17.37uur wordt aangegeven dat [gebruikersnaam 8] alles moet pakken en weg moet gaan. Verdachte geeft [gebruikersnaam 8] instructies over de telefoon. [gebruikersnaam 5] wil dat ze de doosjes openen, maar verdachte geeft aan dat hij eerst weg wil.15
De politie heeft de telefoons van de verdachten onderzocht. Hieruit blijkt dat: Snapchataccount [gebruikersnaam 9] toebehoort aan [medeverdachte 1] .16 Snapchataccount [gebruikersnaam 5] toebehoort aan [medeverdachte 3] .
Snapchataccount [gebruikersnaam 7] toebehoort aan [medeverdachte 4] .17
Snapchataccount [gebruikersnaam 3] toebehoort aan [medeverdachte 5] .18
Snapchataccount [gebruikersnaam 10] toebehoort aan [medeverdachte 2] .19
Op de telefoon van [medeverdachte 5] zijn Snapchatberichten aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte op 25 augustus 2024 vraagt wat hij allemaal moet fixen om te bellen. Verdachte wil gelijk beginnen, het liefst morgen al. Ook zijn op een telefoon van [medeverdachte 5] Snapchatberichten van 26 september 2024 aangetroffen tussen [gebruikersnaam 3] en verdachte. [gebruikersnaam 3] stuurt het adres [adres] .
Ongeveer 12 minuten later stuurt verdachte aangekomen. Vervolgens stuurt [gebruikersnaam 3] “man, is skeer, broski, door. Daarna stuurt verdachte si en richting Leeuwarden.20 Bij het gestuurde adres is een melding van oplichting gevonden van 26 september 2024. Melder gaf aan dat hij gebeld was en aan een nepagent had verteld dat hij bijna geen contant geld in huis had liggen. Hierna werd het gesprek beëindigd.21
Op 22 september 2024 wordt in de Snapchatgroep bestaande uit [gebruikersnaam 10] , [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 5] en verdachte een gesprek gevoerd. Volgens [gebruikersnaam 10] moeten ze haar iets van een tas klaar laten zetten. Er wordt een naam en nummer genoemd en verdachte geeft een tijdsindicatie. [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 5] geven aan dat het om een hattrick gaat.22 Volgens [medeverdachte 2] heeft hij de volgende dag op verzoek van een jongen uit de Snapchatgroep sieraden ingeleverd bij een pandhuis. Het geld moest hij afstaan aan de persoon die hem had gevraagd de sieraden in te leveren.23
Uit Snapchatberichten van 5 oktober 2024 tussen het account [gebruikersnaam 10] en dat van verdachte blijkt dat [gebruikersnaam 10] aan verdachte vraagt of hij via zijn mattie kan regelen dat hij djunta (een klus of werk) en betaald krijgt. Verdachte zal dat voor hem navragen. [gebruikersnaam 10] klaagt vervolgens dat hij 150 van drie djuntas geleden heeft gekregen, maar dat hij nog twee barki (tweehonderd euro) moet hebben en dan ook nog van vorige week en vandaag.24
Op 14 oktober 2024 is er een auto aangetroffen met hierin [medeverdachte 2] als bijrijder en [medeverdachte 1] als bestuurder. Beide personen zijn aangehouden. Er werd een tas aangetroffen. In deze tas werden meerdere witte enveloppen die briefgeld bevatten, sieraden en een origineel politieshirt aangetroffen. Tijdens de fouillering van [medeverdachte 1] werd een geldbedrag aangetroffen.25
Op 14 oktober 2024 werden bij de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] enveloppen met geld en/of sieraden weggenomen. De aangetroffen enveloppen met geld en de sieraden voldeden aan de omschrijvingen van de aangevers. Bij [slachtoffer 3] is een van de daders via een camera opgenomen. De verbalisant heeft [medeverdachte 2] op deze video herkend.26
Op 14 oktober 2024 is er een Snapchatgroep bestaande uit de accounts [gebruikersnaam 7] , [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 10] , [gebruikersnaam 9] , [gebruikersnaam 6] , [gebruikersnaam 11] , [gebruikersnaam 5] en het account van verdachte actief. In de berichten van deze dag wordt onder meer het adres van aangeefster [slachtoffer 1] , [adres] , en het adres van aangeefster [slachtoffer 3] , [adres] , gedeeld. Uit de berichten blijkt dat [gebruikersnaam 10] de persoon is die naar de woningen toe gaat om geld en sieraden op te halen. Dit account geeft op een gegeven moment aan dat [medeverdachte 1] rijdt. [gebruikersnaam 3] zegt op een gegeven moment dat ze weg moeten uit Balk en [gebruikersnaam 9] geeft aan dat hij naar de Mac gaat, waarna verdachte zegt dat hij er bijna is. [gebruikersnaam 10] geeft aan dat hij alles heeft: sieraden, geld met enveloppen en het vest. Hij zal dat aan [verdachte] (verdachte) meegeven.27 Verdachte heeft verklaard dat hij die dag in Lemmer met twee personen had afgesproken.28 Uit Snapchatberichten van 14 oktober 2024 tussen [gebruikersnaam 10] en [gebruikersnaam 7] , aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 2] , blijkt dat [verdachte] (verdachte) [medeverdachte 1] komt overnemen. Ook geeft [gebruikersnaam 10] aan dat hij naar [gebruikersnaam 7] teruggaat om zijn waggie terug te brengen. [gebruikersnaam 3] weet hiervan volgens [gebruikersnaam 10] .29
In de telefoon van een medeverdachte genaamd [medeverdachte 6] werden Snapchatberichten van 19 oktober 2024 aangetroffen. Op een vraag van [medeverdachte 6] wie gaat halen, geeft het account [gebruikersnaam 4] aan dat hij [verdachte] (verdachte) maar even moet snappen. Ook werden er twee fotos aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] . Op die fotos is te zien dat verdachte instructies geeft over een werkwijze. Er wordt verteld dat er mensen bellen die van scotoe (politie) zijn. Ze vertellen dat er een inbraak is geweest en dat er nog verdachten op de vlucht zijn. Degene die belt doet zich voor als vrouw. Deze vertelt dat er iemand langs komt om waardevolle spullen, zoals cash en goud, te scannen. De persoon wordt de gehele tijd aan de telefoon gehouden. Je moet goed de chat in de gaten houden en als ze zeggen dat je weg moet gaan, moet je weggaan. Je moet de driver de chat in de gaten laten houden
en de auto wordt in de straat ernaast geplaatst. Het is heel makkelijk werk als je goed luistert.30
Overwegingen van de rechtbank
Feiten 1 en 2:
diefstal en/of oplichting
Door zowel de officier van justitie als de raadsman is aangevoerd dat per aangever een keuze moet worden gemaakt of sprake is van diefstal (feit 1) of oplichting (feit 2).
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Voor een veroordeling ter zake van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wordt bewogen tot de afgifte van enig goed. De strafbare handeling is in dat geval gelegen in het de ander bewegen tot de afgifte van enig goed. Mede daarin onderscheidt oplichting zich van diefstal. Voor strafbaarheid is de daadwerkelijke afgifte van het goed vereist en de ander moet tot afgifte zijn bewogen door één van de in de delictsomschrijving geformuleerde oplichtingsmiddelen. Voor een veroordeling van diefstal is vereist dat sprake is van wegnemen van een goed. De bestanddelen afgifte en wegnemen worden in de rechtspraak ruim uitgelegd. Ook het toelaten dat een goed wordt weggenomen kan in voorkomende gevallen als afgifte worden aangemerkt. Hierdoor ontstaat ruimte voor de rechter om de bewezen verklaarde gedraging ofwel als afgifte in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht ofwel als wegnemen als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht aan te merken.
In casu zijn de aangevers telkens door oplichtingsmiddelen bewogen een persoon in hun woning toe te laten en hun geld en sieraden bij elkaar te zoeken of klaar te leggen. Vervolgens gaf of de aangever de goederen aan de persoon of de persoon pakte de goederen zelf. Telkens was dit om de goederen zogenaamd veilig te stellen.
Bij de diefstal is ten laste gelegd de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte en de medeverdachten zich de toegang van de plaats van het misdrijf en/of de goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van oplichtingsmiddelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval zowel afgifte als wegnemen ruim kan worden uitgelegd. Immers, ook het wegnemen werd toegelaten door de oplichtingsmiddelen.
Nu beide varianten zijn ten laste gelegd komt de rechtbank ten aanzien van de op 17 en 24 oktober 2024 gepleegde feiten tot een bewezenverklaring van zowel de onder 1. ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen als de onder 2. ten laste gelegde oplichtingen. De rechtbank zal echter wel de eendaadse samenloop aannemen tussen deze feiten.
Feiten 1 en 2: medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De
materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde delicten gepleegd op 17 en 24 oktober 2024 het volgende af. De verdachten bevonden zich met elkaar in een Snapchatgroep waarin ze communiceerden voor, tijdens en na de delicten. In deze groep was een duidelijke rolverdeling. Er waren personen die telefonisch contact opnamen met de aangevers, personen die de coördinatie voerden, personen die bij de woningen naar binnen gingen (halers) en personen die als chauffeur fungeerden. De personen die de coördinatie voerden gaven adressen door waar naartoe moest worden gereden, de naam en het nummer van de nepagent werden doorgegeven en ook het moment waarop men naar de woning mocht gaan werd doorgegeven. Verdachte maakte deel uit van deze groep en hij was beide dagen de bestuurder van de auto (de driver) die naar de adressen reed. Hij gaf telkens een tijdsindicatie wanneer hij bij de woning zou zijn. Zijn bijrijder was de persoon die telkens naar de woningen ging, de haler. Uit de uitgewerkte Snapchatberichten blijkt dat verdachte meer was dan enkel de chauffeur. Hij vroeg naar het moment waarop er naar binnen mocht worden gegaan en hij gaf ook instructies aan de haler over onder meer de buit. Terwijl de haler in de woning was kon verdachte volgen wat er gebeurde via de Snapchatberichten. Hij wist daardoor precies wanneer de haler de woning weer had verlaten en dat hij met de auto klaar moest staan, zodat ze snel konden vertrekken.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel verdachte niet in de woningen is geweest, is sprake van een gezamenlijke uitvoering. Er was sprake van een intensieve samenwerking tussen de verdachten en de rol van verdachte (chauffeur en het geven van instructies) bij het tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank ten aanzien van de op 17 en 24 oktober 2024 gepleegde feiten het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde bewezen.
Feit 3
Onder 3. wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 22 september 2024 tot en met 18 november 2024 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten diefstallen en/of oplichtingen.
De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarin een aandeel heeft, dan wel dit samenwerkingsverband ondersteunt, of gedragingen verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. (Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:264) en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413) De vragen die de rechtbank daarom dient te beantwoorden zijn:
Is er sprake van een organisatie? Is het oogmerk gericht op het plegen van de misdrijven diefstal en/of oplichting? En ten slotte: heeft verdachte deelgenomen aan deze organisatie?
De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.
Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie onder meer tot oogmerk heeft het plegen van de misdrijven diefstal en/of oplichting.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ten aanzien van de gekwalificeerde diefstallen en oplichtingen een specifieke en soortgelijke werkwijze af. Oudere slachtoffers worden opgebeld door een persoon die zich voordoet als politieagent. Deze vertelt dat er in de buurt van hun woningen inbraken hebben plaatsgevonden en dat ze aanwijzingen hebben dat ook in de woning van het slachtoffer zal worden ingebroken. Gevraagd wordt of ze aan de telefoon willen blijven en waardevolle goederen, zoals sieraden en geld, klaar willen leggen. Een agent komt daarna op bezoek om deze goederen te fotograferen, te taxeren of veilig te stellen. Deze agent kan zich identificeren door zijn naam en nummer, die telefonisch aan het slachtoffer worden doorgegeven. Hierna wordt hij binnengelaten en op het moment dat het slachtoffer wordt afgeleid gaat hij er met de waardevolle goederen vandoor.
De groep verdachten communiceert via een Snapchatgroep. Aan een haler, dat is de nepagent die aan de deur komt, en de driver, de chauffeur van de auto, worden telkens een adres, naam en nummer gegeven. De driver geeft door wanneer hij bij het adres is en wanneer hij er is volgt overleg wanneer de haler naar de woning mag gaan. Terwijl de haler in de woning is, is er continu contact tussen de personen in de Snapchatgroep. De beller, degene aan de telefoon, zorgt op het juiste moment voor de afleiding en de haler maakt fotos van de waardevolle goederen en ontvangt instructies hierover via de telefoon. Wanneer hij uit de woning komt met de buit staat de driver met de auto klaar om hem snel te kunnen vervoeren. Hierna krijgen ze een nieuw adres door, zodat ze naar de volgende klus kunnen. Dit gaat op een dag vaak meerdere malen op deze wijze.
Uit de berichten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat er sprake is van een betaling per klus. Bij [medeverdachte 2] is een achterstand in de betaling en verdachte zal dit voor hem navragen. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij voor zijn werk als driver op 17 en 24 oktober 2024 betaald zou krijgen. Ook uit zijn instructie aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] blijkt dat hij het makkelijk werken vindt. Uit de berichten van [medeverdachte 2] , een haler, blijkt dat hij de buit zal afgeven, dus aan anderen van de groep. [medeverdachte 2] heeft ook goud ingeleverd bij een pandhuis, waarvoor hij betaald zou krijgen.
De rechtbank maakt hieruit op dat sprake is van een organisatie met een duidelijke structuur en een duurzaam samenwerkingsverband met meerdere personen. Hierbij is ook sprake van een organisatiegraad. Iedereen heeft bij het plegen een eigen rol/functie zoals beller, driver en haler en men wordt aangestuurd door personen op afstand, die hoger in de organisatie staan. De haler geeft de buit af en de haler en driver worden betaald door de personen hoger in de organisatiegraad.
Uit de werkwijze van de organisatie blijkt dat het oogmerk van de organisatie er duidelijk op is gericht om door oplichtingsmiddelen oudere slachtoffers in het gehele land zoveel mogelijk geld en sieraden afhandig
te maken en zo dus gekwalificeerde diefstallen en oplichtingen te plegen. Voor de personen die hieraan mee doen is dit oogmerk ook heel duidelijk, omdat dit volgt uit de samenwerking en de focus op het wegnemen van sieraden en geld.
Uit de groepschatberichten blijkt dat in ieder geval [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en verdachte deelnemen aan deze organisatie. Verdachte heeft op 25 augustus 2024 aan [medeverdachte 5] gevraagd wat hij moet doen om beller te worden en dat hij snel wil beginnen. Dit duidt erop dat hij kijkt wat voor functie hij bij de organisatie kan vervullen. Ook kan het niet anders dan dat hij op dat moment het oogmerk van de organisatie kent, omdat hij informeert naar de functie van beller een onderdeel van de vaste werkwijze van de organisatie. Op 22 september 2024 is hij volgens de bewijsmiddelen voor het eerst betrokken bij een poging tot diefstal/oplichting als driver. In de periode hierna is hij bij diverse diefstallen en oplichtingen van de organisatie betrokken. Op 18 november 2024 heeft verdachte het land verlaten en vanaf dat moment blijkt niet dat hij nog actief was in de organisatie.
Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode meermalen als driver deelgenomen aan de organisatie. De rechtbank is echter van oordeel dat zijn rol groter is geweest en dat hij in direct contact stond met de personen die een aansturende rol hadden in de organisatie. Uit de berichten blijkt dat [medeverdachte 5] tijdens de diefstallen en oplichtingen een aansturende rol heeft. Dit is de persoon die verdachte aan de Snapchatgroep heeft toegevoegd. Verdachte is door [medeverdachte 2] benaderd over de betaling en verdachte zal hier navraag naar doen. Ook zijn er instructies van verdachte in omloop over hoe de diefstallen en oplichtingen gepleegd moeten worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte naast driver ook in een rol als tussenpersoon heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat verdachte ook een belangrijke aansturende rol in de organisatie had. De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde niettemin bewezen, nu het hebben van een dergelijke rol daarvoor geen vereiste is.