het gebruik van de Bed & Breakfast afhankelijk is van voorzieningen in de woonruimte, waaronder alle aansluitingen voor nutsvoorzieningen en de keuken in verband met het bereiden van het ontbijt voor de in het Bed & Breakfast verblijvende gasten.
Oordeel van de rechtbank
7.
7.1.
De rechtbank overweegt dat eerst naar de inrichting van het gehele pand beoordeeld dient te worden of een deel daarvan bestemd is om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. Daarbij is relevant of de gebruikers van dat afzonderlijke deel voor het gebruik wel of niet afhankelijk zijn van andere ruimten in pand. Zoals bijvoorbeeld de keuken, de zitkamer, de tuin, de eetkamer, en wat voor andere ruimten ook aanwezig zouden zijn. [3] Voor die beoordeling beperkt de rechtbank zich eerst tot het appartement (2.3.).
7.2.
Gelet op de hiervoor onder 7.1. aangehaalde rechtspraak gaat het in dit beroep om de vraag of de inrichting van het pand de conclusie rechtvaardigt dat het appartement bestemd is om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven, hetgeen slechts het geval zal zijn indien de inrichting van het pand leidt tot de conclusie dat de gebruikers van het appartement niet, althans voor niet meer dan 10%, afhankelijk zijn van het gebruik van (voorzieningen in) de rest van het pand.
7.3.
De rechtbank stelt voorop dat de heffingsambtenaar voor de onderbouwing van de onder 1.1. vermelde aanslag gebruik mag maken van de door eiseres zelf opgestelde website. Hij mag daarbij, naar het oordeel van de rechtbank, uitgaan van de juistheid van de daar gepresenteerde situatie. Voor zover dit niet als bewijs kan dienen, is er in ieder geval sprake van een bewijsvermoeden. Het ligt dan ook op de weg van eiseres om te weerspreken én te onderbouwen dat de feitelijke situatie anders is. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd en neemt daarbij het volgende in aanmerking.
7.4.
Uit hetgeen op de website van eiseres (2.5.) staat, uit hetgeen eiseres in haar stukken heeft geschreven en ter zitting heeft toegelicht, leidt de rechtbank af dat op de tweede verdieping van het pand een appartement met eigen keuken en sanitair is gesitueerd dat door middel van de (gezamenlijke) voordeur en trap van het pand is te bereiken. Dit appartement dat bedoeld is voor langer of korter verblijf door betalende gasten is daarvoor, naar het oordeel van de rechtbank, zelfstandig te gebruiken. Eiseres heeft niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gebruikers van het appartement voor meer dan 10%, afhankelijk zijn van het gebruik van (voorzieningen in) de rest van het pand.
7.5.
Dat de aansluitingen van nutsvoorzieningen veelal niet in het appartement aanwezig zijn, maakt niet dat in het appartement geen gebruik van die nutsvoorzieningen kan worden gemaakt. Dat er gasten zijn, die omdat zij vaker komen, van eiseres gebruik mogen maken van de woonkamer, keuken en tuin behorende bij de woonruimte doet aan het voorgaande niets af. Ook het gegeven dat het ontbijt voor de gasten in het appartement, in de keuken in de woonruimte van eiseres, wordt bereid maakt dit niet anders. Dit brengt namelijk niet met zich mee dat het appartement daarmee voor meer dan 10%
afhankelijkis van voorzieningen buiten deze ruimte. Dit kan enkel gezien worden als keuzes van eiseres om haar gasten op een bepaalde (gastvrije) wijze te benaderen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd dat uitsluitend met dit gebruik sprake is van een afhankelijkheid van meer dan 10%.
7.6.
De rechtbank neemt ten slotte in aanmerking dat het feit dat zowel het appartement als de overige gedeelten in het pand afsluitbaar zijn, een duidelijke indicatie is dat de gebruikers voor het gebruik van het appartement niet afhankelijk zijn van de overige ruimten in het pand. Zij zouden anders immers letterlijk voor een dichte deur kunnen komen te staan.
7.7.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het appartement een deel van het pand is dat bestemd is om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. Alleen al voor dit deel heeft de heffingsambtenaar, naar het oordeel van de rechtbank, terecht de onder 1.1. vermelde aanslag opgelegd, zodat verdere beoordeling van het pand (de kamer op de eerste verdieping) achterwege kan blijven.
Formele punten
8.
8.1.
Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat het handelen van de heffingsambtenaar en het opleggen van de aanslag zuiveringsheffing duidt op volstrekte willekeur. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de aanslag zuiveringsheffing in 2023 voor het eerst aan eiseres is opgelegd naar aanleiding van een onderzoek. Bij dit onderzoek waren de gegevens van gemeentelijke heffingen in verband met het verblijf van gasten het uitgangspunt.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat mede in het licht van wat de heffingsambtenaar heeft gesteld ten aanzien van de aanleiding voor het opleggen van de aanslag en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen (7.1. tot en met 7.7.) eiseres onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een willekeurig opgelegde aanslag zuiveringsheffing.
9. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat de heffingsambtenaar bij zijn uitspraak op bezwaar selectief heeft geciteerd uit het hoorgesprek. De heffingsambtenaar betwist dat er een formeel hoorgesprek heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat partijen op
30 december 2024 telefonisch contact met elkaar hebben gehad. Gelet op het feit dat eiseres niet heeft gevraagd om een hoorgesprek en geen uitnodiging voor een hoorgesprek heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit telefoongesprek niet is aan te merken als een hoorgesprek. De heffingsambtenaar was dan ook niet verplicht om een (volledig) verslag van het telefoongesprek op te stellen en over te leggen. Het stond hem vrij bij de onderbouwing van zijn standpunt te selecteren uit de door hem telefonisch verkregen informatie.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat aan eiseres terecht een aanslag zuiveringsheffing is opgelegd. Nu de heffingsambtenaar ter zitting heeft verklaard dat de opgelegde aanslag tot een te hoog bedrag is vastgelegd, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de aanslag verminderen tot een aanslag ten bedrage van € 84,87, gebaseerd op één vervuilingseenheid.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden.
10.2.
Eiseres heeft gevraagd om vergoeding van haar proceskosten, vanwege professionele bijstand. Daartoe stelt haar gemachtigde dat hij in het verleden ook als professioneel gemachtigde optrad in WOZ-zaken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. Ten aanzien van de rechtsbijstand overweegt de rechtbank (i) dat sprake is van een familierelatie en het gezamenlijk voeren van een huishouding door eiseres en haar gemachtigde (tevens echtgenoot) en (ii) dat in die omstandigheden in beginsel moet worden aangenomen dat de rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend. De gemachtigde is bovendien een betrokkene bij het dossier, die desgevraagd geen kosten in rekening heeft gebracht en uit de omstandigheden van het geval leidt de rechtbank dan ook af dat de verleende rechtsbijstand de normale hulp tussen echtelieden niet te boven gaat. [4] De dienstverlening door de gemachtigde kwalificeert daarom niet als beroepsmatige bijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag zuiveringsheffing tot een bedrag van € 84,87;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden;
- bepaalt dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 19 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

4.Vgl. de arresten van de Hoge Raad van 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531 en van 6 juni 2014, nr. 13/04138, ECLI:NL:HR:2014:1313.