Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen),
Samenvatting
Procesverloop1.Eiser heeft op 14 mei 2024 een verzoek ingediend om openbaarmaking van informatie zoals bedoeld in artikel 4 van de Woo. Het verzoek heeft betrekking op alle stukken, digitale bescheiden daaronder begrepen, die zien op de contacten tussen journalisten en ambtenaren van het Openbaar Ministerie over de periode 1 mei 2021 tot en met 14 mei 2024.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen geregistreerd onder de nummers LEE 25/1661, LEE 25/923, LEE 25/1249, LEE 25/2613 en LEE 25/1021. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigden van minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
De minister heeft zich in het bestreden besluit en het verweerschrift gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser in de periode van 1 januari 2022 tot en met 6 februari 2025 minimaal twaalf Woo-verzoeken heeft ingediend. Daarnaast heeft eiser eenzelfde aantal verzoeken ingediend op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). In alle Woo-procedures zijn ingebrekestellingen verstuurd en beroepen niet tijdig beslissen aanhangig gemaakt. Tegen zes Woo-besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt en tegen twee beslissingen op bezwaar is beroep ingesteld. Ook in de Wjsg- en AVG-verzoeken wendt eiser rechtsmiddelen aan. Voorts dient eiser niet alleen verzoeken in bij het Openbaar Ministerie maar ook bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (32 Woo-verzoeken). De hoeveelheid procedures, de onredelijke reikwijdte van de verzoeken, de korte periode waarbinnen de omvangrijke verzoeken worden ingediend, de onredelijke belasting voor de organisatie zonder dat dit een rechtmatig doel dient, het procedeergedrag van eiser en de hoeveel klachten en procedures met het oog op verkrijgen van dwangsommen, leiden de minister tot de conclusie dat eiser niet het verkrijgen van publieke informatie nastreeft. Omdat op voorhand geen twijfel bestond over deze uitkomst is eiser terecht niet gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’
De antimisbruikbepaling van artikel 4.6 van de Woo biedt het bestuursorgaan de mogelijkheid om, indien sprake is van misbruik, een verzoek als bedoeld in artikel 4.1 van de Woo buiten behandeling stellen. De bepaling ziet aldus op een verzoek. Dat blijkt ook uit het feit dat de bepaling is opgenomen in hoofdstuk 4 van de wet, dat gaat over verzoeken.
Conclusie en gevolgen13.Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onterecht de antimisbruikbepaling van artikel 4.6 van de Woo heeft ingeroepen en het bezwaar van eiser tegen het inhoudelijke besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister heeft eiser ten onrechte niet op zijn bezwaar gehoord.
Beslissing
- draagt de minister op om binnen een termijn van twaalf weken na de dag van verzending
van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
mr. K. Lenting, griffier.