ECLI:NL:RBNNE:2026:193

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
18.094693.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van drie diefstallen en oplichtingen, veroordeling voor vijf diefstallen en oplichtingen en deelname aan een criminele organisatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een man die werd beschuldigd van meerdere diefstallen en oplichtingen. De verdachte is vrijgesproken van drie diefstallen en oplichtingen die plaatsvonden in Balk en Lemmer, maar is wel veroordeeld voor vijf andere diefstallen en oplichtingen die elders in Nederland zijn gepleegd. De rechtbank oordeelde dat de verdachte samen met anderen handelde en dat zijn betrokkenheid bij de diefstallen en oplichtingen voldoende gewicht had om te spreken van medeplegen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie die zich richtte op het plegen van deze delicten. De verdachte kreeg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de rol van de verdachte binnen de organisatie en de impact op de slachtoffers, die vaak oudere mensen waren. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij toegewezen, waarbij de verdachte hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.094693.25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 23.002365.21
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. Stegerhoek, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1. ​
hij, op of omstreeks de periode van 11 tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, enig geldbedrag(en) en/of sieraden, elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een of meer ander(en) toebehoorde(n), te weten aan:
  • [slachtoffer 1] ,
  • [slachtoffer 2] ,
  • [slachtoffer 3] ,
  • [slachtoffer 4] ,
  • [slachtoffer 5] ,
  • [slachtoffer 6] ,
  • [slachtoffer 7] ,
  • [slachtoffer 8] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels te weten door
  • (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of medewerker van een bank,
  • tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld gescand en/of veilig gesteld moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en/of
  • verdachte en/of medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te (laten) gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en/of
  • sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie mee te nemen;
subsidiair indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of anderen op of omstreeks de periode van 11 oktober tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of anderen, althans alleen, sieraden en/of contant geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
  • [slachtoffer 1] ,
  • [slachtoffer 2] ,
  • [slachtoffer 3] ,
  • [slachtoffer 4] ,
  • [slachtoffer 5] ,
  • [slachtoffer 6] ,
  • [slachtoffer 7] ,
  • [slachtoffer 8] ,
in elk geval aan een ander dan aan die [verdachte] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [verdachte] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen, en/of door een samenweefsel van verdichtsels door
  • (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of medewerker van een bank en/of
  • tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld gescand moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en/of
  • verdachte en/of medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te (laten) gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en/of - sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie mee te nemen,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks de periode van 11 tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door de adressen van aangevers door te geven aan medeverdachten en/of de medeverdachten aan te sturen over de valse hoedanigheid en/of de buit te innen;
hij op of omstreeks de periode van 11 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
een of meerdere perso(o)n(en)/aangever(s), te weten
  • [slachtoffer 1] ,
  • [slachtoffer 2] ,
  • [slachtoffer 3] ,
  • [slachtoffer 4] ,
  • [slachtoffer 5] ,
  • [slachtoffer 6] ,
  • [slachtoffer 7] ,
  • [slachtoffer 8] , heeft bewogen tot
  • afgifte van contante geldbedrag(en), althans enig geldbedrag(en), in elk geval enig goed en/of
  • afgifte van sieraden, althans enig goed,
door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- ( (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of medewerker van een bank,
  • tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld gescand moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en/of
  • verdachte en/of medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te (laten) gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en/of
  • sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie af te geven,
waardoor die perso(o)n(en)/aangever(s) werd/werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde ter beschikking stellen;
subsidiair indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of anderen op of omstreeks de periode van 11 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel en/of elders in Nederland althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel vanverdichtsels,
  • [slachtoffer 1]
  • [slachtoffer 2]
  • [slachtoffer 3]
  • [slachtoffer 4] ,
  • [slachtoffer 5] ,
  • [slachtoffer 6] ,
  • [slachtoffer 7] ,
  • [slachtoffer 8] ,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed te weten sieraden en/of contant geld, door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
  • (telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of medewerker van een bank,
  • tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld gescand moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en/of
  • verdachte en/of medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te (laten) gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en/of - sieraden en contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie af te geven,
waardoor die perso(o)n(en)/aangever(s) werd/werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde ter beschikking stellen,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks de periode van 11 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Balk en/of Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Oisterwijk en/of Eersel, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door de adressen van aangevers door te geven aan medeverdachten en/of de medeverdachten aan te sturen over de valse hoedanigheid en/of de buit te innen;
hij in of omstreeks de periode van 22 september 2024 tot en met 18 november 2024 te Balk en/of
Lemmer en/of Maastricht en/of Brunssum en/of Schinveld en/of Eersel en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van
  • oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en/of
  • diefstal met een valse sleutel als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. primair ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , voor het onder 2. primair ten aanzien van aangever [slachtoffer 6] en het onder 3. ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit de bewijsmiddelen en dan met name uit de Snapchatberichten volgt dat verdachte deel uitmaakt van de groep verdachten die de delicten ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gepleegd en dat hij is betrokken bij de delicten die op 14 oktober 2024 zijn gepleegd. Verdachte zou medeverdachte [medeverdachte 2] die dag overnemen, maar dan in de rol van chauffeur. Hij zou hiervoor naar Lemmer komen en heeft dat ook daadwerkelijk gedaan. Tevens zou hij op een nader afgesproken locatie de buit van medeverdachte [medeverdachte 2] in ontvangst nemen.
Uit de Snapchatberichten en uit de mastgegevens blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van de delicten ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , die op 17 oktober 2024 en 24 oktober 2024 hebben plaatsgevonden, in de directe omgeving van de pleegplaatsen is geweest. Voorts blijkt uit de chatberichten dat verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding van de delicten, door het vragen naar de naam en de code en het adres waar ze naartoe moesten gaan en tijdens de uitvoering in de rol als chauffeur en het geven van instructies aan de nepagent ter plaatse. Hiermee heeft hij een substantiële bijdrage geleverd aan de delicten en is er sprake van medeplegen.
Aangever [slachtoffer 6] is door oplichtingsmiddelen bewogen tot afgifte van de goederen, zodat hier sprake is van medeplegen van oplichting. Bij de andere aangevers zijn de goederen weggenomen, hetgeen oplevert diefstal in verenging, waarbij de schuldige zich door oplichtingsmiddelen de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het goed hiermee onder zijn bereik heeft gebracht.
Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde volgt uit het proces-verbaal criminele organisatie dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als drijfveer had het geld afhandig maken van zoveel mogelijk slachtoffers. Uit de Snapchatberichten blijkt dat er sprake was van een groepsverband tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair, 1. subsidiair ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] ,
2. primair, 2. subsidiair ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en het onder 3. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dient integrale vrijspraak te volgen, omdat -kortgezegd- uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat sprake is geweest van medeplegen en de vermeende bijdrage uitsluitend heeft bestaan uit het maken van een reisbeweging naar Lemmer. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat verdachte behulpzaam is geweest bij of tot het plegen
van deze feiten. Hij heeft geen rol gehad in de voorbereiding en heeft de buit ook niet overgenomen.
Inzake de overige aangevers heeft de raadsman aangevoerd dat het onder 1. primair en 2. primair niet kan worden bewezen, omdat geen sprake is van medeplegen. De rol van verdachte is volledig ondersteunend geweest. Hij zat ten tijde van de delicten klaar in de auto en heeft daarover informatie doorgegeven. Dit zijn handelingen die kenmerkend zijn voor een medeplichtige en niet voor een medepleger.
Ten aanzien van aangever [slachtoffer 6] is geen sprake van een wegnemingshandeling, zodat ook ten aanzien van deze aangever geen bewezenverklaring kan volgen voor het onder 1. (primair en subsidiair) ten laste gelegde.
Ten aanzien van de overige aangevers is geen sprake van afgifte van de goederen, zodat ten aanzien van deze aangevers geen bewezenverklaring voor het onder 2. (primair en subsidiair) kan volgen.
Betreffende het onder 3. ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]
De rechtbank overweegt ten aanzien van de delicten gepleegd op 14 oktober 2024 het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 14 oktober 2024 vanuit Amsterdam naar Friesland is gereden om twee personen op te halen. Waarom hij dit moest doen weet hij niet. De rechtbank vindt deze verklaring niet geloofwaardig. Uit de stukken volgt dat die twee personen over eigen vervoer beschikten. Tevens volgt uit de stukken dat verdachte deel uitmaakte van de Snapchatgroep waarin meerdere personen met elkaar communiceerden over de diefstallen dan wel oplichtingen die op 14 oktober 2024 zijn gepleegd. Uit de Snapchatberichten blijkt ook dat het de bedoeling was dat verdachte de werkzaamheden van medeverdachte [medeverdachte 2] die dag zou overnemen en dat hij als chauffeur tijdens de nog te plegen delicten zou fungeren. Mogelijk zou verdachte ook de reeds buitgemaakte goederen van medeverdachte [medeverdachte 2] overnemen. Verdachte heeft daarom met de medeverdachten in Lemmer afgesproken en is met deze intentie naar Lemmer gereden. Echter, voordat ze elkaar konden ontmoeten en verdachte een bijdrage kon leveren werden de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door de politie aangehouden en werd de buit inbeslaggenomen.
Uit de stukken volgt niet dat sprake was van een gezamenlijke uitvoering, terwijl evenmin is gebleken dat verdachte op andere wijze een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de diefstallen dan wel oplichtingen die zijn gepleegd op 14 oktober 2024. Ook in de voorbereiding hiervan had hij geen rol. Dat verdachte kennis nam van de delicten via de Snapchatberichten in de groep doet daar niet aan af. De rechtbank acht daarom niet bewijsbaar dat sprake is van medeplegen bij de delicten gepleegd op 14 oktober 2024. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat verdachte bij deze door anderen gepleegde feiten behulpzaam is geweest en dat daarmee sprake is geweest van medeplichtigheid bij deze feiten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair, 2. subsidiair ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ten laste gelegde.
Bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.
Uit de aangifte van [slachtoffer 4] , wonende [adres] , blijkt dat zij op 17 oktober 2024 omstreeks 14.45 uur werd gebeld door een vrouw, die haar vertelde dat ze [naam 2] van de politie in Maastricht was. De vrouw vertelde dat de politie een auto had gecontroleerd en de twee daarin zittende mannen had aangehouden. In deze auto lag een briefje waarop meerdere namen stonden, waaronder de naam en het adres van aangeefster. De vrouw zei dat ze moesten controleren of het goed was met aangeefster, omdat er bij haar in de buurt meerdere inbraken bij oudere mensen waren gepleegd. Een man met de naam [naam 9] met dienstnummer [nummer] nam vervolgens ook deel aan het telefoongesprek. De vrouw zei dat er een politieman in burger langs zou komen. Hij kon zich legitimeren met dienstnummer [nummer] . Om 15.50 uur ging de deurbel en er stond een man voor de deur. Hij vroeg waar het geld en de sieraden lagen. Hij pakte aangeefster haar portemonnee met daarin 3.000,-- en vervolgens zei hij dat hij de sieraden moest fotograferen voor de verzekering. Aangeefster opende het sieradenkistje en de man pakte hieruit een gouden ketting. Hij zei dat hij een foto van dit sieraad moest maken. Hij liep de voordeur uit met het sieraad en het geld. De vrouw aan de telefoon zei dat de man naar de auto zou gaan om een foto van het sieraad te maken en het geld zou controleren, waarna hij terug zou komen. De man is niet meer teruggekomen met het sieraad en het geld van aangeefster.2
Uit de aangifte van [slachtoffer 5] , wonende te [adres] , blijkt dat zij op 17 oktober 2024 omstreeks
17.45
uur werd gebeld door een man die zich zelf voorstelde als [naam 1] . Hij vertelde dat hij als politieagent werkte. De man vertelde vervolgens dat er in de buurt veel inbraken zijn gepleegd en dat ze een auto van de daders hadden gevonden. In die auto werd een envelop aangetroffen met de naam en het adres van aangeefster. De man had daarom het vermoeden dat ze zouden gaan inbreken bij aangeefster. Hierna werd aangeefster doorverbonden met een persoon die van de landelijke politie zou zijn. Dit was een vrouw, genaamd [naam 2] . De vrouw vroeg of ze sieraden en contant geld van meer dan 5.000,-- in huis had liggen. Aangeefster bevestigde dit. De vrouw zei vervolgens dat er een politieagent, genaamde [naam 3] , met nummer [nummer] , in burgerkleding zou langskomen. Om 19.00 uur kwam een man genaamd [naam 3] bij aangeefster aan de deur en zij heeft hem binnengelaten. Zij had het geld en de sieraden al klaargelegd. Hij heeft het geld en de sieraden gepakt en is wegegaan. Aangeefster had toen nog steeds de vrouw aan de lijn. Ze mocht namelijk niet ophangen, omdat het gesprek werd opgenomen. Later vertelde de vrouw dat ze het geld hadden geteld en dat dit 11.000,-- betrof. Ze vroeg of aangeefster het goed vond dat ze dit de volgende dag terug zouden brengen. De volgende dag besefte aangeefster dat ze het geld en de sieraden niet terug zou krijgen.3
Uit de aangifte van [slachtoffer 6] , wonende [adres] , blijkt dat zij op 17 oktober 2024 omstreeks 18.30 uur werd gebeld door een vrouw. Deze vrouw vertelde haar dat ze van de politie was en dat de politie drie mannen had aangehouden. In de auto van die mannen was een envelop aangetroffen met hierop het adres van aangeefster. Een vierde man zou nog op de vlucht zijn en de politie was bang dat deze bij aangeefster zou inbreken. Aangeefster werd verzocht om haar geld en al haar gouden sieraden klaar te leggen. Een mannelijke collega van de vrouw, genaamd [naam 4] met verbalisantennummer [nummer] , zou in burger gekleed, langskomen om dit op te halen en te laten taxeren. Een half uur later belde er een man aan die zich voorstelde als [naam 4] en zijn verbalisantennummer noemde. De man is kort binnen geweest en aangeefster heeft het geld en de sieraden aan hem meegegeven voor taxatie. Nadat de man weg was had aangeefster de vrouw nog steeds aan de lijn. Die vertelde haar dat ze zich geen zorgen moest maken en dat de politie dit altijd zo doet. Toen korte tijd later haar zoon de telefoon overnam had hij een man met een accent aan de lijn en werd de verbinding vanaf de andere zijde verbroken.4
Uit de aangifte van [naam 5] blijkt dat zijn moeder [slachtoffer 7] , wonende [adres] , op 24 oktober 2024 door mensen is gebeld die vroegen naar goud en geld. En dat ze tegen haar hebben gezegd dat haar dochter hier vanaf wist. Terwijl zijn moeder met deze personen aan de telefoon was kwam er een man langs en deze heeft zij binnengelaten. De man heeft diverse sieraden meegenomen. Volgens aangever heeft de buurvrouw van [slachtoffer 7] gezien dat er in het begin van de straat een onbekende auto stond met een draaiende motor. Er zat een man achter het stuur. Vervolgens zag de buurvrouw dat er een jongen hard aankwam rennen en in deze auto stapte.5
Uit de aangifte van [slachtoffer 8] , wonende [adres] , blijkt dat zij op 24 oktober 2024 omstreeks 17.00 uur is gebeld door een vrouw, genaamd [naam 6] , die vertelde dat zij van de politie in Eersel was en dat haar nummer [nummer] was. Zij vertelde aangeefster dat er in de omgeving verschillende inbraken waren geweest. De politie had al twee daders opgepakt, maar één nog niet. Er was een formulier gevonden met de naam en het adres van aangeefster. De vrouw gaf aan dat aangeefster zou worden gebeld door een rechercheur, genaamd [naam 7] met [nummer] . Deze zou meelopen in het onderzoek en aangeefster informatie geven om haar te beschermen. Terwijl ze nog met de vrouw aan de telefoon was ging haar mobiele telefoon. De vrouw zei dat ze moest opnemen, maar de vaste lijn ook moest openhouden. Toen aangeefster de mobiele telefoon aannam bleek dit een vrouw te zijn genaamd [naam 7] . Ze zei dat ze van de politie was. Deze vrouw vertelde over de inbraken in de omgeving en dat ze informatie over sieraden van aangeefster wilde en dat ze haar wilde helpen om die veilig te stellen. Ze vroeg ook of aangeefster haar sieraden klaar wilde leggen, want dan kwam er een politieagent, genaamd [naam 8] , in burger gekleed, langs om fotos te maken. Verder zei ze dat aangeefster dan vast kennis met hem kon maken, omdat hij de volgende dag langs zou komen met een formulier. Ook werd verteld dat de rechercheur contact had opgenomen met de man van aangeefster en dat hij zich grote zorgen maakte om de sieraden en aangeefster. Aangeefster zag vervolgens een man aan komen lopen en de vrouw aan de telefoon zei dat ze de voordeur open moest doen. De man stelde zich voor als [naam 8] , met nummer [nummer] .
Aangeefster moest de mobiele telefoon aan hem geven. Daarna is hij met haar de woning in gegaan. Hij hielp haar haar ketting en armband los te maken en legde deze bij de rest van de sieraden. Hij maakte vervolgens fotos van de sieraden. Daarna zei hij dat hij de sieraden naar het politiebureau in Eersel bracht en dat hij dan terug zou komen. De vrouw aan de telefoon zei tegen aangeefster dat ze op het politiebureau de waarde van de sieraden zouden gaan scannen. Aangeefster was nog met haar in gesprek toen de man ineens was vertrokken met de sieraden. Volgens de vrouw zou hij rond half zeven terug zijn. De vrouw had ook van de rechercheur gehoord dat de man van aangeefster zich zorgen maakte over het geld en ze vroeg of aangeefster ook al het geld naar beneden kon brengen. Dit geld zou worden opgehaald. Nadat de vrouw had opgehangen belde aangeefster haar man. Hij vertelde dat hij niet met de politie had gesproken.6
Verdachte heeft verklaard dat hij op 17 oktober 2024 als chauffeur naar Maastricht, Brunssum en Schinveld is geweest. Hij reed in een auto en kreeg via de Snapchatgroep een adres. Wanneer ze bij een adres aankwamen ging de persoon die naast hem in de auto zat, naar de woningen. Hij wist dat er geld en sieraden werden gestolen. Op 24 oktober 2024 ging het op dezelfde manier. Ook toen was hij de chauffeur en is hij in Oisterwijk en Eersel geweest en ging de persoon die naast hem zat naar de woningen om geld en sieraden te stelen. De adressen kreeg verdachte weer via de Snapchatgroep. Verdachte kreeg voor zijn werkzaamheden betaald.
Verdachte heeft verklaard dat hij zich in Snapchatgroepen bevond onder de naam [gebruikersnaam 1] . Alles wat door de persoon die achter dit account zat is gezegd, heeft hij gezegd. [medeverdachte 5] kent verdachte uit de buurt en deze persoon heeft hem in de groepen geplaatst.7 Uit het onderzoek van de politie blijkt dat aan het account [gebruikersnaam 1] de UserID [UserID] is gekoppeld.8 Op 21 oktober 2024 is de accountnaam bij deze UserID veranderd in [gebruikersnaam 2] .9
In Snapchatberichten afkomstig uit de telefoon van [naam 10] komt het Snapchataccount [gebruikersnaam 1] met userID: [UserID] voor.10
Uit de Snapchatberichten blijkt dat op 17 oktober 2024 om 15:02 uur het adres [adres] door account [gebruikersnaam 3] in de gespreksgroep wordt gedeeld. Te zien is dat het Snapchataccount van verdachte genaamd [gebruikersnaam 1] , hierna aangeduid als verdachte, wordt benaderd en verdachte geeft hierna een tijdsindicatie. Om 15.14 uur geeft verdachte aan dat hij er is. Vervolgens wordt door [gebruikersnaam 3] een naam en het nummer [nummer] doorgegeven en verdachte zegt dat hij nu gaat. [gebruikersnaam 3] geeft het account [gebruikersnaam 4] aanwijzingen wat hij moet doen. Hij moet onder andere pap pakken en een gouden ketting. Wanneer [gebruikersnaam 4] weg kan vraagt hij verdachte waar hij staat.11
Op 17 oktober 2024 om 18:37 uur deelt het account [gebruikersnaam 5] het adres [adres] in de Snapchatgroep. Hij geeft hierbij ook aan cash en sieraden, de naam [naam 3] en nummer [nummer] . Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie door. Door [gebruikersnaam 3] wordt aangegeven dat ze op groen licht moeten wachten. Dit bevestigt verdachte. Vervolgens vraagt [gebruikersnaam 4] om een huisnummer. Verdachte geeft hierna instructies om bij het juiste adres te komen. Ook geeft verdachte [gebruikersnaam 4] instructies om al het goudkleurige bij elkaar te leggen.12
Op 17 oktober 2024 om 19:15 uur wordt door [gebruikersnaam 5] het adres [adres] gedeeld in de gespreksgroep. Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie en dat [gebruikersnaam 3] aan de lijn moet blijven tot ze klaar zijn met deze en dat ze dan weg moeten. [gebruikersnaam 5] geeft de naam [naam 3] door. In de groep wordt gevraagd waar verdachte staat. Hij geeft aan dat hij nog op dezelfde plek staat.13 Op 24 oktober 2024 om 15:14 uur wordt door het account [gebruikersnaam 6] het adres [adres] gedeeld in de gespreksgroep. Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie en vraagt of ze moeten gaan of wachten.
Hierop wordt geantwoord door [gebruikersnaam 3] dat hij moet “Vliegen", waarop verdachte antwoordt: Ai. Om 15:30 uur geeft verdachte aan dat ze er zijn en vraagt om groen licht. Hierop wordt door [gebruikersnaam 6] aangegeven ga. Het account [gebruikersnaam 7] geeft aanwijzingen aan het account [gebruikersnaam 8] over wat te doen in de woning. Uit de berichten blijkt dat zij voor [gebruikersnaam 8] goud bij elkaar zoekt.14
Op 24 oktober 2024 om 17.03 uur wordt door [gebruikersnaam 3] het adres [adres] gedeeld in de Snapchatgroep. Verdachte geeft hierna een tijdsindicatie en vraagt om naam en code. Door [gebruikersnaam 3] wordt de naam [naam 8] en de code [nummer] doorgegeven. Ook geeft hij aan dat er gewacht moet worden op groen licht. Verdachte antwoordt met 'Si". [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 7] geven [gebruikersnaam 8] instructies wat te doen wanneer hij in de woning is. Om
17.37
uur wordt aangegeven dat [gebruikersnaam 8] alles moet pakken en weg moet gaan. Verdachte geeft [gebruikersnaam 8] instructies over de telefoon. [gebruikersnaam 5] wil dat ze de doosjes openen, maar verdachte geeft aan dat hij eerst weg wil.15
De politie heeft de telefoons van de verdachten onderzocht. Hieruit blijkt dat: Snapchataccount [gebruikersnaam 9] toebehoort aan [medeverdachte 1] .16 Snapchataccount [gebruikersnaam 5] toebehoort aan [medeverdachte 3] .
Snapchataccount [gebruikersnaam 7] toebehoort aan [medeverdachte 4] .17
Snapchataccount [gebruikersnaam 3] toebehoort aan [medeverdachte 5] .18
Snapchataccount [gebruikersnaam 10] toebehoort aan [medeverdachte 2] .19
Op de telefoon van [medeverdachte 5] zijn Snapchatberichten aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte op 25 augustus 2024 vraagt wat hij allemaal moet fixen om te bellen. Verdachte wil gelijk beginnen, het liefst morgen al. Ook zijn op een telefoon van [medeverdachte 5] Snapchatberichten van 26 september 2024 aangetroffen tussen [gebruikersnaam 3] en verdachte. [gebruikersnaam 3] stuurt het adres [adres] .
Ongeveer 12 minuten later stuurt verdachte aangekomen. Vervolgens stuurt [gebruikersnaam 3] “man, is skeer, broski, door. Daarna stuurt verdachte si en richting Leeuwarden.20 Bij het gestuurde adres is een melding van oplichting gevonden van 26 september 2024. Melder gaf aan dat hij gebeld was en aan een nepagent had verteld dat hij bijna geen contant geld in huis had liggen. Hierna werd het gesprek beëindigd.21
Op 22 september 2024 wordt in de Snapchatgroep bestaande uit [gebruikersnaam 10] , [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 5] en verdachte een gesprek gevoerd. Volgens [gebruikersnaam 10] moeten ze haar iets van een tas klaar laten zetten. Er wordt een naam en nummer genoemd en verdachte geeft een tijdsindicatie. [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 5] geven aan dat het om een hattrick gaat.22 Volgens [medeverdachte 2] heeft hij de volgende dag op verzoek van een jongen uit de Snapchatgroep sieraden ingeleverd bij een pandhuis. Het geld moest hij afstaan aan de persoon die hem had gevraagd de sieraden in te leveren.23
Uit Snapchatberichten van 5 oktober 2024 tussen het account [gebruikersnaam 10] en dat van verdachte blijkt dat [gebruikersnaam 10] aan verdachte vraagt of hij via zijn mattie kan regelen dat hij djunta (een klus of werk) en betaald krijgt. Verdachte zal dat voor hem navragen. [gebruikersnaam 10] klaagt vervolgens dat hij 150 van drie djuntas geleden heeft gekregen, maar dat hij nog twee barki (tweehonderd euro) moet hebben en dan ook nog van vorige week en vandaag.24
Op 14 oktober 2024 is er een auto aangetroffen met hierin [medeverdachte 2] als bijrijder en [medeverdachte 1] als bestuurder. Beide personen zijn aangehouden. Er werd een tas aangetroffen. In deze tas werden meerdere witte enveloppen die briefgeld bevatten, sieraden en een origineel politieshirt aangetroffen. Tijdens de fouillering van [medeverdachte 1] werd een geldbedrag aangetroffen.25
Op 14 oktober 2024 werden bij de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] enveloppen met geld en/of sieraden weggenomen. De aangetroffen enveloppen met geld en de sieraden voldeden aan de omschrijvingen van de aangevers. Bij [slachtoffer 3] is een van de daders via een camera opgenomen. De verbalisant heeft [medeverdachte 2] op deze video herkend.26
Op 14 oktober 2024 is er een Snapchatgroep bestaande uit de accounts [gebruikersnaam 7] , [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 10] , [gebruikersnaam 9] , [gebruikersnaam 6] , [gebruikersnaam 11] , [gebruikersnaam 5] en het account van verdachte actief. In de berichten van deze dag wordt onder meer het adres van aangeefster [slachtoffer 1] , [adres] , en het adres van aangeefster [slachtoffer 3] , [adres] , gedeeld. Uit de berichten blijkt dat [gebruikersnaam 10] de persoon is die naar de woningen toe gaat om geld en sieraden op te halen. Dit account geeft op een gegeven moment aan dat [medeverdachte 1] rijdt. [gebruikersnaam 3] zegt op een gegeven moment dat ze weg moeten uit Balk en [gebruikersnaam 9] geeft aan dat hij naar de Mac gaat, waarna verdachte zegt dat hij er bijna is. [gebruikersnaam 10] geeft aan dat hij alles heeft: sieraden, geld met enveloppen en het vest. Hij zal dat aan [verdachte] (verdachte) meegeven.27 Verdachte heeft verklaard dat hij die dag in Lemmer met twee personen had afgesproken.28 Uit Snapchatberichten van 14 oktober 2024 tussen [gebruikersnaam 10] en [gebruikersnaam 7] , aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 2] , blijkt dat [verdachte] (verdachte) [medeverdachte 1] komt overnemen. Ook geeft [gebruikersnaam 10] aan dat hij naar [gebruikersnaam 7] teruggaat om zijn waggie terug te brengen. [gebruikersnaam 3] weet hiervan volgens [gebruikersnaam 10] .29
In de telefoon van een medeverdachte genaamd [medeverdachte 6] werden Snapchatberichten van 19 oktober 2024 aangetroffen. Op een vraag van [medeverdachte 6] wie gaat halen, geeft het account [gebruikersnaam 4] aan dat hij [verdachte] (verdachte) maar even moet snappen. Ook werden er twee fotos aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] . Op die fotos is te zien dat verdachte instructies geeft over een werkwijze. Er wordt verteld dat er mensen bellen die van scotoe (politie) zijn. Ze vertellen dat er een inbraak is geweest en dat er nog verdachten op de vlucht zijn. Degene die belt doet zich voor als vrouw. Deze vertelt dat er iemand langs komt om waardevolle spullen, zoals cash en goud, te scannen. De persoon wordt de gehele tijd aan de telefoon gehouden. Je moet goed de chat in de gaten houden en als ze zeggen dat je weg moet gaan, moet je weggaan. Je moet de driver de chat in de gaten laten houden
en de auto wordt in de straat ernaast geplaatst. Het is heel makkelijk werk als je goed luistert.30
Overwegingen van de rechtbank
Feiten 1 en 2:
diefstal en/of oplichting
Door zowel de officier van justitie als de raadsman is aangevoerd dat per aangever een keuze moet worden gemaakt of sprake is van diefstal (feit 1) of oplichting (feit 2).
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Voor een veroordeling ter zake van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wordt bewogen tot de afgifte van enig goed. De strafbare handeling is in dat geval gelegen in het de ander bewegen tot de afgifte van enig goed. Mede daarin onderscheidt oplichting zich van diefstal. Voor strafbaarheid is de daadwerkelijke afgifte van het goed vereist en de ander moet tot afgifte zijn bewogen door één van de in de delictsomschrijving geformuleerde oplichtingsmiddelen. Voor een veroordeling van diefstal is vereist dat sprake is van wegnemen van een goed. De bestanddelen afgifte en wegnemen worden in de rechtspraak ruim uitgelegd. Ook het toelaten dat een goed wordt weggenomen kan in voorkomende gevallen als afgifte worden aangemerkt. Hierdoor ontstaat ruimte voor de rechter om de bewezen verklaarde gedraging ofwel als afgifte in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht ofwel als wegnemen als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht aan te merken.
In casu zijn de aangevers telkens door oplichtingsmiddelen bewogen een persoon in hun woning toe te laten en hun geld en sieraden bij elkaar te zoeken of klaar te leggen. Vervolgens gaf of de aangever de goederen aan de persoon of de persoon pakte de goederen zelf. Telkens was dit om de goederen zogenaamd veilig te stellen.
Bij de diefstal is ten laste gelegd de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte en de medeverdachten zich de toegang van de plaats van het misdrijf en/of de goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van oplichtingsmiddelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval zowel afgifte als wegnemen ruim kan worden uitgelegd. Immers, ook het wegnemen werd toegelaten door de oplichtingsmiddelen.
Nu beide varianten zijn ten laste gelegd komt de rechtbank ten aanzien van de op 17 en 24 oktober 2024 gepleegde feiten tot een bewezenverklaring van zowel de onder 1. ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen als de onder 2. ten laste gelegde oplichtingen. De rechtbank zal echter wel de eendaadse samenloop aannemen tussen deze feiten.
Feiten 1 en 2: medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De
materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde delicten gepleegd op 17 en 24 oktober 2024 het volgende af. De verdachten bevonden zich met elkaar in een Snapchatgroep waarin ze communiceerden voor, tijdens en na de delicten. In deze groep was een duidelijke rolverdeling. Er waren personen die telefonisch contact opnamen met de aangevers, personen die de coördinatie voerden, personen die bij de woningen naar binnen gingen (halers) en personen die als chauffeur fungeerden. De personen die de coördinatie voerden gaven adressen door waar naartoe moest worden gereden, de naam en het nummer van de nepagent werden doorgegeven en ook het moment waarop men naar de woning mocht gaan werd doorgegeven. Verdachte maakte deel uit van deze groep en hij was beide dagen de bestuurder van de auto (de driver) die naar de adressen reed. Hij gaf telkens een tijdsindicatie wanneer hij bij de woning zou zijn. Zijn bijrijder was de persoon die telkens naar de woningen ging, de haler. Uit de uitgewerkte Snapchatberichten blijkt dat verdachte meer was dan enkel de chauffeur. Hij vroeg naar het moment waarop er naar binnen mocht worden gegaan en hij gaf ook instructies aan de haler over onder meer de buit. Terwijl de haler in de woning was kon verdachte volgen wat er gebeurde via de Snapchatberichten. Hij wist daardoor precies wanneer de haler de woning weer had verlaten en dat hij met de auto klaar moest staan, zodat ze snel konden vertrekken.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel verdachte niet in de woningen is geweest, is sprake van een gezamenlijke uitvoering. Er was sprake van een intensieve samenwerking tussen de verdachten en de rol van verdachte (chauffeur en het geven van instructies) bij het tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank ten aanzien van de op 17 en 24 oktober 2024 gepleegde feiten het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde bewezen.
Feit 3
Onder 3. wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 22 september 2024 tot en met 18 november 2024 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten diefstallen en/of oplichtingen.
De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarin een aandeel heeft, dan wel dit samenwerkingsverband ondersteunt, of gedragingen verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. (Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:264) en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413)
De vragen die de rechtbank daarom dient te beantwoorden zijn:
Is er sprake van een organisatie? Is het oogmerk gericht op het plegen van de misdrijven diefstal en/of oplichting? En ten slotte: heeft verdachte deelgenomen aan deze organisatie?
De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.
Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie onder meer tot oogmerk heeft het plegen van de misdrijven diefstal en/of oplichting.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ten aanzien van de gekwalificeerde diefstallen en oplichtingen een specifieke en soortgelijke werkwijze af. Oudere slachtoffers worden opgebeld door een persoon die zich voordoet als politieagent. Deze vertelt dat er in de buurt van hun woningen inbraken hebben plaatsgevonden en dat ze aanwijzingen hebben dat ook in de woning van het slachtoffer zal worden ingebroken. Gevraagd wordt of ze aan de telefoon willen blijven en waardevolle goederen, zoals sieraden en geld, klaar willen leggen. Een agent komt daarna op bezoek om deze goederen te fotograferen, te taxeren of veilig te stellen. Deze agent kan zich identificeren door zijn naam en nummer, die telefonisch aan het slachtoffer worden doorgegeven. Hierna wordt hij binnengelaten en op het moment dat het slachtoffer wordt afgeleid gaat hij er met de waardevolle goederen vandoor.
De groep verdachten communiceert via een Snapchatgroep. Aan een haler, dat is de nepagent die aan de deur komt, en de driver, de chauffeur van de auto, worden telkens een adres, naam en nummer gegeven. De driver geeft door wanneer hij bij het adres is en wanneer hij er is volgt overleg wanneer de haler naar de woning mag gaan. Terwijl de haler in de woning is, is er continu contact tussen de personen in de Snapchatgroep. De beller, degene aan de telefoon, zorgt op het juiste moment voor de afleiding en de haler maakt fotos van de waardevolle goederen en ontvangt instructies hierover via de telefoon. Wanneer hij uit de woning komt met de buit staat de driver met de auto klaar om hem snel te kunnen vervoeren. Hierna krijgen ze een nieuw adres door, zodat ze naar de volgende klus kunnen. Dit gaat op een dag vaak meerdere malen op deze wijze.
Uit de berichten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat er sprake is van een betaling per klus. Bij [medeverdachte 2] is een achterstand in de betaling en verdachte zal dit voor hem navragen. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij voor zijn werk als driver op 17 en 24 oktober 2024 betaald zou krijgen. Ook uit zijn instructie aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 6] blijkt dat hij het makkelijk werken vindt. Uit de berichten van [medeverdachte 2] , een haler, blijkt dat hij de buit zal afgeven, dus aan anderen van de groep. [medeverdachte 2] heeft ook goud ingeleverd bij een pandhuis, waarvoor hij betaald zou krijgen.
De rechtbank maakt hieruit op dat sprake is van een organisatie met een duidelijke structuur en een duurzaam samenwerkingsverband met meerdere personen. Hierbij is ook sprake van een organisatiegraad. Iedereen heeft bij het plegen een eigen rol/functie zoals beller, driver en haler en men wordt aangestuurd door personen op afstand, die hoger in de organisatie staan. De haler geeft de buit af en de haler en driver worden betaald door de personen hoger in de organisatiegraad.
Uit de werkwijze van de organisatie blijkt dat het oogmerk van de organisatie er duidelijk op is gericht om door oplichtingsmiddelen oudere slachtoffers in het gehele land zoveel mogelijk geld en sieraden afhandig
te maken en zo dus gekwalificeerde diefstallen en oplichtingen te plegen. Voor de personen die hieraan mee doen is dit oogmerk ook heel duidelijk, omdat dit volgt uit de samenwerking en de focus op het wegnemen van sieraden en geld.
Uit de groepschatberichten blijkt dat in ieder geval [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en verdachte deelnemen aan deze organisatie. Verdachte heeft op 25 augustus 2024 aan [medeverdachte 5] gevraagd wat hij moet doen om beller te worden en dat hij snel wil beginnen. Dit duidt erop dat hij kijkt wat voor functie hij bij de organisatie kan vervullen. Ook kan het niet anders dan dat hij op dat moment het oogmerk van de organisatie kent, omdat hij informeert naar de functie van beller een onderdeel van de vaste werkwijze van de organisatie. Op 22 september 2024 is hij volgens de bewijsmiddelen voor het eerst betrokken bij een poging tot diefstal/oplichting als driver. In de periode hierna is hij bij diverse diefstallen en oplichtingen van de organisatie betrokken. Op 18 november 2024 heeft verdachte het land verlaten en vanaf dat moment blijkt niet dat hij nog actief was in de organisatie.
Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode meermalen als driver deelgenomen aan de organisatie. De rechtbank is echter van oordeel dat zijn rol groter is geweest en dat hij in direct contact stond met de personen die een aansturende rol hadden in de organisatie. Uit de berichten blijkt dat [medeverdachte 5] tijdens de diefstallen en oplichtingen een aansturende rol heeft. Dit is de persoon die verdachte aan de Snapchatgroep heeft toegevoegd. Verdachte is door [medeverdachte 2] benaderd over de betaling en verdachte zal hier navraag naar doen. Ook zijn er instructies van verdachte in omloop over hoe de diefstallen en oplichtingen gepleegd moeten worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte naast driver ook in een rol als tussenpersoon heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat verdachte ook een belangrijke aansturende rol in de organisatie had. De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde niettemin bewezen, nu het hebben van een dergelijke rol daarvoor geen vereiste is.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. ​
hij in de periode van 17 tot en met 24 oktober 2024 te Maastricht en Brunssum en Schinveld en Oisterwijk en Eersel, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geldbedragen en/of sieraden, die aan een ander toebehoorden, te weten aan:
  • [slachtoffer 4] ,
  • [slachtoffer 5] ,
  • [slachtoffer 6] ,
  • [slachtoffer 7] ,
  • [slachtoffer 8] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels te weten door
  • telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie,
  • tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en dat sieraden en/of contant geld gescand en/of veilig gesteld moesten worden en dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en dat voornoemde personen de sieraden
en/of contant geld klaar moest leggen en
  • verdachte en medeverdachten naar de woning van voornoemde personen te laten gaan en zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en
  • sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie mee te nemen;
hij in de periode van 17 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Maastricht en Brunssum en Schinveld en Oisterwijk en Eersel en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten
  • [slachtoffer 4] ,
  • [slachtoffer 5] ,
  • [slachtoffer 6] ,
  • [slachtoffer 7] ,
  • [slachtoffer 8] , heeft bewogen tot
  • afgifte van contante geldbedragen en/of
  • afgifte van sieraden,
door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
  • telefonisch contact op te nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en
  • tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en dat sieraden en/of contant geld gescand moesten worden en dat een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en dat voornoemde personen de sieraden en/of contant geld klaar moest leggen en
  • verdachte en medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te gaan en zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar en
  • sieraden en/of contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie af te laten geven,
waardoor die personen werden bewogen tot voornoemde afgifte en het voornoemde ter beschikking te stellen;
hij in de periode van 22 september 2024 tot en met 18 november 2024 te Maastricht en Brunssum en Schinveld en Eersel en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van
  • oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en
  • diefstal als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren een zodanig samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.
Door de raadsman is bepleit dat tussen het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde en het onder
3. ten laste gelegde eveneens sprake is een eendaadse samenloop.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat de handelingen gepleegd onder het 1. primair en 2. primair ten laste gelegde onderdeel zijn van het onder 3. ten laste gelegde, maar dat deze niet gelijksoortige misdrijven betreffen. De onder 1. primair en onder 2. primair ten laste gelegde delicten beschermen de eigendom van een goed in ruime zin en het onder 3. ten laste gelegde delict beschermt de samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Daarbij komt dat de handelingen die worden verweten in het onder 3. ten laste gelegde uitgebreider en meer omvattend zijn dan enkel de gedragingen genoemd in het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een eendaadse samenloop tussen deze feiten. Het verweer wordt verworpen.
Het bewezen verklaarde levert op:
eendaadse samenloop van:
1. primair diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd en
2. primair medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
3. deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , het onder 2. primair ten aanzien van aangever [slachtoffer 6] en het onder 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met
aftrek van het voorarrest. Tevens heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd. De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij voor de strafmaat aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor inbraken en dat zij in de strafmaat rekening houdt met de omstandigheid dat verdachte een aansturende rol heeft gehad in de criminele organisatie. Tevens heeft ze rekening gehouden met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor het matigen van de straf, zoals is gevorderd, tot een gevangenisstraf van maximaal twaalf maanden met een deel voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest. De raadsman heeft verwezen naar jurisprudentie inzake gelijksoortige delicten en heeft benadrukt dat verdachte nog erg jong is en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies opgemaakt door Inforsa op 8 oktober 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf oplichtingen dan wel diefstallen waarbij oplichtingsmiddelen werden gebruikt. Hij deed dit telkens samen met anderen. Ook heeft verdachte gedurende een periode van twee maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die als doel had dit soort oplichtingen in het gehele land te plegen. In de organisatie had hij een uitvoerende rol als chauffeur en hij fungeerde als tussenpersoon. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op zulke doortrapte en slinkse wijze sieraden en geld afhandig heeft gemaakt van de slachtoffers. Slachtoffers die naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig, maar op basis van hun hoge leeftijd werden uitgekozen. De gestolen sieraden hadden vaak naast een financiële waarde ook een emotionele waarde voor de slachtoffers. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich op geen enkel moment lijkt te hebben gerealiseerd welke gevolgen de door hem gepleegde feiten voor de slachtoffers hebben gehad. Verdachte heeft er niet alleen mede voor gezorgd dat de slachtoffers financiële schade hebben opgelopen, maar heeft ook het vertrouwen dat zij hadden in de medemens en in de politie ernstig geschaad. De slachtoffers waren in de veronderstelling dat een agent hen kwam helpen in hun woningen, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen, maar in plaats daarvan werden zij beroofd van voor hun dierbare en onvervangbare sieraden en geld. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte puur heeft gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld en zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de financiële en psychische schade waarmee hij de vele slachtoffers opzadelde. Uit de aangiftes en de nazorg gesprekken is gebleken dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op het leven van de slachtoffers groot is geweest.
Doordat sprake is van een eendaadse samenloop tussen het onder 1. primair en 2. primair bewezenverklaarde, zal de rechtbank, gelet op artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid, bij de strafoplegging slechts rekening houden met de feiten waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Dit betreffen de gekwalificeerde diefstallen die onder 1. primair zijn bewezenverklaard. Hierop staat een maximale gevangenisstraf van negen jaar. Daarnaast is sprake van deelname aan een criminele organisatie.
Voor de onderhavige strafbare feiten heeft het LOVS geen oriëntatiepunten. Anders dan door de officier van justitie en de verdediging is aangevoerd, zal de rechtbank voor de strafmaat niet de oriëntatiepunten voor inbraken, te weten drie maanden per delict, als uitgangspunt nemen. De rechtbank acht de strafbare feiten niet te vergelijken. De oudere slachtoffers zijn in hun fysieke bijzijn in hun eigen woning bestolen van hun kostbaarheden. Dit door een persoon die ze zelf hebben binnengelaten en zich heeft voorgedaan als een politieagent. Hierdoor is niet alleen het eigendoms- en huisrecht geschonden, maar ook is het vertrouwen in een openbare autoriteit geschonden en dit heeft maatschappelijke gevolgen. Door de officier van justitie is ter zitting medegedeeld dat de politie tijdens het onderzoek naar de strafbare feiten werd belemmerd, omdat de slachtoffers moeite hadden de politie te vertrouwen.
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte ondanks zijn jonge leeftijd al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verdachte liep ten tijde van het plegen van de delicten in de proeftijd van een eerdere veroordeling. Dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. In strafmatigende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met een inmiddels onherroepelijke veroordeling voor andere strafbare feiten.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering, gelet op de proceshouding van verdachte, geen inschatting kan maken van het risico op herhaling. Verdachte heeft aangegeven dat hij naast het regelen van huisvesting geen hulpvragen heeft voor de reclassering. De reclassering ziet daarom weinig aanknopingspunten om met aanvullende voorwaarden gedragsverandering te bewerkstellingen of in te zetten op risicobeheersing.
Gelet op de ernst van de gepleegde gekwalificeerde diefstallen en de omstandigheid dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het doel had om zo veel mogelijk van dit soort ernstige delicten te plegen, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats is. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, nu is gebleken dat een proeftijd en een andere strafzaak die nog behandeld moet worden, verdachte ook niet heeft weerhouden van het plegen van de delicten. Gelet op de beperktere bewezenverklaring, komt de rechtbank tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden is en zij zal deze straf daarom opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Op dit moment is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst om een reeds opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. De officier van justitie heeft ter zitting verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank stelt vast dat verdachte de schorsingsvoorwaarden niet heeft overtreden en ziet daarom geen aanleiding om de schorsing op te heffen. Daarnaast ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het (tijdelijk) geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen, omdat uit de schorsingsvoorwaarden volgt dat de schorsing slechts duurt tot het moment waarop de tenuitvoerlegging van de straf afloopt dan wel verdachte in aanmerking komt voor verlof of strafonderbreking of om welke reden dan ook wordt vrijgelaten uit de penitentiaire inrichting.
Inbeslaggenomen goederen
De officier van justitie heeft gevorderd de mobiele telefoon van het merk Apple iPhone, met goednummer 1814425, verbeurd te verklaren.
De rechtbank acht de inbeslaggenomen mobiele telefoon van het merk Apple iPhone, met goednummer 1814425, vatbaar voor verbeurdverklaring nu verdachte deze telefoon heeft gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten en deze aan verdachte toebehoort.
Benadeelde partij
[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 3.150,-- ter vergoeding van materiële schade en 64,99 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat een bedrag voor materiële schade voor het weggenomen geldbedrag en de gouden ketting wordt toegewezen, waarbij de rechtbank voor de hoogte van het bedrag gebruik maakt van haar schattingsbevoegdheid. Het bedrag dient hoofdelijk te worden toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding voor zowel de materiële schade als de immateriële schade moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten aanzien van de materiële schade gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. primair en 2. primair bewezen verklaarde. De benadeelde partij heeft de schade echter niet onderbouwd. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Er wordt een bedrag van 3.000,-- gevorderd in verband met het weggenomen geldbedrag. Dit is ook het bedrag dat in de aangifte wordt genoemd en uit de Snapchatberichten van de verdachten komt ook de term 3k naar voren.31 De rechtbank acht daarom aannemelijk dat dit de schade voor het weggenomen geld betreft.
Tevens wordt een bedrag van 150,-- gevorderd voor een ketting. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een gouden ketting bij de benadeelde partij is weggenomen. Een bedrag van 150,-- voor een gouden ketting acht de rechtbank niet onevenredig. De rechtbank schat daarom de hoogte van de materiële schade op 3.150,--. Dit bedrag zal worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024.
Door de benadeelde partij wordt ook een bedrag van 64,99 voor een deurbelcamera gevorderd. Dit bedrag wordt in de vordering als immateriële schade aangeduid in verband met geschonden vertrouwen, maar betreft materiële schade. Deze schade is niet onderbouwd en wordt betwist. De rechtbank zal de vordering daarom ten aanzien van dit bedrag niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk arrest van 20 december 2022 van de het gerechtshof Amsterdam, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 januari 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 29 september 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf en heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij haar vordering tot tenuitvoerlegging.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering primair moet worden afgewezen, omdat het een veroordeling voor een ander soort delict betreft en het een verwaarloosbare straf is. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat, gelet op de strafeis in de hoofdzaak, het niet opportuun is na zodanige gevangenisstraf nog een taakstraf uit te voeren.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde de bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijk opgelegde straf. Dat het een veroordeling voor een ander soort delict betreft of een kleine straf is, maakt dit niet anders. Verdachte heeft meerdere strafbare feiten in de proeftijd gepleegd en dit rechtvaardigt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegd straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 55, 57, 63, 140, 311, 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen mobiele telefoon van het merk Apple iPhone met goednummer 1814425.

Benadeelde partij

Ten aanzien van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 4] te betalen:
  • het bedrag van 3.150,-- (zegge: drieduizend honderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte, hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.150,--(zegge: drieduizend honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 31 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 23.002365.21:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2022, te weten:
20 uren taakstraf.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in de zaak met parketnummer 23.002365.21 in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling en/of voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en
mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2024281807 (onderzoek Monterosa II), gesloten op 8 augustus 2025. Daarnaast zijn er aanvullende stukken. Deze processen-verbaal zijn ook in wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt.
2 Proces-verbaal van aangifte, met procesverbaalnummer 241017-784-794, opgemaakt d.d. 17 oktober
2024, paginas 1 en 2 (opgenomen in de aanvullende stukken).
3 Proces-verbaal van aangifte, met procesverbaalnummer PL2300-2024170441-2, opgemaakt d.d. 18
oktober 2024, paginas 1 en 2 (opgenomen in de aanvullende stukken).
4 Proces-verbaal van aangifte, met procesverbaalnummer PL2300-2024170133-2, opgemaakt d.d. 18
oktober 2024, paginas 1 en 2 (opgenomen in de aanvullende stukken).
5 Proces-verbaal van aangifte, met proces-verbaalnummer PL2000-2024286435-2, opgemaakt d.d. 6
november 2024, paginas 1 en 2 (opgenomen in de aanvullende stukken).
6 Proces-verbaal van aangifte, met proces-verbaalnummer 241024-915-568, opgemaakt op 24 oktober
2024, paginas 1 t/m 3 (opgenomen in de aanvullende stukken).
7 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2026.
8 Pagina 396.
9 Pagina 394.
10 Pagina 468.
11 Paginas 452, t/m 454.
12 Paginas 455-456.
13 Paginas 457 en 458.
14 Paginas 460-461.
15 Paginas 464 en 465.
16 Pagina 277.
17 Pagina 528.
18 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2026.
19 Pagina 209.
20 Pagina 482.
21 Pagina 481.
22 Pagina 554.
23 Pagina 217.
24 Pagina 317.
25 Paginas 132 t/m 134.
26 Paginas 132 t/m 134.
27 Paginas 261 t/m 281.
28 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 januari 2025.
29 Pagina 174.
30 Pagina 399.
31 Paginas 468 en 469.