Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2199

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
11707742 \ CV EXPL 25-3033
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:307 BWArt. 3:307 BWArt. 6:119 BWArt. 2:26 APVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot indeplaatsstelling wegens ontbreken zwaarwichtig belang

Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] vorderden dat zij gemachtigd werden om [naam] in de plaats van [eiser sub 2] te stellen op de huurovereenkomst van een bedrijfsruimte in Groningen. Deze ruimte werd gebruikt voor de exploitatie van de Westersingelbar. De burgemeester had vergunningen ingetrokken vanwege slecht levensgedrag van [eiser sub 2], waarna de exploitatie werd gestaakt.

Na overdracht van aandelen aan [naam] en een tijdelijke indeplaatsstelling, weigerde de verhuurder medewerking aan een definitieve indeplaatsstelling. De kantonrechter oordeelde dat Westersingel bar B.V. geen belang had bij de machtiging omdat zij al huurder was. Voor [eiser sub 2] ontbrak een zwaarwichtig belang, aangezien de onderneming al was overgedragen en de vergunningen niet werden verleend.

Ook bood [naam] onvoldoende waarborgen voor nakoming van de huurovereenkomst. De vorderingen werden daarom afgewezen en Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot indeplaatsstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van een zwaarwichtig belang en onvoldoende waarborgen van de voorgestelde huurder.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11707742 \ CV EXPL 25-3033
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van

1.WESTERSINGEL BAR B.V.,

gevestigd in Groningen,
2.
[eiser sub 2],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] ,
gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Maat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 juli 2025,
- de akte van 14 november 2025, waarmee Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] de producties 13, 14 en 15 overleggen,
- de akte van 3 maart 2026, waarmee Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] productie 16 overleggen,
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat zij vandaag vonnis wijst.

2.Waar gaat het om?

2.1.
Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] vorderen dat zij gemachtigd worden om [naam] in de plaats van [eiser sub 2] te stellen op de huurovereenkomst die zij hebben met [gedaagde] . Deze huurovereenkomst heeft betrekking op de bedrijfsruimte aan de [adres] in Groningen, waar via Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] de onderneming ‘de Westersingelbar’ werd geëxploiteerd. [gedaagde] heeft de indeplaatsstelling van [naam] geweigerd.

3.De feiten

3.1.
Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] huren van [gedaagde] de bedrijfsruimte aan het adres [adres] in Groningen. Zij huren deze bedrijfsruimte per 1 juli 2022 en zijn in de plaats gesteld van de eerdere huurders. In het gehuurde heeft Westersingelbar B.V. de horecagelegenheid ‘de Westersingelbar’ geëxploiteerd.
3.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 29 oktober 2024 heeft de burgemeester van de gemeente Groningen (hierna: de burgemeester) de vergunning voor het schenken van alcohol, een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten en een terrasvergunning die eerder aan [eiser sub 2] zijn verleend, ingetrokken. Aan deze besluiten heeft de burgemeester – onder meer – ten grondslag gelegd dat [eiser sub 2] niet meer voldoet aan het criterium dat hij niet van enig slecht levensgedrag mag zijn.
3.3.
Op grond van artikel 2:26 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen (hierna: APVG) is voor de exploitatie van de Westersingelbar een exploitatievergunning nodig, ter zake waarvan de burgemeester eerder een gedoogbeleid heeft gehanteerd. Aan dat gedoogbeleid is een einde gekomen.
3.4.
Dit heeft geleid tot het besluit van 27 december 2024, waarmee de burgemeester aan [eiser sub 2] een last onder bestuursdwang heeft opgelegd. Uit de last onder bestuursdwang volgt dat de Westersingelbar in strijd met artikel 2:26 van Pro de APVG wordt geëxploiteerd en dat deze overtreding binnen twee weken moet worden gestaakt. [eiser sub 2] heeft daaraan gehoor gegeven en de exploitatie gestaakt. Sindsdien wordt de Westersingelbar niet meer geëxploiteerd.
3.5.
Op 24 februari 2025 is een koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [eiser sub 2] en [naam] , waarmee [eiser sub 2] zijn aandelen in Westersingelbar B.V. overdraagt aan [naam] . Deze aandelen zijn aan [naam] geleverd met de akte van koop en levering van 12 maart 2025.
3.6.
Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] hebben [gedaagde] verzocht zijn medewerking te verlenen aan het in de plaats stellen van [naam] ten opzichte van [eiser sub 2] op de huurovereenkomst. [gedaagde] heeft daaraan geen medewerking willen verlenen, wat ertoe heeft geleid dat Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] op 5 maart 2025 een kortgedingprocedure aanhangig hebben gemaakt.
3.7.
Bij voorlopige voorziening van 11 april 2025 is [gedaagde] veroordeeld tot medewerking aan een tijdelijke indeplaatsstelling, onder de voorwaarde dat Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] binnen een maand na datum van het vonnis in kort geding een bodemprocedure starten teneinde [naam] definitief in de plaats van [eiser sub 2] gesteld te krijgen.
3.8.
Op 16 april 2025 hebben partijen een akte van tijdelijke indeplaatsstelling ondertekend. Deze akte regelt de tijdelijke indeplaatsstelling van [naam] in de plaats van [eiser sub 2] .
3.9.
[naam] heeft de benodigde exploitatievergunning aangevraagd. Bij besluit van 25 juli 2025 heeft de burgemeester deze vergunning geweigerd, uit vrees dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daarbij heeft de burgemeester toegelicht dat [naam] in relatie tot [eiser sub 2] staat, zodat het slechte levensgedrag van [eiser sub 2] ook hier van belang is.
3.10.
De Westersingelbar wordt tot op heden nog altijd niet geëxploiteerd en er heeft geen definitieve indeplaatsstelling plaatsgevonden.

4.De beoordeling

4.1.
Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] vorderen dat zij gemachtigd worden om [naam] in de plaats te stellen van [eiser sub 2] op de huurovereenkomst, onder de voorwaarde dat [eiser sub 2] voor de duur van twee jaren persoonlijk garant stelt voor de nakoming van alle verplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarmee doen Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] een beroep op artikel 7:307 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.2.
Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] stellen een zwaarwichtig belang te hebben. Daarnaast geeft [naam] voldoende waarborgen om in de plaats te kunnen worden gesteld, aldus Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] .
4.3.
[gedaagde] weerspreekt dat Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] een zwaarwichtig belang hebben en voert aan dat een zwaarwichtig belang ontbreekt omdat inmiddels is gebleken dat ook [naam] niet de benodigde vergunningen zal verkrijgen. Verder voert [gedaagde] aan dat er onvoldoende waarborgen zijn gesteld en een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
Het wettelijke kader
4.4.
In het geval een huurder de onderneming die hij in het gehuurde uitoefent wenst over te dragen aan een derde, kan de huurder vorderen dat hij gemachtigd wordt om die derde als huurder in zijn plaats te stellen. [1] De kantonrechter beslist op basis van alle omstandigheden van het geval, waarbij de gevorderde machtiging alleen kan worden toegewezen als gebleken is van een zwaarwichtig belang van de huurder bij de overdracht van zijn onderneming. Wanneer sprake is van een zwaarwichtig belang, moet de kantonrechter de gevorderde machtiging alsnog afwijzen als de voorgestelde huurder niet voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de overeenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering. [2]
Westersingelbar B.V. kan geen machtiging tot indeplaatsstelling vorderen
4.5.
Uit het wettelijke kader, zoals dat hiervoor is weergegeven, volgt dat een vordering op grond van artikel 7:307 BW Pro moet worden ingesteld door de huurder die – met behulp van de gevorderde machtiging tot indeplaatsstelling – de voorgestelde huurder in zijn plaats wil stellen. De kantonrechter is van oordeel dat hoewel Westersingel bar B.V. medehuurder is, een machtiging tot indeplaatsstelling geen gevolgen voor haar heeft; zij is al huurder en zal ook in het geval van een indeplaatsstelling huurder blijven, omdat [naam] in dat geval in de plaats van [eiser sub 2] wordt gesteld. Dit betekent dat Westersingel bar B.V. in deze situatie niet kan vorderen dat zij ertoe wordt gemachtigd [naam] in de plaats van [eiser sub 2] te stellen. De vorderingen van Westersingel bar B.V. zullen om die reden worden afgewezen.
Zwaarwichtig belang van [eiser sub 2]
4.6.
Om de door [eiser sub 2] gevorderde machtiging tot indeplaatsstelling toe te kunnen wijzen, zal moeten blijken van een zwaarwichtig belang dat [eiser sub 2] heeft bij de overdracht van de onderneming. De belangen van [naam] kunnen geen rol spelen omdat het gaat om een zwaarwichtig belang van de huurder en [naam] niet als huurder is aan te merken.
4.7.
De kantonrechter stelt voorop dat het benodigde zwaarwichtig belang derhalve niet ziet op het verkrijgen van de gevorderde machtiging zelf. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat artikel 7:307 BW Pro tot doel heeft te bewerkstelligen dat de onderneming kan – blijven – exploiteren in het gehuurde. Daarmee ziet het benodigde zwaarwichtig belang evenmin op een belang van een huurder om niet langer partij te zijn bij de huurovereenkomst.
4.8.
Uit de inleidende dagvaarding volgt dat het doel van deze bodemprocedure tweeledig is, te weten het waarborgen dat [naam] de bedrijfsactiviteiten van Westersingelbar B.V. ook in de toekomst kan voortzetten en ontslag van [eiser sub 2] uit zijn aansprakelijkheid van de huurovereenkomst. [gedaagde] betwist dat er sprake is van een zwaarwegend belang omdat [naam] ook met de tijdelijke indeplaatsstelling de benodigde vergunningen niet kan krijgen en dus in het gehuurde niet kan exploiteren.
4.9.
De wens om [eiser sub 2] te ontslaan uit zijn aansprakelijkheid van de huurovereenkomst leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot een zwaarwichtig belang als bedoeld in artikel 7:307 BW Pro. Dit gestelde belang is immers geen zwaarwichtig belang van [eiser sub 2] bij de overdracht van Westersingelbar B.V., maar een persoonlijk belang van [eiser sub 2] . Overigens valt niet goed te begrijpen hoe dit gestelde belang zich verhoudt met de gevorderde machtiging tot indeplaatsstelling, waarbij als voorwaarde is geformuleerd dat [eiser sub 2] zich voor een periode van twee jaren persoonlijk garant stelt voor de nakoming van alle verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst.
4.10.
Verder wordt in de inleidende dagvaarding gesteld dat, als de definitieve indeplaatsstelling niet wordt gerealiseerd, de overgang van de onderneming en verdere voortzetting van Westersingelbar B.V. acuut gevaar lopen. Ook hier moet naar het oordeel van de kantonrechter een onderscheid worden gemaakt tussen belangen van [naam] en Westersingelbar B.V. enerzijds en belangen van [eiser sub 2] anderzijds.
4.11.
Het belang bij de overgang van de onderneming, althans dat deze overgang mogelijk gevaar zou lopen, is aan te merken als een belang van [eiser sub 2] . Zonder verdere toelichting, die niet voldoende is gegeven, valt niet in te zien waarom de overgang van de onderneming gevaar loopt. Uit de stellingen van [eiser sub 2] , die zijn onderbouwd met een afschrift van de koopovereenkomst die tussen [eiser sub 2] en [naam] tot stand is gekomen en de akte van levering die nadien is opgesteld en verleden, volgt naar het oordeel van de kantonrechter immers dat de overgang van de onderneming reeds heeft plaatsgevonden.
4.12.
In deze procedure is niet gesteld – en evenmin onderbouwd – dat [eiser sub 2] een verplichting heeft om te bewerkstelligen dat [naam] in zijn plaats wordt gesteld en dat de overdracht van de onderneming daarvan afhankelijk is gesteld. Ook de koopovereenkomst geeft daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, aangezien daarin enkel de verplichting voor [naam] is opgenomen om de huurovereenkomst over te nemen. Die verplichting rust daarmee op [naam] en dat kan daarmee naar het oordeel van de kantonrechter niet met een beroep op artikel 7:307 BW Pro worden bereikt.
4.13.
[eiser sub 2] voert verder aan dat een zwaarwichtig belang is gelegen in de omstandigheid dat [eiser sub 2] schade leidt. Hij licht toe dat de vergunningen die benodigd zijn om Westersingel bar B.V. te kunnen exploiteren, niet worden verleend zolang [eiser sub 2] betrokkenheid bij de onderneming heeft. Die betrokkenheid is er volgens de burgemeester van de gemeente Groningen ook zolang [eiser sub 2] op de huurovereenkomst staat vermeld, aldus Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] . De schade bestaat volgens Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] uit een daling van de goodwill.
4.14.
De kantonrechter overweegt ook hier dat de onderneming reeds aan [naam] is overgedragen. Zonder toelichting, die [eiser sub 2] niet heeft gegeven, valt niet in te zien hoe een eventuele daling van de goodwill daarmee tot een zwaarwichtig belang van [eiser sub 2] leidt. Het komt de kantonrechter voor dat een eventuele daling van de goodwill, gelet op de overdracht van de onderneming, ten laste van [naam] komt. Dat kan echter niet leiden tot een zwaarwichtig belang bij overdracht van de onderneming aan de zijde van [eiser sub 2] . Daar komt bij dat zoals [gedaagde] terecht stelt er inmiddels een tijdelijke indeplaatsstelling is waarmee [naam] tijdelijk in de plaats is gesteld en de burgemeester nog steeds de benodigde vergunningen weigert.
4.15.
Wegens het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser sub 2] geen zwaarwichtig belang heeft bij de machtiging tot indeplaatsstelling die hij vordert zoals vereist in artikel 7:307 BW Pro. De vorderingen van Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] zullen daarom worden afgewezen.
Ten overvloede
4.16.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat, ook in het geval [eiser sub 2] een zwaarwichtig belang zou hebben bij de door hem gevorderde indeplaatsstelling, zijn vordering niet kan worden toegewezen vanwege de verplichte afwijzingsgrond. [3] Daartoe is van belang dat het de kantonrechterrechter onvoldoende is gebleken – en door [gedaagde] ook is weersproken – dat [naam] voldoende waarborgen biedt dat zij de verplichtingen uit de huurovereenkomst nakomt.
4.17.
Hoewel [naam] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij haar inkomen uit loondienst in Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] stort, geeft zij daar geen blijk van. [naam] heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat zij op dit moment geen inkomen uit loondienst meer heeft, zodat zonder verdere toelichting – die niet is gegeven – niet valt in te zien dat [naam] in staat is de huurtermijnen te voldoen en voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst.
Proceskosten
4.18.
Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom, zoals door [gedaagde] is gevorderd, de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De veroordeling van Westersingel bar B.V. en [eiser sub 2] in de proceskosten leidt er van rechtswege toe dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk en daarmee hoofdelijk verbonden zijn [4] , zonder dat de kantonrechter daarop in het dictum beslist. Hoewel de kantonrechter de mogelijkheid heeft om van dit uitgangspunt af te wijken, [5] ziet zij in de gegeven omstandigheden van het geval geen aanleiding om anders te bepalen.
4.19.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Westersingelbar B.V. en [eiser sub 2] af,
5.2.
veroordeelt Westersingel Bar B.V. en [eiser sub 2] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Westersingel Bar B.V. en [eiser sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Westersingel Bar B.V. en [eiser sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
66747/JH

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 7:307 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 7:307 lid 2 BW Pro
3.Artikel 3:307 lid 2 BW Pro
4.ECLI:NL:HR:2000:AA5169, rechtsoverweging 3.3.2 en ECLI:NL:PHR:2018:419 rechtsoverweging 2.40.
5.ECLI:NL:HR:2022:1942, rechtsoverweging 4.1.2.