ECLI:NL:CRVB:2026:133

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23/2580 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 17 lid 1 PWArt. 17 lid 2 PWArt. 54 lid 3 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingen- en medewerkingsverplichting

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres waaruit het college concludeerde dat hij niet zijn hoofdverblijf had. Uit onderzoek, waaronder huisbezoeken en verbruiksgegevens, bleek dat appellant zijn persoonlijke leven vooral elders voerde. Het college trok de bijstand in en vorderde terug wegens schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen.

Appellant diende meerdere aanvragen om bijstand in, die werden afgewezen omdat hij niet op het uitkeringsadres woonde en niet verscheen op gesprekken. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep vernietigde de Raad de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de intrekking, maar bevestigde verder de besluiten tot intrekking, terugvordering en afwijzing van aanvragen.

De Raad oordeelde dat het college voldoende feiten had verzameld om de schending van verplichtingen aan te tonen. Het enkele feit dat appellant soms op het adres sliep, was onvoldoende om het hoofdverblijf daar te plaatsen. Ook het niet verschijnen op gesprekken was verwijtbaar. Appellant kreeg een proceskostenvergoeding en terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand, maar het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het intrekkingsbesluit wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

23/2580 PW, 23/2581 PW, 25/1275 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2580 PW, 23/2581 PW, 25/1275 PW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 juli 2023, 22/1679 (aangevallen uitspraak 1) en 23/682 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 20 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken om de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant en om de afwijzing van aanvragen om algemene en bijzondere bijstand die appellant na de intrekking heeft ingediend. Aan de besluiten tot intrekking en terugvordering en vijf afwijzingsbesluiten heeft het college (uiteindelijk) ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Aan één afwijzingsbesluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet te verschijnen op gesprekken waarvoor hij was opgeroepen. Volgens het college kan als gevolg van deze schendingen het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn hoofdverblijf wel had op het uitkeringsadres en voldoende heeft meegewerkt. Appellant krijgt hierin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.
In zaak 23/2581 PW heeft het college op 1 mei 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit).
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 25 november 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Leijser. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Jansen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant woonde van 29 november 2019 tot en met 21 maart 2021 samen met zijn ex-vriendin (X) op een adres in [woonplaats] (adres Y). Hij ontving op dat adres samen met X bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Vanaf 22 maart 2021 ontving hij bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond vanaf dat moment in de Basisregistratie Personen ingeschreven op een ander adres in [woonplaats] (adres Z). In verband met zijn verhuizing naar adres Z heeft appellant € 940,98 ontvangen aan bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Vanaf juli 2022 woont appellant weer samen met X op adres Y en ontvangen zij daar bijstand naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van de verhuurder van adres Z dat appellant niet woont in de woning op dat adres heeft een handhavingsmedewerker van het team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens gevorderd bij [naamB.V.] ([naamB.V.]), op 8 september 2021 een gesprek gehad met appellant en aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek afgelegd aan de woning op adres Z. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 september 2021.
1.2.1.
Uit de gegevens van [naamB.V.] blijkt dat in de periode van maart 2021 tot en met augustus 2021 het warmwaterverbruik in de woning op adres Z nagenoeg nihil is geweest.
1.2.2.
Tijdens het spreekkamergesprek op 8 september 2021 heeft appellant via een applicatie op zijn telefoon de verbruiksgegevens van elektriciteit over de periode van april 2021 tot en met augustus 2021 in de woning op adres Z getoond. Daaruit bleek dat in augustus 2021 slechts 11 kWh aan elektriciteit is verbruikt en dat in de rest van de periode in het geheel geen elektriciteit is verbruikt.
1.2.3.
Over het huisbezoek in de woning op het uitkeringsadres staat in het rapport van 14 september 2021 het volgende:
“In de woning van belanghebbende liggen geen matras, dekens, kussens, telefoonoplader, lampen, administratie, spelcomputer, verzorgingsartikelen zoals shampoo, tandpasta, tandenborstel crème etc. Volgens belanghebbende lagen al deze spullen op het adres van mijn ex-vriendin [...]. Daarnaast was de badkamer kurkdroog en was er geen water in de toiletpot. Hieruit kon opgemaakt worden dat het toilet heel lang niet is gebruikt.”
Tijdens het huisbezoek heeft appellant volgens het ‘Verslag bevindingen huisbezoek’ het volgende verklaard:
“Mijn koelkast is leeg. Ik heb geen boodschappen. Ik heb geen kleding en verzorgingsartikelen in de woning. Ik heb geen matras en dekens of kussens in mijn woning. [...]. Ik douche bij mijn ex-vriendin. Mijn telefoonlader ligt bij mijn ex-vriendin. Mijn switch spelcomputer ligt ook bij haar. Ik heb niks in de woning. Mijn administratie ligt bij mijn ex-vriendin. Mijn persoonlijke verzorgingsartikelen zoals shampoo, tandpasta, tandenborstel, crème etc. liggen bij mijn ex-vriendin in de woning”.
1.3.
Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het college met een besluit van 16 september 2021 (besluit 1), zoals aangevuld met een besluit van 6 oktober 2021, de (algemene en bijzondere) bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 22 maart 2021 en de over de periode van 22 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021 gemaakte kosten van (algemene en bijzondere) bijstand van appellant teruggevorderd tot een totaalbedrag van € 5.622,76 netto. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet op het adres Z woont en dit niet aan het college heeft gemeld, waarmee hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
1.4.
Appellant heeft op 28 september 2021 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend (aanvraag 1). Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij op adres Z woont.
1.5.
Naar aanleiding van deze aanvraag hebben medewerkers van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld. Deze medewerkers hebben dossieronderzoek verricht en appellant verzocht om informatie te verstrekken. Daarnaast hebben de medewerkers op 27 oktober 2021 een gesprek met appellant gevoerd en aansluitend een huisbezoek afgelegd in de woning op adres Z. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 oktober 2021.
1.5.1.
In dit rapport staat over het huisbezoek op 27 oktober 2021 het volgende. In vergelijking met het eerdere huisbezoek, zijn wat meer spullen van appellant aangetroffen, zoals een toilettas met verzorgingsartikelen, administratie en een telefoonoplader. In de koelkast werden twee pakjes drinken en in de vriezer enkele pakken snacks aangetroffen. Geconstateerd is dat in de woning van appellant geen boodschappen, kleding of andere persoonlijke spullen aanwezig waren. Tijdens het huisbezoek heeft appellant verklaard dat hij overdag bij zijn ex-vriendin is, waar hij een eigen kamer heeft met zijn gameapparatuur en in de avond naar zijn eigen woning gaat om te slapen. Over het lage energiegebruik en waterverbruik – van 0,2 m3 in een periode van bijna zeven weken – heeft appellant verklaard dat hij alleen in de woning is om te slapen en zijn dagelijkse bezigheden bij zijn ex-vriendin heeft. Er is ook geen ruimte in zijn woning voor zijn grotere spullen, daarom heeft hij bij haar zijn hobbykamer.
1.6.
Met een besluit van 9 november 2021 (besluit 2) heeft het college aanvraag 1 afgewezen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet op het uitkeringsadres woont en dit niet aan het college heeft gemeld, waarmee hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.
1.7.
Met een besluit van 17 februari 2022 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant het bezwaar te laat heeft ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Met bestreden besluit 1 heeft het college ook het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres en dat hij, door dit niet aan het college te melden, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.8.
Appellant heeft op 4 januari 2022 opnieuw bijstand aangevraagd (aanvraag 2). Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij woont op adres Z. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellant met een brief van 9 maart 2022 uitgenodigd voor een gesprek op 16 maart 2022. Appellant is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Met een aangetekend verzonden brief van 16 maart 2022 heeft het college appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 22 maart 2022. Appellant is ook op deze afspraak, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
1.9.
Met een besluit van 22 maart 2022 (besluit 3), voor zover hier van belang, heeft het college aanvraag 2 afgewezen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te verschijnen op 16 en 22 maart 2022. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.10.
Appellant heeft daarna op 24 maart 2022 opnieuw bijstand aangevraagd (aanvraag 3). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellant verzocht om nader genoemde informatie te verstrekken. Dat heeft appellant gedaan door toezending van onder meer bankafschriften, een salarisstrook en een schuldenoverzicht. Medewerkers van de gemeente Tilburg hebben vervolgens nader onderzoek gedaan. In dat kader hebben zij op 4 mei 2022 een gesprek met appellant gevoerd en aansluitend een huisbezoek afgelegd in de woning op adres Z. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 mei 2022.
1.10.1.
Tijdens het gesprek op 4 mei 2022 heeft appellant het volgende verklaard. Hij staat niet langer ingeschreven op adres Z. Hij is ambtshalve uitgeschreven en hij kan zich online niet inschrijven. Hij verblijft wel op adres Z, maar de meeste kleren liggen bij zijn ex-partner. Ook zijn computer, kledingkast, PlayStation, tv en hond zijn daar. Dagelijkse kleding, administratie en verzorgingsspullen liggen wel in zijn woning. De medewerkers hebben appellant vervolgens voorgehouden dat uit zijn bankafschriften blijkt dat hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 20 april 2022 in totaal 16 keer heeft gepind in [woonplaats] en 63 keer in [plaats 1] . Appellant heeft in reactie daarop gewezen op zijn werk in [plaats 1] en daarover het volgende verklaard. Hij gaat alleen naar [plaats 1] als hij moet werken. Hij werkt op maandag en vrijdag in de schoonmaak. Dan blijft hij in het weekend ook daar. Het andere werk was op dinsdag en donderdag. Als hij moet werken, dan is hij van dinsdag tot donderdag bij zijn vriendin in [plaats 1] . Dan is hij in de week een à twee dagen in [woonplaats] en de rest in [plaats 1] .
1.10.2.
In het rapport van 4 mei 2022 staat over het huisbezoek het volgende. Tijdens het huisbezoek is een stapeltje kleding aangetroffen in de kast op de slaapkamer, maar geen ondergoed. Op het bureau lag administratie. Er waren (beperkt) levensmiddelen aanwezig in de woning. In de badkamer lagen verzorgingsproducten. Appellant verklaarde twee tot drie keer in de week in zijn woning te zijn. Er was geen fornuis of wasmachine aanwezig in de woning.
1.11.
Met een besluit van 10 mei 2022 (besluit 4) heeft het college aanvraag 3 afgewezen op de grond dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft binnen de gemeente Tilburg.
1.12.
Op 29 maart 2022, 20 april 2022 en op 9 mei 2022 heeft appellant aanvragen ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand en kosten van griffierecht. Met afzonderlijke besluiten van 10 mei 2022 (besluiten 5, 6 en 7) heeft het college deze aanvragen afgewezen op de grond dat appellant zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Tilburg heeft.
1.13.
Met een besluit van 8 december 2022 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 3 tot en met 7 ongegrond verklaard, onder aanpassing van de motivering van besluit 3. Het college heeft de grondslag van besluit 3 in die zin gewijzigd dat appellant de medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet op de gesprekken op 16 en 22 maart 2022 te verschijnen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan bestreden besluit 2, voor zover dat ziet op de besluiten 4 tot en met 7, ligt ten grondslag, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat hij zijn hoofdverblijf heeft op adres Z en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Uitspraken van de rechtbank
2. Met de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Nader besluit
4. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het college op 1 mei 2025 het nader besluit genomen.
4.1.
Met het nader besluit heeft het college bestreden besluit 1 herzien. Het college heeft het bezwaar van appellant tegen besluit 1 alsnog inhoudelijk behandeld en dat bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat hij niet op het uitkeringsadres woont.
4.2.
Aangezien met het nader besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant, moet dit besluit op grond van artikel 6:19 in Pro verbinding met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, mede bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken en het beroep tegen het nader besluit aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt en het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt en dat het beroep tegen het nader besluit ook niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Aangevallen uitspraak 1 (23/2581 PW) en nader besluit (25/1275 PW)
5.1.
Met het nader besluit heeft het college in hoger beroep bestreden besluit 1 gewijzigd door het bezwaar tegen besluit 1 alsnog ontvankelijk te verklaren en vervolgens ongegrond. Daaruit volgt dat aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard.
Intrekking
5.2.
Het nader besluit wordt getoetst voor de periode van 22 maart 2021, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 16 september 2021, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode 1).
5.3.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Het is dus aan het college om aannemelijk te maken dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, door niet te melden dat hij niet op het uitkeringsadres woonde.
5.4.
Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
5.5.
Appellant heeft als enige beroepsgrond aangevoerd dat hij vanaf 22 maart 2022 wel zijn hoofdverblijf heeft gehad op adres Z. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
5.5.1.
De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode 1 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op adres Z. Uit de bevindingen van het huisbezoek op 8 september 2021, zoals weergegeven onder 1.2.3, blijkt namelijk dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van appellant in die periode niet op adres Z is geweest.
5.5.2.
Dat appellant wel alle nachten slaapt op het opgegeven adres, zoals hij ter zitting heeft betoogd, leidt niet tot een ander oordeel. Het aantal nachten dat in een woning wordt doorgebracht is een zwaarwegend element bij de beoordeling of sprake is van hoofdverblijf in een woning. Maar als toch zou moeten worden aangenomen dat appellant in de te beoordelen periode 1 – ondanks dat bij het huisbezoek geen kussens en dekens in de woning op adres Z zijn aangetroffen – steeds op adres Z heeft geslapen, dan nog zou dit enkele feit onvoldoende zijn voor de conclusie dat hij in die periode zijn hoofdverblijf heeft gehad op adres Z. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt namelijk niet dat er, afgezien van het eventueel slapen in de woning op dat adres, andere omstandigheden zijn waaruit kan worden opgemaakt dat het hoofdverblijf van appellant zich in die woning bevond. [1]
Terugvordering
5.6.
Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat dit onderdeel van het nader besluit niet hoeft te worden besproken.
Afwijzing aanvraag 1
5.7.
Appellant heeft net als in beroep als enige beroepsgrond aangevoerd dat hij vanaf 28 september 2021 zijn hoofdverblijf heeft gehad op adres Z. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.7.1.
In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen:
“4.5 De [...] combinatie van feiten en omstandigheden duidt erop dat het centrum van eisers maatschappelijk leven zich ten tijde van de besluitvorming (nog altijd) op het adres van [X] bevond, en niet op [adres Z]. Alleen slapen in de woning is daarvoor niet voldoende als hij overdag de hele dag bij [X] is en daar ook eet en wast – en hij bovendien geen mogelijkheid heeft om dat in zijn eigen woning te doen. In beroep voert eiser wel aan dat hij inmiddels een kookplaat en een wasmachine heeft gekocht, maar dat hij deze niet kon aansluiten. Hieruit blijkt dat deze niet bruikbaar zijn voor hem, zodat dit geen wijziging van de situatie met zich meebrengt. Het enkele gegeven dat er enkele verzorgingsproducten in de woning zijn aangetroffen, is, gelet op de door eiser afgelegde verklaringen en de overige bevindingen, eveneens onvoldoende om aan te kunnen nemen dat eiser zijn hoofdverblijf heeft op [adres Z].”
5.7.2.
Wat appellant aanvoert is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van bestreden besluit 1. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overweging waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overweging over.
Aangevallen uitspraak 2 (23/2580 PW)
Afwijzing aanvraag 2
5.8.
Appellant heeft net als in beroep aangevoerd dat hij wel voldoende medewerking heeft verleend en dat hem niet te verwijten valt dat hij niet is verschenen op de gesprekken van 16 en 22 maart 2022. Deze gronden slagen niet.
5.8.1.
In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen:
“3.1 [...]Dat eiser aan het werk was in de regio Eindhoven en daarom bij zijn vriendin in [plaats 1] verbleef, maakt niet dat het niet verschijnen op de gesprekken hem niet te verwijten valt. Het is immers eisers eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat als hij enige tijd afwezig is en daardoor zijn post niet in de gaten kan houden, dit al dan niet met behulp van derden opgevangen wordt. Te meer nu hij een bijstandsaanvraag bij het college had ingediend en hij gelet op zijn voorgaande aanvragen [...] wist dat het college hierover contact met hem zou opnemen. Eiser wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat de twee uitnodigingen te kort op elkaar zijn verzonden. Er zit een week tussen deze twee op woensdagen verzonden brieven en gelet op eisers verklaring dat hij met name voor, in en na het weekend bij zijn vriendin in [plaats 1] verbleef, zou hij deze dus op de tussenliggende weekdagen onder ogen gekregen moeten hebben.
3.2.
Eisers stelling dat het college voldoende gegevens had om zijn recht op bijstand vast te stellen, kan niet worden gevolgd. Het college werpt eiser immers niet tegen dat hij onvoldoende gegevens zou hebben verstrekt, maar dat hij niet is verschenen op de afspraken waarvoor zij hem hebben uitgenodigd. Tijdens een gesprek zou het college eiser vragen kunnen stellen over de door hem overgelegde gegevens om deze op juistheid te controleren. Deze mogelijkheid heeft het college door het niet verschijnen van eiser niet gehad, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden. Dat eiser eerder wel heeft meegewerkt aan onderzoeken van het college doet daar niet aan af, nu dit niet wegneemt dat hij dat in dit geval niet heeft gedaan.”
5.8.2.
Wat appellant aanvoert is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van bestreden besluit 2. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.
Afwijzing aanvraag 3 en afwijzing aanvragen bijzondere bijstand
5.9.
Bestreden besluit 2, voor zover dat ziet op de afwijzing van aanvraag 3, wordt getoetst voor de periode van 24 maart 2022, de datum waarop appellant bijstand heeft aangevraagd, tot en met 10 mei 2022, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode 2).
5.10.
Appellant heeft net als in beroep als enige beroepsgrond aangevoerd dat hij vanaf 24 maart 2022, en dus ook ten tijde van zijn aanvragen om bijzondere bijstand, zijn hoofdverblijf wel in de woning op adres Z heeft gehad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.10.1.
De beschikbare onderzoeksgegevens, zoals weergegeven onder 1.10.1 en 1.10.2, bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode 2 niet zijn hoofdverblijf had op het adres Z. Uit die bevindingen blijkt namelijk dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant ook in die periode niet op dat adres Z is geweest. Het enkele feit dat appellant af en toe sliep in de woning op adres Z en dat zich daar enkele persoonlijke eigendommen van appellant bevonden, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Conclusie en gevolgen

5.11.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1, voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluit 1, slaagt. Zoals al is overwogen onder 5.1 moet deze uitspraak worden vernietigd en zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1, voor zover het ziet op de afwijzing van aanvraag 1, slaagt niet. Hetzelfde geldt voor het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2. Het beroep tegen het nader besluit slaagt ook niet en zal dus ongegrond worden verklaard. Dit alles betekent dat de intrekking, de terugvordering en de afwijzing van de aanvragen om algemene en bijzondere bijstand in stand blijven.
Proceskosten en griffierecht
6. Omdat appellant (deels) gelijk krijgt in de procedure over aangevallen uitspraak 1, krijgt hij een vergoeding van de proceskosten die hij in hoger beroep en in het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft moeten maken. De kosten voor verleende rechtsbijstand bedragen in beroep € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en in hoger beroep € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 3.736,-. Verder krijgt appellant een vergoeding voor het door hem in (voornoemd) beroep en hoger beroep betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
in de zaken 23/2580 PW en 25/1275 PW
  • vernietigt aangevallen uitspraak 1;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2022 gegrond;
  • vernietigt het besluit van 17 februari 2022 voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2021 niet-ontvankelijk is verklaard;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2025 ongegrond;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.736,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.

In zaak 23/2581 PW

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter, W.R. van der Velde en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
(getekend) W.F. Claessens
De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrechtArtikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
ParticipatiewetArtikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 17, tweede lid
De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 54, derde lid
Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
Artikel 58, tweede lid, onder d
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand ingevolge artikel 52 bij Pro wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraken van 30 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1607 en van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1664.