ECLI:NL:RBNNE:2026:2429
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank vernietigt intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs niet-hoofdverblijf
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de intrekking van de bijstand van eiser centraal, gebaseerd op het vermoeden dat hij niet op het uitkeringsadres woonde vanwege een zeer laag gas- en elektriciteitsverbruik. Het college had op grond van diverse onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had en had daarom de bijstand ingetrokken en een nieuwe aanvraag afgewezen.
Eiser voerde aan dat hij wel degelijk op het uitkeringsadres woonde en dat het college onvoldoende aanvullend bewijs had geleverd. De rechtbank oordeelde dat het lage energieverbruik op zichzelf onvoldoende is om het niet-hoofdverblijf aan te nemen en dat het aanvullend bewijs, waaronder bankafschriften, waarnemingen en reisgegevens, niet overtuigend was. Ook het huisbezoek en de aanwezigheid van persoonlijke bezittingen spraken tegen het standpunt van het college.
De rechtbank vernietigde daarom de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten, waardoor eiser recht op bijstand behoudt vanaf 26 april 2019. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering en voldoende feitelijke grondslag bij intrekking van bijstand.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de intrekkings- en afwijzingsbesluiten en herroept de primaire besluiten, waardoor eiser recht op bijstand behoudt vanaf 26 april 2019.