Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2377

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/2934
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.S. Schür
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 3:46 AwbArt. 2:3 JeugdwetArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing jeugdhulp verlenging onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd

De moeder van eiser vroeg verlenging van de jeugdhulp die door Team050 op Maat (TOM) werd verleend. Het college besloot de indicatie te verminderen van negen naar vier uur per week en de hulp over te hevelen naar Basis Jeugdhulp (BJH). Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank oordeelt dat het college het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet op inzichtelijke wijze heeft doorlopen en dat het ondersteuningsplan van stichting WIJ Groningen onvoldoende gemotiveerd is. Het onderzoek naar de zorgbehoefte van eiser was niet afgerond toen het besluit op bezwaar werd genomen, wat strijdig is met de zorgvuldigheidseisen.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen waarbij de indicatie voor jeugdhulp door TOM wordt toegekend voor negen uur per week tot zes weken na het nieuwe besluit. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bestreden besluiten worden vernietigd en een voorlopige voorziening wordt getroffen voor negen uur jeugdhulp per week.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser

wettelijk vertegenwoordiger: [wettelijk vertegenwoordiger]
(gemachtigde: L.R.J. Folkers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college
(gemachtigden: mr. T.D. Polak en S. Smit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over jeugdhulp die het college heeft toegekend aan eiser ( [naam] ). Voor [eiser] is verlenging gevraagd van de jeugdhulp die hij negen uur per week kreeg van Team050 op Maat (TOM). Het college heeft besloten de indicatie te wijzigen naar vier uur per week, waarbij is aangekondigd dat de jeugdhulp overgeheveld zou worden naar Basis Jeugdhulp, geleverd door stichting WIJ Groningen. Eiser is het hier niet mee eens. Namens hem zijn een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende zijn gemotiveerd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond. Ook wordt een voorlopige voorziening getroffen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Hoe is de procedure verlopen?

2. De moeder van eiser heeft verlenging gevraagd van de jeugdhulp die door TOM werd verleend. Het college heeft met het besluit van 26 februari 2025 vier uur per week jeugdhulp aan eiser toegekend in de vorm van Zorg in Natura (ZIN) door TOM voor de periode 1 maart 2025 tot en met 30 juni 2025. Het college heeft deze indicatie met het besluit van 27 mei 2025 ambtshalve verlengd tot en met 30 september 2025. Namens eiser is tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. In het besluit op bezwaar van 11 juli 2025 schrijft het college dat het voorlopig blijft bij de beslissing om de indicatie voor TOM te beëindigen.
2.1.
De moeder van eiser heeft namens hem beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 11 juli 2025.
2.2.
Het college heeft op 21 oktober 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen. In dit besluit is de indicatie voor jeugdhulp van TOM verlengd van 1 oktober 2025 tot en met 31 augustus 2026 met een omvang van vijf uur per week.
2.3.
De rechtbank heeft gevraagd of het besluit van 21 oktober 2025 aanleiding geeft om het beroep in te trekken. Daarop is namens eiser meegedeeld dat hij het beroep wil voortzetten en uitgelegd waarom.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hier waren aanwezig: de moeder (wettelijk vertegenwoordiger) van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Het onderzoek is vervolgens geschorst om partijen de gelegenheid te geven met elkaar in overleg te gaan. Op 15 april 2026 is de zitting voortgezet. De hiervoor genoemde mensen waren toen opnieuw aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er vooraf gegaan aan de bestreden besluiten?
3. [eiser] , geboren op [datum] , is hoogbegaafd en daarnaast gediagnosticeerd met autismespectrumstoornis (ASS) en een periodiek explosieve stoornis. In dit kader heeft al een intensief behandeltraject plaatsgevonden bij Accare. Vanaf begin 2020 verleende TOM ook 7,5 uur per week jeugdhulp aan [eiser] . In november 2020 is hierbij een persoonsgebonden budget (PGB) ingezet voor een oudertraining voor zijn moeder. Vanaf december 2020 is de toegekende Jeugdhulp door TOM verhoogd naar 13,5 uur per week. In december 2021 is deze indicatie met een jaar verlengd voor 14 uur per week. De indicatie is in december 2022 nogmaals met een jaar verlengd. In december 2023 is een indicatie voor zes maanden afgegeven met een omvang van 9 uur per week. Deze indicatie is daarna verlengd tot 30 november 2024. In afwachting van een nieuwe evaluatie heeft het college de bestaande indicatie nogmaals verlengd, toen met drie maanden: van 1 december 2024 tot en met 28 februari 2025.
3.1.
De moeder van eiser heeft (tijdens het evaluatiegesprek) verlenging van de door TOM verleende jeugdhulp aangevraagd.
3.2.
Stichting WIJ Groningen (WIJ) heeft in opdracht van het college een (ongedateerd) ondersteuningsplan opgesteld. In dit plan adviseert WIJ aan het college om de begeleiding over te hevelen van TOM naar Basis Jeugdhulp (BJH), waarbij zij aangeeft dat deze overdracht langzaam en gefaseerd moet plaatsvinden zodat eiser kan wennen aan de nieuwe begeleiding.
3.3.
Met het primaire besluit van 26 februari 2025 heeft het college verwezen naar het ondersteuningsplan en vier uur per week jeugdhulp aan eiser toegekend in de vorm van ZIN door TOM voor de periode van 1 maart 2025 tot en met 30 juni 2025. Het college heeft deze jeugdhulp met het besluit van 27 mei 2025 ambtshalve verlengd tot en met 30 september 2025. Tijdens de periode van februari tot en met juni 2025 zou de overdracht naar BJH plaatsvinden en de inzet van TOM geleidelijk worden afgebouwd.
3.4.
In het eerste besluit op bezwaar van 11 juli 2025 schrijft het college dat het voorlopig bij de beslissing blijft om de indicatie voor TOM te beëindigen. Het college vermeldt daarbij dat meer onderzoek vereist is om het recht op jeugdhulp te beoordelen.
3.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek met de uitspraak van 16 oktober 2025 [1] niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet langer een spoedeisend belang had bij het treffen van een voorziening. Partijen hadden namelijk afspraken met elkaar gemaakt op de zitting van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2025. Zij spraken af dat, terwijl de beroepsprocedure nog liep, de indicatie voor door TOM verleende jeugdhulp verlengd zou worden tot en met 31 augustus 2026, met een omvang van vijf uur per week.
3.6.
Op 21 oktober 2025 neemt het college een nieuw besluit op bezwaar. Met dit besluit verlengt het college de indicatie voor jeugdhulp van TOM van 1 oktober 2025 tot en met 31 augustus 2026 voor vijf uur per week. Het college merkt op dat het tot dan toe verrichte onderzoek nog geen antwoord heeft gegeven op alle vragen en de bestaande indicatie om die reden is verlengd. In juni of juli 2026 zal een evaluatie plaatsvinden om te onderzoeken welke zorg er na 1 september 2026 nodig zal zijn.
Heeft eiser nog procesbelang?
4. Een beroep tegen een bestreden besluit heeft van rechtswege ook betrekking op de intrekking, wijziging of vervanging daarvan, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. [2] Het beroep gaat dus ook over het nieuwe besluit op bezwaar van 21 oktober 2025. Het primaire besluit, waartegen het bezwaar gericht is, gaat over de periode van 1 maart 2025 tot en met 30 juni 2025 en het besluit van 21 oktober 2025 gaat (alleen) over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 augustus 2026. Feitelijk reageert dit besluit op bezwaar dus niet op het bezwaar. De rechtbank begrijpt het besluit van 21 oktober 2025 daarom als een aanvulling op het eerder genomen besluit op bezwaar van 11 juli 2025. Dit betekent dat de periode waarover in het bestreden besluit is beslist nog niet is afgelopen en dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling hiervan. Deze beoordeling kan immers nog invloed hebben op de jeugdhulp die wordt geboden tot 31 augustus 2026. De rechtbank oordeelt, in tegenstelling tot wat het college stelt, dat eiser alleen al daarom een belang bij de uitkomst van deze procedure (ofwel procesbelang) heeft.
Heeft het college deugdelijk onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de aanvraag van eiser?
5. De belangrijkste beroepsgrond is dat de besluitvorming heeft plaatsgevonden zonder dat zorgvuldig onderzoek is verricht naar de aard en omvang van de zorgbehoefte van [eiser] . Het besluit op bezwaar is namelijk genomen, terwijl het vereiste onderzoek nog niet is afgerond. Dat blijkt al uit de tekst van het besluit van 11 juli 2025, waarin immers vermeld wordt dat dat meer onderzoek vereist is om het recht op jeugdhulp te beoordelen. Ook voorafgaand aan het besluit van 21 oktober 2025 heeft het college heeft het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) niet gevolgd, terwijl het hier wel toe verplicht was.
5.1.
Uit de wet volgt dat een bestuursorgaan voldoende kennis moet vergaren over de feiten en af te wegen belangen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over jeugdhulp. [3] Daarvoor heeft de CRvB een stappenplan opgesteld. [4] Volgens dit stappenplan moet het college allereerst vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of ouder is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (stap 2). Alleen na deze vaststelling kan het college bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (stap 3). Ten slotte moet het college onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (stap 4). Als blijkt dat die mogelijkheden ontoereikend zijn, moet het college een voorziening voor jeugdhulp verlenen. Tot slot moet dan worden bepaald welke voorziening nodig is (stap 5). [5] Voor zover het onderzoek naar de nodige (jeugd)hulp specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken. De genoemde stadia van onderzoek vragen per stadium gepaste deskundigheid. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze concreet kenbaar is voor de hulpvrager.
5.2.
Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op het ondersteuningsplan dat is opgesteld door WIJ. Dit document bevat een uiteenzetting van informatie over eiser die WIJ heeft verzameld door middel van een huisbezoek bij eiser en zijn moeder, dossieronderzoek en (telefonisch) contact met de school van eiser, TOM, Accare, moeder en vader. In het ondersteuningsplan zijn een drietal onderzoeksvragen geformuleerd. WIJ beoogt te onderzoeken welke hulp nodig is voor eiser en zijn gezin om goed te ontwikkelen, welke hulp nodig is voor eiser en zijn gezin om weer volledig naar school te gaan en welke hulp nodig is om moeder te ontlasten in haar zorgtaken. Hoewel deze vragen de inhoud van het stappenplan gedeeltelijk dekken zijn zij zeer breed geformuleerd en is geen enkele structuur aangebracht in de beantwoording. Ook worden geen (duidelijk volgbare) conclusies getrokken. Zo wordt uiteengezet welke uitdagingen het naar school gaan met zich mee brengt en dat eiser minder naar school gaat, maar niet op welke wijze een voorziening voor jeugdhulp hierbij kan en/of gaat ondersteunen. Met betrekking tot de zogenaamde eigen kracht wordt ook slechts algemeen overwogen dat de begeleiding die moeder kan bieden niet voldoende is. Over de door TOM geboden hulp stelt WIJ dat deze onvoldoende lijkt, maar verbindt hier vervolgens geen conclusie of gevolg aan. Ten slotte wordt in het ondersteuningsplan geconcludeerd dat de door TOM geboden begeleiding overgenomen kan worden door BJH, omdat zij (ook) kan voorzien in de hulpvragen van eiser en zijn moeder. Er volgt echter geen motivering voor deze stelling.
5.3.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het ondersteuningsplan niet voldoet aan de daaraan – in het kader van zorgvuldigheid en motivering – te stellen eisen. Het stappenplan van de CRvB is namelijk niet (op inzichtelijke wijze) doorlopen. In elk geval is niet deugdelijk gemotiveerd wat de zorgbehoefte van eiser is en, in het verlengde daarvan, waarom de toegekende jeugdhulp voldoende en passend is. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook dat het college zelf in de bestreden besluiten concludeert dat meer onderzoek vereist is om het recht op jeugdhulp te kunnen beoordelen. De rechtbank merkt nog op dat uit de verslagen van de Ombudsman (die in het dossier zitten) blijkt dat door WIJ onbehoorlijk is gehandeld tegenover (de moeder van) eiser. De samenwerking met WIJ was al in de loop van 2025 vastgelopen. Zoals de rechtbank ook op de zitting heeft opgemerkt, zou het in het licht van deze voorgeschiedenis zorgvuldig zijn geweest (en zijn) om bij het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van [eiser] een andere deskundige organisatie te betrekken dan WIJ.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het bovenstaande zijn de besluiten van 7 juli 2025 en 21 oktober 2025 niet op zorgvuldige wijze voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 3:46 van Pro de Awb en 2:3 van de Jeugdwet. Daarom is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten. Zij ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Dit omdat de rechtbank niet in staat is om zelf de zorgbehoefte van eiser vast te stellen. Het college zal binnen een periode van zes weken een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. [6] De rechtbank merkt hierbij op dat ter zitting door partijen is gesproken over het feit dat er (binnenkort) nieuw onderzoek zal moeten worden verricht om de zorgbehoefte van eiser vanaf 1 september 2026 vast te stellen. In dit kader heeft het college toegezegd dat zij dit nog te verrichten onderzoek niet zal laten uitvoeren door WIJ, maar hiervoor opdracht zal geven aan een andere onafhankelijke deskundige. Omdat de periode waarin dit onderzoek verricht zal moeten worden nadert, zou het college ervoor kunnen kiezen om deze deskundige opdracht te geven het voor het nieuw te nemen besluit benodigde onderzoek hierbij te betrekken.
6.1.
De rechtbank treft een voorlopige voorziening om de periode van besluitvorming van het college te overbruggen. Hiertoe ziet zij aanleiding in het feit dat de moeder van eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat de op dit moment geboden ondersteuning niet toereikend is en dat de op 9 oktober 2025 gemaakte afspraak alleen tot stand is gekomen om enige rust te creëren in afwachting van de bodemprocedure en een volgend onderzoek. Zij heeft erop gewezen dat [eiser] op het moment van de zitting al enige tijd school verzuimt omdat het niet goed met hem gaat. Daarnaast heeft ook WIJ al in het eerder genoemde ondersteuningsplan aangegeven dat de door TOM geboden hulp onvoldoende leek, terwijl de destijds geboden jeugdhulp een omvang had van negen uur per week. De rechtbank kan weliswaar niet zelf de precieze hulpbehoefte van eiser vaststellen, maar neemt wel aan dat de vijf uur jeugdhulp die momenteel geboden wordt niet toereikend is. Daarom acht zij het treffen van een voorlopige voorziening passend en bepaalt dat de indicatie voor begeleiding door TOM voor negen uur per week wordt toegekend tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.
6.3.
De rechtbank zal het college veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een nadere zitting met waarde per punt van € 934,- vermenigvuldigd met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 11 juli 2025 en 21 oktober 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- treft een voorlopige voorziening en bepaalt dat de indicatie voor de door TOM verstrekte jeugdhulp voor negen uren per week wordt toegekend tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 2.335,-;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van V.M. de Koning, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4554.
2.Dat volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dat is bepaald in artikel 3:2 van Pro de Awb en artikel 2.3 van de Jeugdwet.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1391.
6.Zoals omschreven in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.