2.2.De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar moeder, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster, geboren op [geboortedatum] 2004, ontvangt sinds 26 februari 2025 bijstand van het college naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft een adres in [plaats] als inschrijfadres opgegeven. Op dat adres bewoont zij een kamer. Zij woont met drie anderen op het adres. Bij het bezorgen van een brief op het inschrijfadres van verzoekster door een medewerker van het college verklaarde een medebewoner dat verzoekster al enige maanden niet meer op dat adres verbleef. Het college is daarop een onderzoek gestart.
4. Op grond van de resultaten uit dat onderzoek heeft het college met het bestreden besluit primair besloten het recht op bijstand van verzoekster met ingang van 1 mei 2025 in te trekken op de grond dat verzoekster vanaf die datum niet meer op het inschrijfadres woont en verblijft. Het college heeft daartoe overwogen dat uit bij het onderzoek opgevraagde bankafschriften over de periode 15 juli tot en met 15 oktober 2025 blijkt dat er weinig transacties in Leeuwarden zijn geweest en veel transacties in andere steden. Verder heeft de verhuurder van de woning van verzoekster verklaard dat verzoekster vanaf 1 mei 2025 niet meer woont en verblijft op het inschrijfadres, maar alleen de post komt halen. Medebewoners hebben verklaard dat verzoekster al maanden niet meer woont en verblijft op het inschrijfadres. Zij zien alleen dat verzoekster de post ophaalt. Ook hebben zij verzoekster niet meer aangetroffen in de openbare ruimtes in het pand. Bij een huisbezoek op 26 november 2025 zijn weinig (verse) levensmiddelen in de kamer van verzoekster aangetroffen en weinig kleding. Het college heeft subsidiair het recht op bijstand van verzoekster met ingang van 19 november 2025 ingetrokken, omdat verzoekster niet de door het college gevraagde bewijsstukken volledig heeft ingeleverd. Het college heeft daartoe overwogen dat verzoekster weliswaar bankafschriften heeft overgelegd, maar dat zij daarmee geen volledige inzage in haar transacties en bij- en afschrijvingen heeft gegeven, aangezien bepaalde informatie in de bankafschriften onleesbaar is gemaakt.
5. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 19 december 2025 bezwaar gemaakt. Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het college ten onrechte heeft gesteld dat zij haar hoofdverblijf niet zou hebben op het inschrijfadres. Het college heeft onvoldoende meegewogen dat twee van haar medebewoners drank- en drugsverslaafd zijn en dat haar drugsverslaafde buurman regelmatig bezoek krijgt van een dealer. Zij voelt zich bedreigd in haar eigen woning en zij komt om die reden haar kamer bijna niet uit en heeft weinig contact met de medehuurders. Ze is al lange tijd bezig elders woonruimte te zoeken. Het college heeft verder onvoldoende meegewogen dat zij kampt met psychische en fysieke problemen. Ook daarom komt zij haar kamer bijna niet uit. Haar vader die vlakbij woont doet vaak de boodschappen. Ook doen haar ouders de was. Haar vader maakt gebruik van haar pinpas en de transacties in andere steden zijn van hem. Zij stort haar uitkering meestal op de rekening van haar ouders die haar vervolgens contanten geven. Verzoekster is ten slotte van mening dat haar recht op bijstand ten onrechte per 19 november 2025 is beëindigd. Zij heeft de gevraagde bankafschriften overgelegd, maar zij heeft uit privacyoverwegingen namen bij bepaalde transacties weggelakt. Verzoekster is van mening dat het haar vrijstaat om namen weg te lakken om de privacy van derden te beschermen.
6. Op dezelfde datum ontvangt de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening, waarin verzocht wordt om de voorlopige voorziening te treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat inhoudelijk op het bezwaar is beslist. Gesteld is dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat zij vanaf 1 november 2025 geen inkomsten meer heeft.
7. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.
8. Wat betreft de primaire grond van het college voor intrekking van de uitkering van verzoekster overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
9. Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit. Het is daarom aan het college om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Het college moet aannemelijk maken dat verzoekster vanaf 1 mei 2025 niet meer op het inschrijfadres verblijft.
10. Uit de door het college overgelegde stukken blijkt dat de verhuurder van de woning, die zelf ook in de woning woont, heeft verklaard dat verzoekster vanaf mei 2025 niet meer in de woning woont en verblijft en dat zij vanaf dat moment alleen de post nog komt ophalen. Hij heeft haar in de gedeelde voorzieningen (keuken, badkamer) niet gezien. Hij heeft verder verklaard dat verzoekster vóór mei 2025 wel in de woning woonde. Een medebewoner van de woning heeft verklaard dat verzoekster al enige maanden niet meer in de woning woont. Ze komt af en toe de post ophalen. Ze blijft dan niet. Ze slaapt niet in de woning, Ze kookt niet in de woning en ze maakt geen gebruik van de badkamer. Ook de wasmachine gebruikt ze niet meer. Uit door verzoekster overgelegde bankafschriften, die betrekking hebben op de periode 1 mei 2025 tot en met 23 november 2025, blijkt dat er veel transacties zijn verricht in andere steden (voornamelijk in Noord- en Zuid-Holland) en weinig in Leeuwarden. Uit het verslag van het huisbezoek op 26 november 2025 blijkt dat de koelkast niet is aangesloten, dat de kamer verwarmt wordt met een straalkachel, omdat de verwarming het niet doet en dat er weinig etenswaren en kleding in de kamer te vinden zijn.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat verzoekster vanaf 1 mei 2025 niet meer op het inschrijfadres verbleef. Deze feitelijke grondslag berust met name op de verklaringen van de verhuurder van de woning en die van medebewoners. Verweerder heeft aan deze verklaringen terecht veel bewijswaarde toegedicht. In hetgeen bij het huisbezoek aan de kamer van verzoekster is aangetroffen ziet de voorzieningenrechter een verdere onderbouwing van de stelling van het college dat verzoekster niet meer op het inschrijfadres verblijft. De voorzieningenrechter acht de verklaring van verzoekster waarom de verhuurder en de medebewoners haar weinig zien niet aannemelijk. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekster haar verklaring waarom er op haar bankafschriften weinig transacties te zien zijn in Leeuwarden en veel transacties in andere steden onvoldoende heeft onderbouwd.
12. Wat betreft de subsidiaire grond van het college voor intrekking van de uitkering van verzoekster overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
13. Uit de door het college overgelegde stukken blijkt dat verzoekster in de door haar overgelegde bankafschriften die betrekking hebben op de periode 1 mei 2025 tot en met 14 juli 2025 zes keer omschrijvingen van uitgavenposten onleesbaar heeft gemaakt. De uitgavenbedragen van die posten zijn wel leesbaar. Het gaat daarbij om bedragen variërend van € 40,- tot € 800,-.
14. De voorzieningenrechter overweegt dat de Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft geoordeeld dat bankafschriften stukken zijn die zonder meer van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. De Raad heeft verder geoordeeld dat het doorhalen van uitgavenposten op bankafschriften gerespecteerd dient te worden, tenzij deze gegevens werkelijk noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand.
15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in redelijkheid van verzoekster kon verlangen om bankafschriften zonder onleesbaar gemaakte onderdelen over te leggen. Zoals de gemachtigde van het college op de zitting ook heeft gesteld, het gaat bij de onleesbaar gemaakte omschrijvingen van uitgavenposten om substantiële bedragen, hetgeen vragen opwerpt over het bestedingspatroon van verzoekster. Dat verzoekster uit privacyoverwegingen onderdelen van de bankafschriften onleesbaar heeft gemaakt komt voor haar eigen rekening en risico.
16. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in de daartegen door verzoekster bij het college aangespannen procedure naar het zich thans laat aanzien in rechte stand zal kunnen houden. Gelet hierop komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking en dient het te worden afgewezen.