Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2292

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
18.324037.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor culpose brandstichting en bedreiging met luchtdrukwapen

Op 28 november 2025 ontstond brand in de woning van verdachte, veroorzaakt doordat hij met een smeulende joint in slaap viel op de bank. Verdachte was psychotisch en gebruikte geen medicatie meer. Daarnaast bedreigde hij de chauffeur van een vrachtwagen met een luchtdrukwapen, waarmee hij ook de Wet wapens en munitie overtrad.

De rechtbank sprak verdachte vrij van opzettelijke brandstichting, maar veroordeelde hem voor culpose brandstichting wegens aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De brand veroorzaakte levensgevaarlijke situaties voor omwonenden. Verdachte bekende de bedreiging en het dragen van het luchtdrukwapen, wat wettig en overtuigend bewezen werd.

Psychologisch onderzoek toonde schizofrenie en cannabisgebruik, met een verminderde toerekeningsvatbaarheid. De reclassering adviseerde gedwongen behandeling en bijzondere voorwaarden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 16 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar. Het luchtdrukwapen werd verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en verbeurdverklaring van het luchtdrukwapen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.324037.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 november 2025 aan [instelling] te Emmen opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een bank, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de inboedel van de woning en de aangrenzende woningen aan [instelling] te Emmen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de personen die zich bevonden in de woningen naast en/of nabij de woning gelegen aan [instelling] te duchten was
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 november 2025 aan [instelling] te Emmen, zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend open vuur in aanraking te brengen met een bank, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan brand is ontstaan, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan en/of een ontploffing teweeg is gebracht, terwijl daardoor
  • gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de inboedel van de rest van de woning en de aangrenzende woningen aan [instelling] te Emmen en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de personen die zich bevonden in de woningen naast en/of nabij de woning gelegen aan [instelling] ontstond
2
hij op of omstreeks 28 november 2025 te Emmen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door een luchtbuks, althans een luchtdrukwapen, in zijn hand te nemen en deze op die [slachtoffer] te richten en te schieten,
in elk geval gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking
3
hij op of omstreeks 28 november 2025 te Emmen een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een luchtdrukwapen heeft gedragen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De brand in de woning van verdachte is ontstaan doordat verdachte met een smeulende joint in zijn hand in slaap is gevallen op de bank. Dit is niet als een opzettelijke, maar ook niet als een culpose brandstichting aan te merken. Onder verwijzing naar jurisprudentie voert de verdediging aan dat meermalen is bepaald dat het met een brandende sigaret in slaap vallen niet aangemerkt kan worden als aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag. Derhalve dient verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken te worden. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank

Feit 1, subsidiair

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1.
​De door verdachte ter zitting van 29 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat er op 28 november 2025 brand is ontstaan in mijn woning gelegen aan [instelling] te Emmen. In de dagen voor de brand was ik licht psychotisch en in de war. De medicatie tegen psychoses gebruikte ik al een tijd niet meer vanwege de bijwerkingen. Ik had al een paar nachten niet geslapen en was daardoor oververmoeid. Om toch in slaap te kunnen vallen heb ik in de ochtend van 28 november 2025 eerst twee temazepam pillen ingenomen en heb ik een jointje gerookt. Ik ben toen gaan douchen en heb nog wat gegeten om vervolgens met een deken op de bank te gaan liggen. Toen ik op de bank lag heb ik nog een joint gerookt. Ik rookte de joints in de hoop dat ik daardoor in slaap zou vallen. Uiteindelijk ben ik ook op de bank in slaap gevallen. Ik schrok wakker van het brandalarm en zag dat een stuk van de bank in brand stond en dat de vloerbedekking aan het smeulen was.
2. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek d.d. 30 december 2025, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN3R025121 (Borstelbies) d.d. 21 april 2026, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
LOCATIE INCIDENT
[adres] Emmen, gemeente Emmen (binnen de bebouwde kom).
Brand- en schadebeeld
In het zitgedeelte van de woonkamer had een brand gewoed welke had geresulteerd in grote schade aan dat deze zijde van de ruimte. Een bankstel was grotendeels verbrand. De aangetroffen brandpatronen duidden op een ontstaan van de brand op of in de directe omgeving van de linkerzijde van het bankstel.
Ontstaansplaats
Gelet op de aangetroffen situatie en de uitkomsten van het forensisch brandonderzoek kon worden vastgesteld dat de brand was ontstaan op of in de directe omgeving van de linkerzijde van het bankstel in de woonkamer van het object.
Oorzaak
Er werden binnen het onstaansgebied ter plaatse geen technische voorzieningen aangetroffen die een brand hadden kunnen veroorzaken. Hierdoor was de hypothese “technische oorzaak” niet waarschijnlijk. Gelet op de gebeurtenissen voorafgaande aan de brand zal de oorzaak voor het ontstaan van de brand gezocht moeten worden in de lijn van menselijke handeling.
Er was schade aan de opstal en inboedel ontstaan. Er was zowel sprake van directe brandschade aan de ruimte zelf als indirecte brandschade in de vorm van rook en roet.
3. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2025, opgenomen op pagina 46 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op donderdag 4 december 2025 om 14.30 uur had ik verbalisant [verbalisant] , telefonisch contact met de bevelvoerder van de brandweer de heer [bevelvoerder] . Hij vertelde mij desgevraagd het volgende:
Dat hij vrijdag 28 november 2025 met zijn ploeg aanwezig was aan [adres] te Emmen in verband met een brand. Er werd een hoge concentratie Co gemeten, zowel in de woning als de bovengelegen woning. Het betrof een levensgevaarlijke concentratie. Op mijn vraag wat de gevolgen waren geweest als de brandweer niet op tijd ter plaatse was geweest, antwoordde hij dat de brand dan was uitgeslagen naar de bovenliggende woningen met gevaarzetting voor andere bewoners.
4. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2025, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op vrijdag 28 november 2025, omstreeks 15.26 uur kregen wij, verbalisanten, de opdracht van het Operationeel Centrum om naar [adres] te Emmen te gaan.
Aldaar zagen wij dat het een portiekwoning betrof. Via het portiek was er toegang naar 4 woningen. Dit betroffen de woningen [adres] [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Ik [verbalisant] kreeg van de brandweer de vraag of de bewoners van [adres] [nummer] , [nummer] en [nummer] ook aanwezig waren op de plaats van het incident. De bewoonster van [adres] was ter plaatse. Ook de bewoner van [adres] was ter plaatse.

Bewijsoverweging feit 1 subsidiair

Oorzaak van de brand
Verdachte heeft verklaard dat hij op de bank in slaap is gevallen nadat hij eerst twee temazepam pillen heeft ingenomen, een joint heeft gerookt en vervolgens op de bank is gaan liggen en een tweede joint heeft gerookt. Toen verdachte op enig moment door het brandalarm wakker schrok, stond een stukje van de bank in de brand en was de vloerbedekking aan het smeulen. Uit het brandonderzoek blijkt dat de brand is ontstaan op of in de directe omgeving van de linkerzijde van het bankstel en dat ter plaatse geen technische voorzieningen zijn aangetroffen die een brand hadden kunnen veroorzaken.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de brand in de woning van verdachte inderdaad is ontstaan door de smeulende joint waarmee verdachte op de bank in slaap is gevallen.
Vrijspraak opzettelijke brandstichting
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijk vorm, heeft gehad op het veroorzaken van de brand. Uit de bewijsmiddelen blijk niet dat
verdachte de brand willens en wetens heeft gesticht of dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er door zijn handelen brand zou ontstaan.
Culpose brandstichting
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan culpose brandstichting zoals subsidiair ten laste gelegd.
In het algemeen geldt dat onder schuld als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.1
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte in de ochtend van 28 november 2025 in enige mate psychotisch was en hij de dagen voorafgaand aan die ochtend niet of nauwelijks had geslapen. Verdachte was oververmoeid en om in slaap te kunnen vallen heeft verdachte twee pillen temazepam ingenomen en een joint gerookt. Vervolgens is hij onder een deken op de bank gaan liggen en heeft hij een tweede joint gerookt. Het was de bedoeling van verdachte dat hij door de combinatie van voornoemde gedragingen op de bank in slaap zou vallen, hetgeen ook gelukt is terwijl hij de smeulende joint nog in zijn rechterhand vasthield.
Nu alle voornoemde gedragingen van verdachte tot doel hadden om in slaap te vallen, is de rechtbank van oordeel dat zijn handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig moet worden aangemerkt zodat het aan zijn schuld te wijten is geweest dat de brand in zijn woning is ontstaan. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden had verdachte moeten en kunnen weten dat hij op de bank in slaap zou vallen terwijl hij een smeulende joint in zijn hand hield en er daarmee een brandgevaarlijke situatie ontstond.
Gevaar voor goederen en personen
De brand heeft in de woning van verdachte veel schade veroorzaakt. Daar komt bij dat er zowel in de woning van verdachte als in de bovengelegen woning een levensgevaarlijke concentratie Co (koolstofmonoxide) gemeten werd. Ook zou de brand zijn uitgeslagen naar de bovenliggende woningen, indien de brandweer niet op tijd ter plaatse was geweest. Ten tijde van de brand waren twee buurtbewoners, wonende op [instelling] [nummer] en [nummer] , thuis.
Gelet op het voornoemde concludeert de rechtbank dat er zowel sprake was van gemeen gevaar voor goederen als van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2 en 3

De rechtbank acht de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 november 2025, opgenomen op pagina 57 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN3R025121 (Borstelbies) d.d. 21 april 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2025, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 28 november 2025 aan [instelling] te Emmen, aanmerkelijk onvoorzichtig open vuur in aanraking te brengen met een bank, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten de inboedel van de rest van de woning en de aangrenzende woningen aan [instelling] te Emmen en
  • levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de personen die zich bevonden in de woningen naast en nabij de woning gelegen aan [instelling] , ontstond
2
hij op 28 november 2025 te Emmen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een luchtbuks in zijn hand te nemen en deze op die [slachtoffer] te richten en te schieten
3
hij op 28 november 2025 te Emmen een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een luchtdrukwapen heeft gedragen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/ gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de (subsidiair) tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd en dat die voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Met betrekking tot feit 3, hetgeen een overtreding betreft, vordert de officier van justitie dat het luchtdrukwapen verbeurd wordt verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf waardoor verdachte aansluitend op zijn detentieperiode, opgenomen kan worden in een geschikte kliniek. Het is zowel voor de maatschappij als voor verdachte onwenselijk dat hij in de tussentijd nog op vrije voeten wordt gesteld. Voorst gaat het goed met verdachte in het PPC. Zoals de deskundigen van de reclassering hebben aangegeven bedraagt de wachttijd voor opname in de FPK of FPA op dit moment ongeveer vier maanden. De verdediging pleit derhalve voor oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel, na aftrek van voorarrest, nog vier maanden bedraagt.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van het psychologisch Pro Justitia onderzoek d.d. 3 april 2026 alsmede het reclasseringsadvies d.d. 15 mei 2026 en de aanvullende mail van de reclassering d.d. 28 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Op 28 november 2025 is een aan de schuld van verdachte te wijten brand ontstaan in zijn woning. Daarnaast heeft hij de chauffeur van een vrachtwagen bedreigd met een luchtdrukwapen. Naar zijn eigen zeggen, wilde hij in de vrachtwagen vluchten. Doordat hij het luchtdrukwapen bij zich droeg heeft hij ook de Wet Wapens en Munitie overtreden.
Verdachte nam al geruime tijd zijn medicatie niet meer in en had enkele dagen niet geslapen. Om toch in slaap te kunnen vallen, heeft verdachte onder andere twee joints gerookt. Met één van die smeulende joints in zijn hand is verdachte in slaap gevallen op de bank, hetgeen uiteindelijk de brand in zijn woning heeft veroorzaakt. Het veroorzaken van een brand is een ernstig feit dat naast veel materiële schade ook gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt voor omwonenden. Door de brand is er naast gevaar voor goederen ook gevaar voor andere personen ontstaan. Dat omwonenden uiteindelijk geen letsel hebben opgelopen, is niet aan het gedrag van verdachte te danken. Toen verdachte wakker schrok van het brandalarm heeft hij zijn vogel nog wel in veiligheid gebracht, maar heeft hij nagelaten om zijn buren te alarmeren of om de hulpdiensten in te schakelen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Vervolgens heeft verdachte een luchtdrukwapen uit zijn woning meegenomen en is hij uit zijn woning gevlucht. Onder dreiging van het luchtdrukwapen heeft verdachte vervolgens de vrachtwagen waar [slachtoffer] op dat moment in zat, benaderd en met de loop van het luchtdrukwapen op de voorruit getikt. Met het luchtdrukwapen gericht op [slachtoffer] heeft verdachte ook daadwerkelijk een schot gelost, waarbij de kogel door weerstand van de voorruit gelukkig geen doel trof. Voornoemde bedreiging van [slachtoffer] acht de rechtbank een zeer ernstige bedreiging. Met zijn handelen heeft verdachte voor het slachtoffer een uitermate angstige situatie gecreëerd en zijn veiligheidsgevoel ernstig aangetast. Dat het slechts om een luchtdrukwapen ging doet daar niet aan af, nu het een groot luchtdrukwapen betrof en het wapen voor [slachtoffer] op basis van uiterlijke kenmerken niet te onderscheiden was van een vuurwapen. Daar komt bij dat verdachte dit feit heeft gepleegd op klaarlichte dag en in de openbare ruimte, hetgeen ook onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg brengt.
Persoon van verdachte
Psychologisch onderzoek
De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van de het psychologisch Pro Justitia rapport
d.d. 3 april 2026, opgemaakt door M. ten Berge. Uit voornoemde rapportage blijkt zakelijk weergegeven-het volgende.
Bij verdachte is sprake van schizofrenie en van een stoornis in cannabisgebruik. Verdachte gebruikte al geruime tijd geen antipsychotische medicatie meer. Verdachte was hier begin 2025 bewust mee gestopt omdat hij bijwerkingen ervaarde. In aanloop naar het ten laste gelegde was er sprake van psychotische ontregeling. Deze ontregeling lijkt echter niet van dien aard te zijn geweest dat zijn gedrag volledig werd gestuurd hierdoor, maar het lijkt - tezamen met de angst en paniek en de beperkte coping vaardigheden - wel een aanzienlijke invloed te hebben gehad. Het cannabisgebruik lijkt hierin overigens geen doorslaggevende causale rol te hebben gespeeld, maar heeft vermoedelijk wel luxerend gewerkt en in die zin in enige mate bijgedragen aan de (psychotische) ontregeling. Verdachte ervaarde weerstand en enige achterdocht naar de hulpverlening, zegt wat in de war en gedesoriënteerd te zijn geweest en sliep nachten niet, mede waardoor hij het overzicht verloren lijkt te hebben en de realiteitstoetsing onder druk kwam te staan. Vanuit dit licht bezien wordt geadviseerd verdachte de ten laste gelegde bedreiging in een verminderde mate toe te rekenen.
Op basis van de risicotaxatie in combinatie met de klinische indrukken kan gesteld worden dat de kans op gewelddadig gedrag bij onbehandelde problematiek (schizofrenie) als matig tot hoog wordt ingeschat. Het risico lijkt vooral te liggen in situaties wanneer er ontregeling optreedt, veelal als gevolg van een structureel slaaptekort in combinatie met middelengebruik. Verwacht wordt dat adequate behandeling van de psychotische
klachten en het bieden van structuur de kans op gewelddadig of delinquent gedrag effectief zal kunnen beperken. Gezien het voornoemde is begeleiding en behandeling van verdachte geïndiceerd, gericht op de psychotische klachten maar ook op het middelengebruik - en de functie daarvan voor verdachte. Gelet op de huidige situatie - de aard van het ten laste gelegde, het ontbreken van huisvesting en de recente ontregeling - lijkt thans een klinische start geïndiceerd, als overgang vanuit de structuur van het PPC naar een andere vorm van huisvesting. Hierna kan overgegaan worden naar een ambulante behandel- en begeleidingsvorm, al dan niet in combinatie met een vorm van begeleid of beschermd wonen. Verdachte toont zicht gemotiveerd voor behandeling en begeleiding en wil zich weer positief op de toekomst richten. Gezien de afgenomen motivatie voorafgaand aan het ten laste gelegde en de ambivalentie ten aanzien van medicatie- en middelengebruik wordt de
spreekwoordelijke stok achter de deur echter wel als noodzakelijk gezien. Bovengenoemde zou derhalve - indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht en indien de strafmaat het toelaat - naar inschatting van de psycholoog in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel vorm kunnen
krijgen. Om veroordeelde ook op de langere termijn - na afloop bij het voorwaardelijk strafdeel en toezicht - te kunnen begeleiden en monitoren wordt daarnaast het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) in overweging gegeven.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank kan zich met voornoemde conclusie van de psycholoog verenigen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit ook voor de bewezenverklaarde culpose brandstichting, nu er met betrekking tot dat feit eveneens sprake was van een psychotische ontregeling bij verdachte.
Reclasseringsadvies
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank tevens gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 15 mei 2026 en de mail van de reclassering d.d. 28 mei 2026 met aanvullende informatie. Uit voornoemde stukken blijkt zakelijk weergegeven- het volgende.
Verdachte is bekend met psychiatrische problematiek, schizofrenie, en met middelenproblematiek, met name een cannabisverslaving. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat verdachte psychisch ontregeld was ten tijde van het ten laste gelegde. Hij gebruikte al enige tijd geen medicatie meer (antipsychoticum) en de GGZ wilde hem daags voor zijn aanhouding laten beoordelen vanwege de zorgelijke signalen die zij hadden ontvangen.
De Pro Justitia rapporteur adviseert om de kans op recidive zo veel als mogelijk te beperken middels gedwongen forensische behandeling en begeleiding, gericht op de psychotische klachten maar ook op het middelengebruik en de functie daarvan voor verdachte. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de Pro Justitia rapporteur en heeft de procedure voor opname in een zorginstelling in werking gesteld. De huidige stand van zaken is dat verdachte is toegeleid naar, doch nog niet geaccepteerd door, de FPA te [plaats]. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen, een alcoholverbod en het hebben van passende dagbesteding. Verdachte stelt zich meewerkend op en is bereid om mee te werken aan eventuele bijzondere voorwaarden. Een heikel punt in het behandel- en begeleidingstraject van verdachte is medicatiegebruik welke nodig is om een psychotische ontregeling te voorkomen. Om die reden adviseren wij met klem, om in de bijzondere voorwaarden op te nemen dat verdachte de hem voorgeschreven medicatie gebruikt. Deze medicamenteuze behandeling is een zeer belangrijke pijler in de gehele behandeling om recidive te voorkomen. Om te voorkomen dat na een eventuele tenuitvoerlegging verdachte mogelijk onvoldoende behandeld uit detentie komt, adviseren wij om ook een GVM op te leggen. Deze maatregel kan ook nodig zijn wanneer er na afloop van het voorwaardelijk strafdeel en het toezicht nog risicos op delictgedrag resteren.
Per e-mail van 28 mei 2026 heeft de reclassering aangegeven dat er op 27 mei 2026 een digitale intake bij de FPA [plaats] heeft plaatsgevonden. Daaruit is kort gezegd gebleken dat een directe plaatsing binnen de FPA als onvoldoende passend wordt gezien. Vanuit de FPA willen zij een behandelaanbod starten op FPK-niveau. De wachttijd voor een opname van verdachte op de behandelafdelingen van de FPK te [plaats] bedraagt drie à vier maanden. De reclassering benadrukt dat het, gelet op het hoge recidiverisico, van belang is dat de klinische behandeling van verdachte naadloos aansluit op zijn detentieperiode. In het verlengde daarvan adviseert de reclassering om geadviseerde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Op te leggen straf
De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist. De rechtbank ziet in de problematiek van verdachte, de adviezen van de deskundigen en hetgeen door de verdediging is aangedragen echter aanleiding om daarvan af te wijken en een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zoals door de reclassering geadviseerd en zoals door de verdediging bepleit, is het van belang dat de klinische behandeling van verdachte naadloos aansluit op zijn detentieperiode. Gelet op het hoge recidiverisico en de problematiek van verdachte is het zowel voor de maatschappij als voor verdachte onwenselijk dat hij in de tussentijd nog op vrije voeten wordt gesteld. Nu de reclassering heeft aangegeven dat de wachttijd voor opname in de FPK drie à vier maanden bedraagt, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen waarbij verdachte na aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, nog vier maanden gedetineerd zal blijven. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf te rechtvaardigen is gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten met name gelet op de bedreiging- en het feit dat verdachte eerder onherroepelijk voor bedreiging is veroordeeld, is oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan geëist er uitdrukkelijk in gelegen om te bewerkstelligen dat verdachte aansluitend op zijn detentieperiode opgenomen kan worden in de FPK of een andere zorginstelling te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie.
Gelet op het voornoemde zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel verbindt de rechtbank de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van de voorwaarde betreffende het gebruik van de voorgeschreven medicatie. De overige voorwaarden, te weten een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen, een alcoholverbod en het hebben van passende dagbesteding zullen als voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel worden verbonden.
Nu het dragen van een wapen van categorie IV zoals onder feit 3 bewezen is verklaard een overtreding betreft, dient de rechtbank voor dat feit een aparte straf op te leggen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verbeurdverklaring van het luchtdrukwapen voor dat feit passend is.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Op grond van het bepaalde in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Hoewel door zowel de Pro Justitia rapporteur als door de reclassering geadviseerd, zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een GVM. De bewezenverklaarde feiten voldoen niet aan de vereisten voor het opleggen van een GVM zoals bepaald in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, nu het geen feiten betreffen waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Oplegging van die maatregel behoort dan ook niet tot de mogelijkheden.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarbij verklaart de rechtbank de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar.
Met betrekking tot feit 3 verklaart de rechtbank het onder verdachte inbeslaggenomen luchtdrukwapen verbeurd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting (eventueel PPC), tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 62, 158 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, het onder 2 en het onder 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde
van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
  • Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
  • Dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De opname duurt maximaal één jaar. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychiatrische problematiek (schizofrenie) en de middelenproblematiek. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
  • Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychiatrische problematiek (schizofrenie) en de middelenproblematiek.
  • Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op het einde van de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
  • Dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
  • Dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest.
De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
- Dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een passende dagbesteding met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Ten aanzien van feit 3
Verklaart verbeurd: 1 STK overig wapen (luchtdrukwapen), merk/type: Hatsan 5.5 mm, goednummer PL0100-2025322431-1889705.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. L.M. Praamstra, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
Mr. M.A.M. Wolters en mr. L.M. Praamstra zijn buiten dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Hoge Raad 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:659, r.o. 2.5