Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Het appartement.
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
de vraag(dient)
te worden beantwoord of in het pand delen zijn te onderkennen, c.q. de slaapkamers met bijbehorende badkamers, die, beoordeeld naar de inrichting van het pand (niet
naar de inrichting van de slaapkamers met bijbehorende badkamers) bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven.”
van een bedrijfsruimte eerst sprake is indien de ruimte, voor wat betreft zijn bedrijfsfunctie, voldoende zelfstandigheid beschikt. Die zelfstandigheid dient naar het oordeel van het Hof te worden afgeleid uit de aard en inrichting van de ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van de bedrijfsruimte op een wijze waarvoor deze naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. In dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid.”
afhankelijkis van voorzieningen buiten deze ruimte. Dit kan enkel gezien worden als keuzes van eiseres om haar gasten op een bepaalde (gastvrije) wijze te benaderen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd dat uitsluitend met dit gebruik sprake is van een afhankelijkheid van meer dan 10%.