Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2242

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/4530
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.79a Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bron van inkomen vastgesteld voor verliesgevende onderneming in 2020

Eiser was in 2020 werkzaam in loondienst bij twee werkgevers en verrichtte daarnaast werkzaamheden als zelfstandige voor het rondbrengen van een huis-aan-huisblad. Hij gaf in zijn aangifte een verliesgevende winst uit onderneming aan. De inspecteur accepteerde dit negatieve resultaat niet en legde een aanslag op gebaseerd op het inkomen uit loondienst alleen.

De rechtbank beoordeelde of er sprake was van een bron van inkomen, waarbij eiser stelde dat er wel een objectieve voordeelsverwachting was en dat het verlies veroorzaakt werd door incidentele kosten. De inspecteur verwees naar jarenlange negatieve resultaten en een cumulatief verlies, waardoor volgens hem geen bron van inkomen aanwezig was.

De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een objectieve voordeelsverwachting bestond. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de inspecteur nooit een standpunt had ingenomen dat winst uit onderneming werd erkend. De aanslag werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat er geen bron van inkomen is voor 2020.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4530

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst / Midden- en Kleinbedrijf / kantoor Groningen, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 oktober 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.732 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 2.146.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens de inspecteur, mr. [naam 3] en mr. [naam 4] .

Feiten

2. Eiser is in 2020 in loondienst bij twee werkgevers en verrichtte daarnaast werkzaamheden onder de naam [bedrijf 1] . Deze werkzaamheden bestaan uit het rondbrengen van een huis-aan-huisblad.
2.1.
Eiser heeft zijn aangifte IB/PVV 2020 ingediend en daarbij een inkomen uit werk en woning van € 12.611 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 2.146 aangegeven. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bestaat uit:
Winst uit onderneming
€  6.121
Loon [bedrijf 3] BV
€ 10.200
Loon [bedrijf 2] BV
€ 8.532
2.2.
De aangegeven winst uit onderneming bestaat uit een fiscale winst van €  7.117, vermeerderd met een MKB-winstvrijstelling van € 996 [1] . Eiser heeft een bedrag van € 7.030 aan niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek aangegeven.
2.3.
De inspecteur heeft eiser een verzoek om informatie gestuurd om het aangegeven verlies over 2020 te kunnen beoordelen. Eiser heeft naar aanleiding van dat verzoek een administratie afgegeven aan de inspecteur.
2.4.
De fiscale winst van €  7.117 is als volgt opgebouwd:
Som van de bedrijfsopbrengsten
€ 4.499
Som van de bedrijfslasten
€ 11.616
De bedrijfsopbrengsten hebben voor een bedrag van € 3.066 betrekking op de verrichte werkzaamheden (netto omzet) en een bedrag van € 1.433 op diverse baten (privégebruik telefoon, diversen en administratiekosten). De bedrijfslasten bestaan uit afschrijvingskosten van € 435, huisvestingskosten van € 500 en een post andere kosten van in totaal € 10.681. In de post andere kosten heeft eiser onder andere een aftrekpost voor dubieuze debiteuren van € 5.924 opgenomen.
2.5.
De inspecteur heeft aan eiser in zijn besluit om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2020 geschreven het aangegeven het negatieve resultaat niet te accepteren. Voor de onderbouwing verwijst de inspecteur naar zijn brief van 13 oktober 2023 waarin, voor zover hier van belang, het volgende is geschreven:

Bron van inkomen
Ik heb geconstateerd de inkomsten uit [bedrijf 1] over de jaren 2018 tot en met 2021 na aftrek van kosten, ook na correctie daarvan, tot een negatief resultaat leiden. Bij een gelijkblijvende bedrijfsvoering en een teruglopende omzet lijkt geen sprake meer van een bron van inkomen omdat de opbrengstverwachting lijkt te ontbreken.
Dit is op zich vreemd want in het normale economische verkeer zal het verspreiden/distribueren van dagbladen, folders en dergelijke een bron van inkomen vormen.
Het per saldo negatieve resultaat wordt veroorzaakt door het hoge kostenniveau ten opzichte van de gegenereerde opbrengsten. Naar mijn mening zou een zakelijk handelende resultaatgenieter met kosten die jaarlijks de omzet overtreffen proberen de kosten te beperken en/of anders de activiteiten beëindigen of uitbreiden. Nu daar geen sprake van blijkt te zijn heb ik het voornemen om, bij gelijkblijvende omstandigheden, de activiteiten vanaf het jaar 2020 niet meer als bron van inkomen te accepteren.”
2.6.
In het hoorgesprek over de aanslag IB/PVV 2019 op 4 juli 2024 was, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Inmiddels is de zoon ook met het bezorgen van folders gestopt.
(…)
Op dit moment bezorgt hij nog alleen de Ommelander, op maandag en donderdag. Hij doet dit in een deel van Eenrum. De heer [naam 1] geeft aan dat de werkzaamheden van zoon momenteel niet meer als onderneming kunnen worden beschouwd.”
2.7.
De inspecteur heeft aan eiser de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd berekend naar een box 1 inkomen van € 18.732, bestaande uit enkel het inkomen uit loondienst.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van een bron van inkomen. In dat kader beoordeelt de rechtbank ook het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat er geen bron van inkomen is voor het jaar 2020. De inspecteur heeft daarom de aanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van een bron van inkomen?
5. Eiser is van mening dat er sprake is van een bron van inkomen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat het gaat om resultaat uit overige werkzaamheden in plaats van winst uit onderneming. Hij is daarbij van mening dat de opgegeven winst uit onderneming in de aangifte de juiste cijfers bevat. Eiser stelt dat het verlies wordt veroorzaakt door incidentele kosten, onder andere veroorzaakt door de inspecteur. Volgens hem is sprake van een objectieve voordeelsverwachting.
6. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een bron van inkomen, omdat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt. Ter onderbouwing wijst de inspecteur op de vastgestelde resultaten van [bedrijf 1] van € 1.565 in 2014, € 2.793 in 2015 en € 2.704 in 2016. In 2017 was het vastgestelde resultaat nihil en in 2018 €  3.516 en in 2019 €  6.201. De inspecteur voert verder aan dat ook uit de ingediende aangiften in de latere jaren geen objectieve voordeelsverwachting blijkt. De aangegeven winst vóór ondernemersaftrek bedroeg in 2021 €  2.165, in 2022 €  32.278 en in 2023 €  7.590.
7. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat als er sprake is van een bron van inkomen, het gaat om resultaat uit overige werkzaamheden. Wil er sprake zijn van een bron van inkomen voor de Wet Inkomsten belasting 2001, moet volgens vaste rechtspraak aan de volgende drie algemene (bron)voorwaarden worden voldaan:
(1) deelname aan het economische verkeer,
(2) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en
(3) de (objectieve) verwachting dat het voordeel naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kan worden verwacht.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Partijen houdt dus alleen verdeeld of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. [2] Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. [3] Op eiser rust de bewijslast om die feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan alle bronvoorwaarden is voldaan.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een bron van inkomen. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser aanvankelijk relatieve lage winsten heeft gemaakt en dat hij vanaf 2017 in de rode cijfers is gedoken (zie 6). Als gevolg hiervan heeft de eenmanszaak cumulatief bezien een behoorlijk verlies opgebouwd. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat te verwachten is dat hij op enig moment in staat is het verlies goed te maken. Ook in 2020 en de drie jaren daarna heeft eiser bij lange na geen winsten behaald. In zijn brief (2.5) heeft de inspecteur aan eiser laten weten dat bij gelijkblijvende omstandigheden, de activiteiten vanaf het jaar 2020 niet meer als bron van inkomen te accepteren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er veranderende omstandigheden zijn in zijn inkomen. Integendeel zelfs, uit het hoorgesprek over het jaar 2019 blijkt dat in 2024 de werkzaamheden zelfs zover zijn afgebouwd dat ook volgens eiser er geen sprake meer is van een onderneming. Eiser voert aan dat een groot deel van de verliezen te wijten zijn aan incidentele kosten, zoals de kostenpost oninbare debiteuren. De inspecteur heeft hiertegen ingebracht dat, ook als geen rekening wordt gehouden met de afboeking oninbare debiteuren, het resultaat nog steeds negatief is. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat een objectieve voordeelverwachting niet aannemelijk is gemaakt en er daarom geen sprake is van een bron van inkomen voor het jaar 2020. De inspecteur heeft terecht geen resultaat uit overige werkzaamheden betrokken in de aanslag.
Vertrouwensbeginsel
9. Voor zover eiser met zijn verwijzing naar de vastgestelde niet benutte zelfstandigen aftrek op de aanslag een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, volgt de rechtbank eiser daar niet in. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende is dat de aangifte op een bepaald punt gevolgd is. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt alleen als er bijkomende omstandigheden zijn die bij eiser de indruk hebben gewekt dat de inspecteur met het volgen van de aangifte bewust een standpunt heeft ingenomen. [4] Uit de correspondentie tussen eiser en de inspecteur kon eiser niets anders opmaken dan dat de inspecteur géén winst uit onderneming toe zou staan. De niet benutte zelfstandigen aftrek op de aanslag kan daarom niet anders worden geïnterpreteerd dan een abusievelijke fout aan de kant van de inspecteur. De rechtbank is daarom van oordeel dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van
mr.R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 26 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.14% van de fiscale winst, conform artikel 3.79a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2020).
2.Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390, rechtsoverweging 3.1.3.
3.Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707.
4.Zie Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8999 en Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:278.