ECLI:NL:RBNNE:2026:223

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/1661
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitenbehandelingstelling van Woo-verzoeken en misbruik van recht

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 23 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van twee verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo) behandeld. Eiser had op 1 mei 2024 twee verzoeken ingediend om openbaarmaking van informatie, maar de minister van Veiligheid en Justitie had deze verzoeken buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake was van misbruik van recht en dat eiser niet op zijn bezwaar is gehoord. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van de minister, waarbij deze wordt opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op de verzoeken van eiser. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is en dat de minister het griffierecht en de reiskosten van eiser moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Minister van Veiligheid en Justitie, namens deze het College van procureurs-generaal, de minister
(gemachtigden: mr. M.P. Ketting, mr. R. Saglam en mr. M.T. Ilbay).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister op het bezwaar van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van twee verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo), gedaan door eiser. De minister heeft de verzoeken buiten behandeling gesteld en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard omdat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beslissing niet juist is, omdat misbruik van recht niet is komen vast te staan en eiser niet is gehoord. Het beroep van eiser is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 mei 2024 twee verzoeken ingediend om openbaarmaking van informatie zoals bedoeld in artikel 4 van de Woo. Het eerste verzoek ziet op alle (interne) communicatie en overige stukken die verband houden met de door eiser ingediende verzoeken op grond van de Woo, Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 mei 2024. Het tweede verzoek richt zich op alle stukken die zien op de contacten tussen de officieren van justitie [naam] en [naam] en het College van procureurs­generaal voor wat betreft de door eiser ingediende verzoeken op grond van de Woo, AVG en Wjsg en andere verzoeken gericht aan het College van procureurs-generaal.
2.1.
De minister heeft de verzoeken met het besluit van 23 september 2024 buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht. Het besluit is op 2 december 2024 bekend gemaakt. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de buitenbehandelingstelling van de twee verzoeken gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen geregistreerd onder de nummers LEE 25/923, LEE 25/1021, LEE 25/1271, LEE 25/2613 en LEE 25/1249. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De standpunten van partijen
3. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht. Het bestreden besluit is onvoldoende onderbouwd. De motivering van de minister bestaat voornamelijk uit verwijzingen naar procedures uit het verleden waarbij eiser betrokken was. Deze eerdere procedures zeggen niets over het procedeergedrag van eiser in de onderhavige procedure en mochten daarom niet bij de beoordeling worden betrokken. Eiser stelt verder dat de minister het beroep op artikel 4.6 van de Woo niet onverwijld heeft gedaan. Tot slot stelt eiser dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord.
4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser in de periode van
1 januari 2022 tot en met 6 februari 2025 minimaal twaalf Woo-verzoeken heeft ingediend. Daarnaast heeft eiser eenzelfde aantal verzoeken ingediend op grond van de Wjsg en de AVG. In alle Woo-procedures zijn ingebrekestellingen verstuurd en beroepen niet tijdig beslissen aanhangig gemaakt. Tegen zes Woo-besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt en tegen twee beslissingen op bezwaar is beroep ingesteld. Ook in de Wjsg- en AVG-verzoeken wendt eiser rechtsmiddelen aan. Voorts dient eiser niet alleen verzoeken in bij het Openbaar Ministerie maar ook bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (32 Woo-verzoeken). De hoeveelheid procedures, de onredelijke reikwijdte van de verzoeken, de korte periode waarbinnen de omvangrijke verzoeken worden ingediend, de onredelijke belasting voor de organisatie zonder dat dit een rechtmatig doel dient, het procedeergedrag van eiser en de hoeveel klachten en procedures met het oog op het verkrijgen van dwangsommen, leiden de minister tot de conclusie dat eiser niet het verkrijgen van publieke informatie nastreeft. Omdat op voorhand geen twijfel bestond over deze uitkomst is eiser terecht niet gehoord.
Het toetsingskader
5. In artikel 4.6 van de Woo is de zogenoemde antimisbruikbepaling opgenomen. Deze bepaling luidt als volgt:
‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’
Is het beroep niet-ontvankelijk?
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat met het instellen van beroep tegen het bestreden besluit door eiser ook sprake is van misbruik van recht. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [2] kan op grond van artikel 3:13, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt. In zo’n geval kan het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden, maar daarvoor zijn zwaarwichtige gronden vereist. Die zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het gebruik van die bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt geldt ook voor verzoeken op grond van de Woo. [3]
6.2.
De rechtbank overweegt dat wanneer het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, eiser geen oordeel van de rechter kan verkrijgen over de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen het besluit van de minister om een tweetal Woo-verzoeken buiten behandeling te stellen. [4] Daarmee zou in feite de toegang tot de rechter worden ontzegd. Door de minister zijn onvoldoende zwaarwichtige gronden aangevoerd op grond waarvan dit kan worden gerechtvaardigd. De rechtbank acht dit een doorslaggevende omstandigheid die ertoe leidt dat het beroep ontvankelijk is.
Mocht de minister het bezwaar ongegrond verklaren?
7. De rechtbank stelt vast dat op het bestuursorgaan dat toepassing wil geven aan de antimisbruikbepaling de verplichting rust om aannemelijk te maken dat daadwerkelijk sprake is van misbruik. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor het aannemen van misbruik van recht een hoge drempel geldt.
7.1.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht oplevert. Elk beroep op die faciliteiten brengt kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal keren dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. [5]
7.2.
Het is niet uitgesloten dat het aanhangig zijn van andere zaken relevant kán zijn voor het kunnen toepassen van de antimisbruikbepaling, bijvoorbeeld als daaruit een patroon zou blijken van het doen van Woo-verzoeken om vervolgens (rauwelijkse) ingebrekestellingen te verzenden en beroepen in te dienen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. [6]
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister aangeeft dat eiser in de periode 1 januari 2022 tot en met 6 februari 2025 minimaal twaalf Woo-verzoeken heeft ingediend. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de druk die deze verzoeken op het bestuursapparaat leggen komt zij, gelet op de periode van drie jaren waarin deze verzoeken zijn gedaan, tot het oordeel dat sprake is van een relatief klein aantal. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de periode tot september 2024, het moment dat de minister het standpunt innam dat sprake was van misbruik van recht, tien verzoeken zijn gedaan. Dat brengt mee dat, bij de beoordeling of in de onderhavige gevallen sprake is van misbruik van recht, meer gewicht dient te worden toegekend aan de overige omstandigheden en aan de totale context waarin de verzoeken zijn gedaan.
7.4.
Hetgeen de minister in dit verband heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende overtuigend. Het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, bieden onvoldoende steun voor de conclusie dat eiser in deze concrete gevallen een overmatig beroep heeft gedaan op door de overheid geboden faciliteiten.
7.5.
Het door de minister overgelegde overzicht van procedures die eiser (gedeeltelijk na het bestreden besluit) aanhangig heeft gemaakt maakt dit oordeel niet anders. Dat geldt ook voor de tegenwerping van de minister dat eiser een strafrechtelijk verleden heeft en dat hij gedurende de periode dat hij gedetineerd was een groot aantal beklagzaken startte. Beklagzaken kennen een andere juridische grondslag dan de Woo. Dit geldt ook voor wat betreft de door eiser gestarte AVG- en Wsjg-procedures. Daarmee heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat dit overzicht ter onderbouwing kan dienen voor de stelling dat eiser op het moment van het indienen van de onderhavige Woo-verzoeken een gedragspatroon liet zien dat aanleiding geeft voor toepassing van de antimisbruikbepaling.
7.6.
Verder overweegt de rechtbank dat de beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank geschiedt naar de stand van zaken op het moment van het nemen van het bestreden besluit. Dit betekent dat het gedragspatroon van eiser na het nemen van het bestreden besluit niet kan worden betrokken bij deze beoordeling.
7.7.
Tot slot overweegt de rechtbank dat vaststaat dat de minister niet binnen twee weken na ontvangst van de onderhavige verzoeken het besluit heeft genomen om deze op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling te stellen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de bestreden besluiten onverwijld zijn genomen nadat is gebleken dat sprake is van een oneigenlijk verzoek. Zoals blijkt uit het verweerschrift heeft de minister een nader onderzoek verricht met het doel om vast te stellen of eiser een ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie. Indien na het afsluiten van dat onderzoek volgens de minister is gebleken dat sprake was van een oneigenlijk verzoek, moet onverwijld het besluit worden genomen. Dat is in de onderhavige situatie niet aannemelijk gemaakt, nu het primaire besluit op de verzoeken van 1 mei 2024 is genomen op 23 september 2024. Het besluit is vervolgens pas op 2 december 2024 bekend gemaakt. De relatie met de uitkomsten van het aangehaalde onderzoek is, gegeven het tijdverloop, niet inzichtelijk gemaakt.
Heeft de minister kunnen afzien van het horen in bezwaar?
8. Op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen in bezwaar worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. Het horen in bezwaar is het uitgangspunt en er moet terughoudend worden afgezien van horen. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Zoals onder 7 is overwogen slaagt de beroepsgrond over de toepassing van de antimisbruikbepaling. Er kan dan geen sprake zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar van eiser niet tot een andere uitkomst kon leiden.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het samenstel van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het onderhavige geval sprake is van misbruik van recht als bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. De minister heeft eiser ten onrechte niet op zijn bezwaar gehoord. Er zijn onvoldoende zwaarwichtige gronden komen vast te staan om het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren.
9.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10. Dit brengt met zich mee dat ook het primaire besluit, strekkende tot het buiten behandeling stellen van de Woo-verzoeken van eiser, niet in stand kan blijven. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de verzoeken moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht en de reiskosten van eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 april 2025;
- herroept het primaire besluit van 23 september 2024;
- draagt de minister op om binnen een termijn van twaalf weken een nieuwe besluit op
de onderhavige twee Woo-verzoeken van eiser te nemen met inachtneming van deze
uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat de minister de reiskosten van € 22,16 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr.K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zaak LEE 25/1271 heeft mr. T.D.D. Loeffen zich als gemachtigde van eiser gesteld. Hij was bij de behandeling van die zaak ter zitting aanwezig. In de zaak LEE 25/1249 heeft mr. N.A.H. Limbourg zich als gemachtigde gesteld; zij was niet aanwezig.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:N:RVS:2018:4256.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2163.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2061, r.o. 6.7, laatste twee zinsneden.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403.
6.Rechtbank Noord-Nederland, 22 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4602.