ECLI:NL:RBNNE:2026:1999

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
26/1301
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing aanvraag Participatiewet wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden is afgewezen omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven inschrijfadres.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld, waarbij verzoekster stelde dat zij wel degelijk op het inschrijfadres woont, maar weinig contact heeft met medebewoners en voornamelijk op haar kamer verblijft. Het college baseerde het besluit mede op een verklaring van de verhuurder dat verzoekster niet op het adres woont en slechts sporadisch post ophaalt.

Tijdens een huisbezoek werden omstandigheden geconstateerd die niet stroken met een hoofdverblijf, zoals bedorven voedsel en niet gebruikte keukenapparatuur. Verzoekster kon haar stelling niet met aanvullende verklaringen onderbouwen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende bewijs heeft geleverd om het besluit te weerleggen en dat het bestreden besluit naar verwachting in rechte stand zal houden. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het opgegeven inschrijfadres woont.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1301

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden

(gemachtigde: S. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de PW. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster, geboren op 3 februari 2004, ontving vanaf 26 februari 2025 bijstand van het college naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 17 december 2025 is de uitkering die zij ontving met ingang van 1 mei 2025 ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum niet meer op haar inschrijfadres woont en verblijft. Tevens is het recht op bijstand met ingang van 19 november 2025 ingetrokken, omdat verzoekster niet de door het college gevraagde bewijsstukken volledig heeft ingeleverd. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 4 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dit verzoek afgewezen (ECLI:NL:RBNNE:2026:508).
4. Verzoekster heeft op 6 februari 2026 een aanvraag voor een uitkering op grond van de PW bij het college ingediend. Het college is daarop een onderzoek gestart. Bij dat onderzoek is geconcludeerd dat de woonleefsituatie van verzoekster niet is gewijzigd sinds het vorige onderzoek van het college dat tot de intrekking van de uitkering van verzoekster heeft geleid en dat verzoekster haar hoofdverblijf niet heeft op het inschrijfadres. Op het inschrijfadres van verzoekster zijn meerdere studio’s gevestigd. Er wonen in totaal vier personen, waaronder de verhuurder van de studio’s. De verhuurder heeft verklaard dat verzoekster niet op het inschrijfadres woont en dat zij één keer per maand de post komt ophalen. Bij een huisbezoek is gebleken dat de kamer weliswaar is ingericht met een tweepersoonsbed, een kast en een tv-meubel, maar tevens dat de stekkers van de koelkast en de magnetron niet in het contact zitten, dat er bedorven voedsel in de koelkast zit en dat het koud in de kamer is. Verder liggen er onderin de kast enkele kledingstukken en niet in het hanggedeelte. In de kamer zijn verder een wasmand met kleding, enkele etenswaren en post op naam van verzoekster aangetroffen. Verzoekster heeft verklaard dat haar vader haar elke dag eten komt brengen en dat hij haar was ophaalt. De verhuurder heeft ook verklaard dat hij de vader van verzoekster nog nooit heeft gezien.
5. Bij besluit van 9 april 2026 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk haar hoofdverblijf heeft op het door haar opgegeven inschrijfadres.
6. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 20 april 2026 bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij weldegelijk op het door haar opgegeven inschrijfadres woont. Zij leeft teruggetrokken en heeft nauwelijks contact met de drie andere bewoners op hetzelfde adres. Ze maakt wel gebruik van het toilet en de douche, maar niet van de keuken of de wasmachine. Ze verblijft veelal op haar kamer en heeft de gordijnen dicht vanwege de inkijk.
7. Op dezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening ontvangen, waarin verzocht wordt om de voorlopige voorziening te treffen dat aan verzoekster een voorschot wordt toegekend van € 1.500,-. Gesteld is dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat zij grote financiële problemen kent. Er is een huurachterstand van vijf maanden. Verder kampt verzoekster met diverse andere schulden.
8. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat iemand die bijstand aanvraagt, aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die maken dat zijn aanvraag moet worden toegewezen. In dat kader dient de aanvrager van bijstand de nodige duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn woon- en leefsituatie.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk woont op het door haar opgegeven inschrijfadres. Er ligt de verklaring van de verhuurder die net als ten tijde van het eerdere onderzoek ook nu heeft verklaard dat verzoekster niet op het inschrijfadres woont en dat zij één keer per maand de post komt ophalen. De voorzieningenrechter begrijpt van verzoekster dat haar relatie met de verhuurder niet goed is, maar hij ziet niet in waarom de verhuurder daarom een valse verklaring zou afleggen. Verzoekster heeft verder verklaard dat haar vader haar elke dag eten brengt en haar was ophaalt, maar de verhuurder heeft ook verklaard dat hij de vader van verzoekster nog nooit heeft gezien. Het verslag bevindingen huisbezoek dat is overgelegd geeft de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verzoekster daadwerkelijk op het inschrijfadres woont. Verzoekster stelt dat zij op het inschrijfadres woont, maar zij komt met niets dat die stelling onderbouwt. Verzoekster had bijvoorbeeld verklaringen van haar ouders, andere familieleden of vrienden die haar in haar studio hebben bezocht kunnen overleggen om haar stelling dat zij op het inschrijfadres woont te onderbouwen.
11. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit van 9 april 2026 in de daartegen door verzoekster bij het college aangespannen procedure naar het zich thans laat aanzien in rechte stand zal kunnen houden, Gelet hierop komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking en dient het te worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.