ECLI:NL:RBNNE:2026:2193

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/1404
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 GemeentewetArt. 1 Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025Art. 120 GrondwetArt. 11 Wet algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onroerendezaakbelasting gebruiker blijft verschuldigd voor hele kalenderjaar ondanks tussentijdse beëindiging huur

Eiseres was op 1 januari 2025 huurder en gebruiker van een bedrijfsobject, maar beëindigde de huurovereenkomst per 15 januari 2025. De heffingsambtenaar legde haar een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op voor het volledige jaar 2025. Eiseres betwistte dit en stelde dat zij slechts voor de periode tot 15 januari belastingplichtig was en dat de eigenaar de belasting moest betalen.

De rechtbank beoordeelde dat de OZB een tijdstipbelasting is, waarbij de situatie op 1 januari bepalend is voor het hele kalenderjaar. Op grond van artikel 220 van Pro de Gemeentewet en de gemeentelijke Verordening is degene die op 1 januari gebruiker is, voor het gehele jaar belastingplichtig, ongeacht latere wijzigingen in het gebruik.

Hoewel de rechtbank begrip toonde voor de mogelijk wrange situatie voor eiseres, benadrukte zij dat de wetgever hierover beslist en dat de rechtbank geen ruimte heeft om de wet op dit punt anders toe te passen. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard, de aanslag bleef in stand en zij kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker voor het gehele jaar 2025 blijft in stand omdat eiseres op 1 januari 2025 gebruiker was.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1404

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 maart 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres met dagtekening 25 februari 2025 voor het jaar 2025 een aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker (niet-woning) opgelegd van € 2.835,63 (de aanslag) voor het object [adres] .
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op een zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Feiten

2. Eiseres was op 1 januari 2025 huurder (en dus gebruiker) van het object [adres] (het pand). In het pand dreef eiseres haar zaak (een DA-drogist). De huurovereenkomst is per 15 januari 2025 beëindigd. Vanaf 15 januari 2025 was eiseres geen gebruiker meer van het pand.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht en naar het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. Specifiek is in geschil of eiseres terecht voor het hele jaar 2025 is aangeslagen, terwijl zij vanaf 15 januari 2025 geen gebruiker (huurder) van het pand meer was.
4. Eiseres vindt dat zij ten onrechte onroerendezaakbelasting (OZB) moet betalen en dat de eigenaar van het pand dit behoort te doen. Daarnaast is eiseres van mening dat zij ten onrechte voor heel het jaar 2025 is aangeslagen. Eiseres verzoekt de aanslag evenredig te verminderen naar een aanslag berekend naar (een belastingplicht van) 15 dagen.
5. De heffingsambtenaar is van mening dat de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd, omdat eiseres op 1 januari 2025 gebruiker (huurder) van het pand was.
6. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Uit artikel 220 van Pro de Gemeentewet volgt dat ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken onder de naam onroerendezaakbelastingen onder meer kan worden geheven “
een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken”. Anders gezegd: gemeentes mogen niet alleen OZB heffen van eigenaren, maar ook van
gebruikers(zoals huurders) van
niet-woningen(bijvoorbeeld bedrijfspanden).
8. Uit artikel 1 onderdeel Pro a van de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025, vastgesteld door de raad van de gemeente Groningen (de Verordening) volgt dat onder de naam onroerendezaakbelastingen onder meer wordt geheven “
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting”.
9. Zowel uit de tekst van artikel 220 van Pro de Gemeentewet als van artikel 1 van Pro de Verordening blijkt dat de onroerendezaakbelasting in wezen een tijdstipbelasting is. De situatie op 1 januari is doorslaggevend en wat er daarna gebeurt, doet (voor dat jaar) niet meer terzake. De belastingplicht voor het gehele jaar blijft dus gelden voor degene die op 1 januari gebruiker is, ongeacht of en zo ja, wanneer het gebruik van het object in de loop van het kalenderjaar eindigt.
10. Dat betekent dat eiseres, die op 1 januari 2025 huurder was, op grond van de Gemeentewet en de daarmee in lijn vastgestelde Verordening als gebruiker voor de OZB mocht worden aangeslagen. Het betekent ook dat zij de volle mep voor het gehele jaar zal moeten betalen, omdat zij op 1 januari van dat jaar nu eenmaal de gebruiker was. De rechtbank kan zich best voorstellen dat dit misschien wat krom of wrang aanvoelt voor eiseres. Daar staat tegenover dat ook zij van tevoren wist (of kon weten) waar ze aan toe was: bij het zijn van huurder op 1 januari hoort een OZB-aanslag over het hele jaar. De rechtbank mag verder geen oordeel geven over hoe de wet in elkaar is gezet. Daar gaat de wetgever over. [1]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 120 van Pro de Grondwet, Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2818, Hoge Raad 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 en artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen (het staat de rechter niet vrij om formele wetgeving zoals de Gemeentewet te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid).