Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2222

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
LEE 26/1655
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRegeling opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake vergoeding kosten zelfgekozen verblijf Oekraïense ontheemde

Verzoekster, een Oekraïense ontheemde, kreeg een locatieverbod opgelegd voor gemeentelijke opvanglocaties en haar recht op opvangvoorzieningen werd beëindigd. Zij maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om opvang te verkrijgen of vergoeding van kosten voor haar zelfgekozen verblijf.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang omdat verzoekster de kosten van haar verblijf niet kan dragen en anders dakloos wordt. Echter, het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen omdat verzoekster meerdere opvangplaatsen werd aangeboden, maar deze niet heeft aanvaard.

De kosten van haar verblijf vloeien voort uit haar eigen keuze voor alternatieve huisvesting. De gemeente blijft bereid een andere opvanglocatie te zoeken. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1655

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster,
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren, verweerder.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 22 april 2026 is aan verzoekster een locatieverbod opgelegd voor de gemeentelijke opvanglocaties voor Oekraïense ontheemden en bijbehorende terreinen in de gemeente De Fryske Marren.
1.1.
Met het bestreden besluit van 28 april 2026 heeft verweerder het recht van verzoekster op opvangvoorzieningen en verstrekkingen op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) beëindigd.
1.2.
Op 6 mei 2026 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de besluiten.
1.3.
Op 28 mei 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende dat aan verzoekster opvang moet worden geboden of dat zij middelen tot haar beschikking krijgt om zelf in haar onderdak te kunnen voorzien.
1.4.
Verweerder heeft eerst op 3 juni 2026 gereageerd op het verzoek.
1.5.
Op 4 juni 2026 heeft verweerder een aanvullende reactie toegezonden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt. [1] De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een procedure of deze procedure een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Is sprake van een spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Uit de stukken blijkt dat verzoekster niet meer in de gemeentelijke opvang zit en momenteel zelf in haar onderdak voorziet. De kosten die hiermee gemoeid zijn, kan zij zelf niet dragen. Als verzoekster de kosten niet betaalt, zal zij op straat komen te staan. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat sprake is van een spoedeisend belang.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
7. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
8. Verzoekster voert aan dat het recht van verzoekster op opvangvoorzieningen en verstrekkingen op grond van de RooO ten onrechte is beëindigd. Zij voert aan dat, nadat verweerder de opvang in Legemeer op 22 april 2026 had beëindigd, zij zich tijdig, in ieder geval binnen 48 uur, heeft gemeld bij de door verweerder aangeboden alternatieve opvang in Leeuwarden. Verzoekster beroept zich op artikel 3 van Pro de RooO dat de mogelijkheid om alternatieve opvang aan te bieden als verblijf in de gemeentelijke opvang niet past. Verzoekster verzoekt in haar bezwaar om een vergoeding in de kosten voor de huur van haar onderkomen.
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, kan verweerder gevolgd worden in zijn stelling dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Verweerder heeft in zijn reactie van 3 juni 2026 gesteld dat hij geen wettelijke grondslag ziet voor vergoeding van de kosten van een door verzoekster zelf gekozen verblijfplaats. Verzoekster is niet verstoken gebleven van opvangmogelijkheden. Er zijn haar meerdere opvangplaatsen geboden, waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt. De kosten van het verblijf van verzoekster in het door haar gehuurde verblijf vloeien dan ook niet voort uit het ontbreken van opvangmogelijkheden van gemeentewege, maar uit de keuze van verzoekster om zelf alternatieve huisvesting te regelen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de reden voor de niet geslaagde plaatsing in Leeuwarden te maken heeft gehad met de geringe overschrijding van de 48 uur waarbinnen verzoekster zich diende te melden, maar dat dit verweerder niet ontslaat van zijn plicht om verzoekster alsnog een opvangplek aan te bieden. [2] Dit heeft verweerder in zijn aanvulling op het verweerschrift van 4 juni 2026 ook bevestigd door te verklaren (nog steeds) bereid te zijn om te zoeken naar een andere opvanglocatie voor verzoekster.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, in samenhang met artikel 8:83, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie ook de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:4074), en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state van 29 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2356).