Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2347

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/18/254231 / KG ZA 26-99
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:610 BWArt. 7:653 BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering voorlopige voorziening concurrentiebeding wegens onduidelijkheid arbeidsovereenkomst

City Clinics vordert in kort geding nakoming van een concurrentiebeding, cliëntenbeding en geheimhoudingsbeding uit een overeenkomst van opdracht met [gedaagden], die een arts is. De overeenkomst bevat een boeteclausule bij overtreding. [gedaagden] heeft een concurrerende onderneming opgericht binnen 20 km van City Clinics en behandelt voormalige cliënten.

De voorzieningenrechter moet beoordelen of de overeenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, wat de geldigheid van het concurrentiebeding beïnvloedt. [gedaagden] stelt dat de feitelijke situatie wijst op een arbeidsovereenkomst, City Clinics betwist dit.

Gezien de complexiteit en het belang van de kwalificatie, en het feit dat de gevolgen van toewijzing verstrekkend zijn, oordeelt de voorzieningenrechter dat niet verantwoord kan worden beslist in kort geding. De vorderingen worden daarom afgewezen. Wel wordt een geldvordering van [gedaagden] toegewezen. City Clinics wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot nakoming van het concurrentiebeding af wegens onduidelijkheid over de kwalificatie van de overeenkomst als arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/254231 / KG ZA 26-99
Vonnis in kort geding van 5 juni 2026
in de zaak van
CITY CLINICS B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: City Clinics,
advocaat: mr. J.P.J.M. Naus te Nijmegen,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te Groningen,
2.
AURA CLINICS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. W.A. van Overbeek de Meyer te Deventer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord met producties, tevens houdende eis in reconventie,
- de akte wijziging van eis in conventie,
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van mr. Naus (waarvan voorgedragen ter zitting: punten 1 t/m 55 en punten 84 t/m 88),
- de pleitnota van mr. Van Overbeek de Meyer,
- de aanhouding ten behoeve van het beproeven van een minnelijke regeling,
- het verzoek van partijen om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
City Clinics exploiteert een landelijke keten van gespecialiseerde klinieken op het gebied van zogenoemde "injectable behandelingen".
2.2.
Tussen City Clinics en [gedaagden] is op 2 of 3 januari 2023 een overeenkomst getiteld "overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd" gesloten, op grond waarvan [gedaagden] (kort samengevat) als arts behandelingen heeft uitgevoerd in klinieken van City Clinics. De overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
"Hebben in aanmerking genomen dat:
C. Partijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW;
D. Partijen uitdrukkelijk niet beogen om een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW;
(…)
2.1
De opdracht vangt aan op 11 jan. 2023 is voor bepaalde tijd en voor de duur van 12 maanden aangegaan. De overeenkomst eindigt van rechtswege (zonder dat voorafgaande opzegging is vereist) op 10 jan. 2024. Indien deze overeenkomst na het verstrijken van de overeengekomen datum stilzwijgend wordt voortgezet, wordt de overeenkomst geacht te zijn voortgezet voor dezelfde tijd.
(…)
Artikel 9 Concurrentiebeding Pro
9.1.
Tenzij voorafgaande en schriftelijke toestemming van Opdrachtgever, is het opdrachtnemer verboden om Opdrachtgever tijdens en gedurende 24 maanden na het eindigen van deze overeenkomst (ongeacht de wijze waarop deze overeenkomst eindigt) te beconcurreren. Opdrachtnemer wordt geacht Opdrachtgever te beconcurreren indien Opdrachtnemer:

op enigerlei wijze (financieel) betrokken is bij het oprichten van een onderneming (in welke vorm dan ook) die zich geheel of deels bezighoudt met activiteiten op het gebied van injectables binnen een straal van 20 km van enige vestiging van Opdrachtgever;

eigenaar of mede-eigenaar en/of UBO wordt van een (bestaande) onderneming (in welke vorm dan ook) die zich geheel of deels bezighoudt met activiteiten op het gebied van injectables binnen een straal van 20 km van enige vestiging van Opdrachtgever.
Artikel 10 Cli Proëntenbeding
10.1
Opdrachtnemer verbindt zich om tijdens de duur van deze overeenkomst en om gedurende een periode van 24 maanden na het eindigen van deze overeenkomst (ongeacht de wijze waarop deze overeenkomst eindigt) geen intake- behandeling- en nazorgwerkzaamheden die Opdrachtgever ook aanbiedt, te verrichten voor cliënten van Opdrachtgever, tenzij met voorafgaande en schriftelijke toestemming van Opdrachtgever. Onder cliënten wordt verstaan de personen die op consult zijn geweest en/of een behandeling hebben ondergaan bij (één van de klinieken van) Opdrachtgever en de aan haar gelieerde ondernemingen.
(…)
Artikel 12 Boeteclausule Pro
12.1
Bij overtreding van het bepaalde in deze overeenkomst, waaronder doch niet uitsluitend het concurrentiebeding, het cliëntenbeding, het geheimhoudingsbeding enzovoorts, zal Opdrachtnemer jegens Opdrachtgever een onmiddellijk opeisbare boete verbeuren van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) per overtreding en € 2.500,00 (zegge: vijfentwintighonderd euro) voor iedere dag waarop de overtreding eventueel voortduurt, onverminderd de overige rechten van Opdrachtgever krachtens de wet of de onderhavige overeenkomst, zoals het recht van Opdrachtgever om nakoming van deze overeenkomst dan wel een verbod en/of schadevergoeding te vorderen, alsmede om tot beëindiging van de overeenkomst over te gaan indien deze nog bestaat."
2.3.
Eind 2025 heeft [gedaagden] de onderneming Aura Clinics opgericht en biedt zij vanuit deze onderneming behandelingen aan in vier salons die zijn gevestigd in Emmen, Groningen, Sneek en Hardenberg. De salons te Emmen en Groningen bevinden zich op een afstand van minder dan 20 kilometer van een vestiging van City Clinics. In deze salons heeft [gedaagden] cliënten behandeld die (voorheen) klant waren bij City Clinics.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
City Clinics vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] en Aura Clinics hoofdelijk te gebieden om jegens City Clinics binnen 24 uur na dit vonnis en tot en met 31 december 2026:
A) het in artikel 11.1 van de Overeenkomst opgenomen non-concurrentiebeding onverkort na te komen en te blijven nakomen;
B) het in artikel 12.1 van de Overeenkomst opgenomen cliëntenbeding onverkort na te komen en te blijven nakomen;
C) het in artikel 13.1 van de Overeenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding onverkort na te komen en te blijven nakomen,
II. [gedaagden] en Aura Clinics hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere overtreding van de hierboven genoemde veroordelingen, te vermeerderen met € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt,
III. [gedaagden] en Aura Clinics hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de per 7 april 2026 verbeurde boetes ad in totaal € 505.000,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding,
IV. [gedaagden] en Aura Clinics hoofdelijk te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis de nog te verschijnen boetes van € 5.000,00 per dag te betalen over de periode van 17 maart 2026 tot de dag van het vonnis, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de dag van het vonnis,
V. [gedaagden] en Aura Clinics hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
City Clinics vordert subsidiair en voorwaardelijk, in het geval zou worden geoordeeld dat de Overeenkomst en/of de Voorafgaande Overeenkomst tussen partijen kwalificeren als een arbeidsovereenkomst, [gedaagden] te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis aan City Clinics een bedrag van € 415.516,94 te betalen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de dag van het vonnis.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van City Clinics dan wel tot afwijzing van de vorderingen van City Clinics, subsidiair tot matiging van de boetes, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van City Clinics in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. City Clinics te veroordelen om aan [gedaagden] een bedrag van € 66.889,94 aan hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 januari 2026,
II. het concurrentiebeding en cliëntenbeding te schorsen geheel of gedeeltelijk, totdat over de rechtskracht daarvan definitief is beslist in een bodemprocedure,
III. City Clinics te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.6.
City Clinics voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Eiswijziging
4.1.
City Clinics heeft bij akte haar eis gewijzigd. Op grond van artikel 130 Rv Pro is een eisvermeerdering toegestaan zolang er nog geen eindvonnis is gewezen, tenzij dit (ambtshalve) in strijd wordt geacht met de goede procesorde of de wederpartij op die grond tegen de eiswijziging bezwaar heeft gemaakt.
4.2.
[gedaagden] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging als zodanig. Ook ambtshalve ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde, temeer niet omdat [gedaagden] in de gelegenheid is geweest om tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk op de gewijzigde eis te reageren. De voorzieningenrechter zal dan ook beslissen op de gewijzigde eis.
Inhoudelijk
4.3.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is nodig dat City Clinics daarbij een spoedeisend belang heeft. Ten aanzien van de gevraagde voorzieningen in verband met het geheimhoudingsbeding ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang. City Clinics heeft omtrent het geheimhoudingsbeding in het geheel niets gesteld in haar processtukken en ook op de mondelinge behandeling is dit beding niet ter sprake gekomen. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen. Voor de overige vorderingen geldt dat de aard van de vorderingen, waarbij City Clinics stelt dat er sprake is van een voortdurende schending van het concurrentiebeding en het cliëntenbeding, het spoedeisend belang in beginsel gegeven is.
4.4.
In kort geding moet de voorzieningenrechter beoordelen of op basis van de feiten en omstandigheden en zonder nadere bewijslevering de ingestelde vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. Daarbij moeten de belangen van partijen bij toe- respectievelijk afwijzing van de voorlopige voorziening tegen elkaar worden afgewogen [1] . Op grond van artikel 256 Rv Pro kan de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening weigeren indien de zaak niet geschikt is om te worden beslist in kort geding. Van een dergelijke ongeschiktheid kan sprake zijn als de voorzieningenrechter zich het voor het geven van een verantwoorde beslissing vereiste inzicht in de zaak niet kan verschaffen [2] . De voorzieningenrechter is in het licht hiervan van oordeel dat de in conventie gevorderde voorzieningen in dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking komen. Het volgende is daartoe redengevend.
4.5.
Door [gedaagden] is gesteld en onderbouwd dat de tussen haar en City Clinics gesloten overeenkomst niet moet worden opgevat als een overeenkomst van opdracht, maar als een arbeidsovereenkomst.
4.6.
Indien die stelling juist zou zijn, zou dat betekenen dat het concurrentiebeding en het relatiebeding op grond van artikel 7:653 BW Pro nietig zijn, omdat de overeenkomst voor een bepaalde tijd is gesloten en de noodzaak van deze bedingen daarbij niet schriftelijk is gemotiveerd (vgl. artikel 7:653 lid 2 BW Pro). Omdat de vorderingen van City Clinics uitgaan van de geldigheid van de bedingen, staat of valt de beslissing in deze zaak dus met de kwalificatie van de overeenkomst.
4.7.
Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst al dan niet als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet eerst door uitleg aan de hand van de
Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Vervolgens moeten deze worden gekwalificeerd. Als de overeengekomen rechten en plichten voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Daarbij is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen [3] , zodat in zoverre aan de bepalingen C en D in de considerans van de tussen partijen gesloten overeenkomst (hiervoor aangehaald onder r.o. 2.1.) geen betekenis toekomt. Voor het overige moet bij de kwalificatie van de overeenkomst worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Daarbij heeft de Hoge Raad in de zaak
Deliveroo/FNV [4] een negental (niet uitputtend bedoelde en zonder daarin een rangorde aan te brengen) gezichtspunten geformuleerd aan de hand waarvan kwalificatie van de (arbeids)verhouding kan plaatsvinden. In die zaak heeft de Hoge Raad verder nog overwogen dat het gewicht dat aan een contractueel beding toekomt, mede afhangt van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft gehad voor de partij die de werkzaamheden verricht.
4.8.
Door [gedaagden] is gesteld dat de feitelijke gang van zaken binnen City Clinics afweek van de woordelijke bepalingen uit de overeenkomst, en zij heeft aan de hand van de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest uiteengezet dat deze feitelijke gang van zaken maakt dat de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Zo stelt [gedaagden] dat zij minimaal vijf dagen per week op vaste dagen en tijden werkzaam was bij City Clinics, dat zij volledig was geïntegreerd (ingebed) in de organisatie van City Clinics, dat City Clinics de werktijden en de wijze waarop de werkzaamheden werden uitgevoerd bepaalde, dat zij zich in de praktijk feitelijk niet door een ander kon laten vervangen, dat zij geen commercieel risico liep en dat zij geen andere opdrachtgevers had en die in feite ook niet kon bedienen. Een en ander is door City Clinics gemotiveerd betwist, waarbij zij aanvoert dat [gedaagden] welbewust heeft gekozen voor een overeenkomst van opdracht, dat er geen sprake was van een gezagsverhouding, dat [gedaagden] zelf haar werkdagen bepaalde, dat de wijze van beloning niet paste bij een arbeidsovereenkomst en dat [gedaagden] met inachtneming van de beperkingen uit het concurrentiebeding en het cliëntenbeding wel degelijk de vrijheid had om ook voor andere opdrachtgevers te werken.
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van het over en weer gestelde, en door partijen (deels ook) onderbouwde, niet in de voor toewijzing in kort geding benodigde voldoende en overtuigende mate (‘een zodanige kans van slagen’) kan worden aangenomen dat de bodemrechter tot toewijzing van de vorderingen van City Clinics zal overgaan. Daargelaten dat voor nadere bewijslevering in dit kort geding geen plaats is, past de voorzieningenrechter behoedzaamheid aangaande het oordeel van de bodemrechter omtrent de uitleg van de overeenkomst, de feitelijke kwalificatie daarvan aan de hand van de Deliveroo-gezichtspunten en de vaststelling van de mate waarin de verschillende bedingen uit de overeenkomst in de praktijk betekenis hebben gehad voor [gedaagden] . De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de gevolgen van toewijzing in dit kort geding voor [gedaagden] in beginsel verstrekkend zijn (zowel financieel als qua beroepsuitoefening), terwijl afwijzing ervan voor City Clinics minder ingrijpend lijkt te zijn nu zij in een bodemprocedure alsnog haar (eventuele) rechten kan doen gelden. Gelet op dit alles
oordeelt de voorzieningenrechter dat niet op een verantwoorde wijze op de vorderingen van City Clinics kan worden beslist. De voorzieningen die strekken tot nakoming van de bedingen, versterkt met dwangsommen en contractuele boetes, zullen daarom worden geweigerd.
4.10.
Aan behandeling van de subsidiair en voorwaardelijk ingestelde vordering komt de voorzieningenrechter niet toe, omdat aan de voorwaarde (dat wordt geoordeeld dat de overeenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst) evenmin wordt voldaan.
4.11.
City Clinics is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.666,00
in reconventie
De geldvordering
4.12.
Voorop staat dat bij de beoordeling van een vordering in kort geding uitgangspunt is dat hoe minder de vordering ter discussie staat, hoe minder snel van een schuldeiser kan worden gevergd dat deze ter incassering van deze vordering het resultaat van een bodemprocedure afwacht. Daaraan doet niet af dat bij een geldvordering een grotere mate van terughoudendheid moet worden betracht dan bij andere vorderingen die zich lenen voor behandeling in kort geding, onder meer vanwege een mogelijk restitutierisico. City Clinics heeft de vordering op zichzelf niet (gemotiveerd) betwist en ook geen beroep op een restitutierisico gedaan. Zij beroept zich op verrekening met eigen vorderingen, dan wel - indien haar eigen vorderingen worden afgewezen - op herberekening daarvan.
4.13.
Aan het beroep op verrekening gaat de voorzieningenrechter voorbij nu aan de voorwaarden daartoe niet is voldaan (van een opeisbare vordering in de zin van artikel 6:127 BW Pro is vooralsnog geen sprake) en uit hetgeen hiervoor is overwogen bovendien volgt dat de gegrondheid van dit beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld (artikel 6:236 BW Pro). Voor herberekening ziet de voorzieningenrechter evenmin voldoende aanleiding: de (impliciete) zienswijze van City Clinics dat de overeenkomst - wanneer deze als arbeidsovereenkomst zou worden gekwalificeerd - zou moeten worden ‘geconverteerd’ in een standaardarbeidsovereenkomst zoals die bij City Clinics gangbaar is, met de daaraan gekoppelde arbeidsbeloning, miskent dat in dit geval weliswaar het concurrentiebeding en het cliëntenbeding van de tussen partijen gesloten overeenkomst niet geldig zijn, maar dat dit niet onverkort eveneens geldt voor de andere bepalingen. Bij gebreke van een deugdelijk gemotiveerde betwisting hoeft van [gedaagden] daarom niet te worden verwacht dat zij het resultaat van een bodemprocedure afwacht ten aanzien van deze geldvordering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagden] ook een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar geldvordering, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Schorsing concurrentiebeding en cliëntenbeding
4.14.
Hoewel dit niet met zoveel woorden blijkt uit de formulering van het petitum, blijkt uit randnummer 4 van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie dat [gedaagden] haar vordering tot schorsing van de bedingen voorwaardelijk heeft ingesteld, voor zover de bedingen geldigheid blijken te hebben. Uit de beoordeling in conventie volgt dat de geldigheid van de bedingen afhankelijk is van de kwalificatie van de overeenkomst, en dat de voorzieningenrechter zich daarover niet verantwoord een (voorlopig) oordeel kan vormen. Dit betekent dat aan de voorwaarde niet is voldaan, zodat aan een behandeling van deze vordering niet wordt toegekomen.
4.15.
City Clinics is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.325,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt City Clinics in de proceskosten van € 1.666,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 49,00 plus de kosten van betekening als City Clinics niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt City Clinics om aan [gedaagden] een bedrag van € 66.889,94 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 13 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt City Clinics in de proceskosten van € 1.325,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 49,00 plus de kosten van betekening als City Clinics niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
524 / MvdH

Voetnoten

1.zie: Hoge Raad 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1919.
2.zie: Hoge Raad 8 januari 1965, NJ 1965/162
3.e.e.a. volgt uit Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746
4.Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, r.o. 3.2.5